De amore

Hoofs en sacraal

Erotiek is een intrigerend verschijnsel, niet alleen door de extase en de weerloosheid van het zelfverlies die ermee gepaard gaan, maar ook doordat het gekoppeld is aan taboes, aan exclusiviteit en geheimen. Als we zomaar iedereen zouden kunnen bespringen die op ons pad kwam, zou seks alleen nog maar lekker zijn. Juist spanning en verlangen maken alles wat met de fysieke aspecten van liefde te maken heeft tot iets sacraals, omdat ze ons confronteren met de ontoereikendheid van de aardse existentie. Hoe universeel dit spel van verlangen en uitgestelde vervulling ook lijkt, verbonden als het is met de onbegrepen gronden van het menselijk organisme, in de praktijk wordt de beleving ervan in hoge mate bepaald door culturele factoren.
Vermoedelijk is er in de Europese geschiedenis geen periode geweest waarin het erotisch verlangen subtieler gecultiveerd werd dan de twaalfde eeuw, toen Zuid-Franse troubadours in het Occitaans hun liefde voor adellijke dames bezongen. In ingenieus opgebouwde strofen schiepen ze een fictieve wereld van ridderschap en onvoorwaardelijke trouw aan onverbiddelijke geliefden, waarbij het uiteindelijke doel, de seksuele consummatie, wel benaderd, maar nooit bereikt werd.
Aan het einde van die eeuw schreef Andreas Capellanus in het Latijn een traktaat over de liefde (De amore), dat in later eeuwen vaak is beschouwd als theoretische onderbouwing van de hoofse liefde. De auteur was een kerkelijke functionaris, de vorm en de taal van zijn boek veronderstellen een hoogopgeleid en dus mannelijk publiek. Aangenomen wordt dat hij verkeerde in kringen van Marie de Champagne, die in Troyes resideerde; hij zou bevriend geweest kunnen zijn met de dichter Chrétien de Troyes. De amore is opgezet als leerboek voor een jonge vriend en bevat naast theoretische beschouwingen ook prikkelende dialogen, romantische verhalen, brieven en lijstjes met paradoxale geboden, zoals: ‘Getrouwd zijn is geen geldig excuus om liefde te weigeren.’
In de eerste twee boeken wordt een meerstemmig weefsel opgezet waarin de hoofse liefde zich openbaart als een fascinerend, complex fenomeen, waarbij idealiter seks achterwege blijft. Vreemd genoeg behelst het derde boek één doorlopende, satirische tirade tegen vrouwen, liefde en seksualiteit. Geleerden zijn het er niet over eens wat Andreas met dit contrast heeft beoogd. Zijn de eerste twee boeken als grap bedoeld, die in het derde boek wordt ontmaskerd? Of is het slot ironisch? In elk geval roept het werk door zijn meerduidigheid een spanning op die erotisch aanzienlijk effectiever is dan pornografie.

Andreas Capellanus, De amore