Hoofdredacteur zonder ego

Het is moeilijk voor te stellen hoe de agenda van David Remnick (1958) eruit moet zien. Hij is hoofdredacteur van The New Yorker, het meest toonaangevende intellectuele en literaire tijdschrift van de VS. Hij werd in 1999 aangesteld en maakte al snel reputatie door zijn gebrek aan reputatie, of liever: zijn grenzeloze efficiëntie en professionaliteit. In een profiel in The New York Times van een paar weken terug zei bestsellerauteur en New Yorker-redacteur Malcolm Gladwell dat Remnick het type is dat elke tien minuten een nieuwe afspraak heeft en waar mogelijk wegglipt om in een kwartier een paar duizend woorden te schrijven. Niet ongeloofwaardig, gezien het feit dat hij voor het schrijven van zijn vuistdikke Obama-biografie De brug geen verlof nam. De honderden interviews die Remnick ervoor afnam plande hij in op borrels, na begrafenissen, tussen Senaatsdebatten door. En ondertussen, zeggen collega’s, is hij het type dat je het gevoel geeft wanneer hij met je praat dat jij de allerbelangrijkste persoon ter wereld bent.
Die onwil om je zijn persoonlijkheid op te leggen lees je ook terug in zijn profielen, die in 2006 gebundeld verschenen in Reporting: Writings from The New Yorker. Dat is een welkome eigenschap. Veel journalistiek proza in Amerika lijdt onder de overaanwezigheid van de ‘ik’, waarin een reportage of profiel niet zozeer gaat over het onderwerp als wel om de journalist die zich met dat onderwerp bezighoudt. In Reporting zet Remnick zich één keer op de voorgrond, in een profiel uit 1997 over 'Mrs. Graham’, de roemruchte uitgeefster van The Washington Post. Remnick beschrijft hoe hij als junior-correspondent in Moskou ten tijde van de glasnost alles op alles moet zetten om een persoonlijke kapster voor mevrouw Graham te regelen, die een interviewafspraak met Gorbatsjov heeft. Haastig vindt hij een vrouw op een ambassade die een föhn en een krultang bezit: 'Gravely, as if we were negotiating the Treaty of Ghent, I gave her an annotated copy of Vogue, a mug shot of Mrs. Graham, and a hundred dollars.
'You’re on’, she said.
'Apparently, the interview went well. It was featured, with a photograph, in the next day’s edition of Pravda. Mrs. Graham looked quite handsome, I thought. A nice full head of hair, and well combed. I felt close to history.’
Alles gaat goed. Tot Remnick Mrs. Graham en haar entourage meeneemt naar het Staatscircus, wat haar stierlijk verveelt. In paniek liegt Remnick tegen een Russische suppoost om zo achterlangs het circus uit te kunnen glippen en als ze dat doen, schiet een klauw uit een kooi - een luipaard, een panter, een jaguar?, hij ziet het niet - die bijna de strot van Mrs. Graham te pakken heeft. Het scheelt centimeters. Net als hij denkt dat zijn journalistieke carrière verpest is, barst Mrs. Graham in de limousine in lachen uit. 'That was some circus! I almost rather died!’
De anekdote neemt het eerste deel van het artikel in beslag. In de alinea die na de witregel volgt vertelt Remnick dat hij jarenlang bij elke kans die hij kreeg deze anekdote oplepelde, om te concluderen: 'The story, of course, revealed nothing of Mrs. Graham.’ Het is een aangename relativering van zijn eigen ervaring en toch is het niet waar. Allereerst heeft de anekdote een rol in het stuk: het is vrolijk geschreven en heeft een duidelijke punchline, en dient daarmee als tegengewicht voor het sombere levensverhaal van Katharine Graham, die na de depressies en zelfmoord van haar echtgenoot de Post erfde, om zonder enige ervaring in de media de krant door de Watergate-affaire heen te loodsen die hij onthulde. Daarnaast illustreert het perfect hoe Mrs. Graham door al haar ondergeschikten - en het hele sovjetbestel - als een vorstin wordt behandeld, maar hoe ze toch haar gevoel voor avontuur heeft behouden.
Remnick maakte naam toen hij correspondent in Moskou was, net toen de Sovjet-Unie uit elkaar viel. Hij schreef er een boek over, Lenin’s Tomb, waarvoor hij in 1994 de Pulitzerprijs won. Daarna legde hij zich toe op het schrijven van lange profielen, een genre waarover hij in de inleiding bij de profielenbundel Life Stories: Profiles from The New Yorker (2000) zegt: 'We worden overspoeld met artikelen die zichzelf profielen noemen over de innerlijke gedachten van een of andere bekendheid: vaker wel dan niet zijn die stukken gebaseerd op interviews van een half uur, onder toeziend oog van vigilante publiciteitsmedewerkers.’ Het is de combinatie van een ouderwetse, tijdrovende manier van journalistiek bedrijven (sommige van zijn profielen komen voort uit meerdere ontmoetingen, soms over een tijdspanne van een paar jaar) en zijn talent om zijn eigen ego en aanwezigheid weg te cijferen, die de stukken in Reporting zo sterk maakt. Remnick krijgt meer te zien van door de media gepokt en gemazelde figuren als Mike Tyson, Philip Roth, Václav Havel, Solzjenitsyn, Poetin, Netanyahu dan ze zouden willen. Hij is erbij als Tony Blair op verkiezingstournee in de coulissen door het Popie Jopie tv-duo Ant en Dec wordt afgezeken, of nog pijnlijker, hoe Blair 'onder de mensen’ wil komen en de trein naar Londen neemt; de reiziger naast hem kijkt één keer naar hem op, en leest daarna de hele rit zijn krant. Hij ontdekt dat Al Gore, in 2004, een privé-secretaris heeft die hem nog steeds met 'mister vice-president’ aanspreekt. Hij ziet hoe Mike Tyson een stuk oor van Evander Holyfield afbijt en daarna uitgeput in zijn kleedkamer concludeert: 'It’s over. My career is over.’
Het knappe is dat Remnick zich niet verlekkert aan zijn nabijheid bij het onderwerp. In zijn artikelen over mediaschuwe schrijvers als Philip Roth en Don DeLillo is hij juist zuinig in zijn beschrijving van de maniertjes en menselijkheden die veel andere journalisten voorop zouden stellen (vanuit een 'kijk eens met wie ik praat’), om meer uit te kunnen weiden over hun werk en de reacties op hun werk. Het draait uiteindelijk om de balans tussen leven en werk. In The Spirit Level: Amos Oz (2004) wandelt Remnick met de Israëlische schrijver Amos Oz door de wijk waar hij opgroeide, en een serieus gesprek ontvouwt zich over het recht op terugkeer, de kolonisten, de tweestatenoplossing. Ze komen langs een discotheek die een paar jaar daarvoor door een zelfmoordterrorist is opgeblazen en hebben het over de haat die Israël verdeelt. En dan, in een korte terzijde, misschien tweehonderd woorden lang, beschrijft Remnick hoe Oz en zijn vrouw Nily hun auto parkeren aan de rand van een dorpje en een wandeling door de woestijn maken. De zon bubbelt oranje aan de hemel, ze lopen hand in hand over een woestijnduin en kijken als een echtpaar op safari naar de ondergaande zon. Amos gaat achter Nily staan en houdt haar vast. 'I am glad to be alive’, zegt ze. Remnick sluit de passage af: 'Amos waited awhile. It was darker, but it was not dark yet. He looked up. “I’m hungry”, he said and headed to the car.’
Hoe intellectueel of politiek de onderwerpen ook zijn, het blijven mensen. Het is verplichte leeskost voor journalisten.

David Remnick
Reporting: Writings from The New Yorker
Vintage, 483 blz., € 14,99 
(Nederlandse vertaling: Reporter: De beste artikelen uit The New Yorker, De Bezige Bij)