Koning, keizer, Federer

Hoog boven het moeras van zweet, ambitie en geploeter

De staat van zijn van de hedendaagse koning van het tennis Roger Federer is een staat van zen. Die kwam hem niet zomaar aanwaaien. Zijn grote bewonderaar en tennisexpert Martin Simek reconstrueert de weg van de Wimbledon-favoriet in een persoonlijk manifest.

Australian Open 2018, Melbourne, 20 januari © Clive Brunskill / Getty Images

Reclamedrukwerk kun je weren door een eenvoudige sticker boven de gleuf van je brievenbus te plakken. Jehovah’s getuigen bellen aan. Deur open-deur dicht, nee dank u, is doorgaans mijn reactie. En toch heb ik in die vijftig jaar die ik in het Westen leef eens enkele Jehovah’s getuigen mijn huis binnengelaten. Hoe voorspelbaar hun boodschap ook, ze moesten hem kwijt, ze meenden het, ze waren er vol van, dat zag ik in een oogopslag en ik had het hart niet de deur dicht te gooien, al stond er een pannetje melk op het vuur. Ik weet nog hoe ik ze binnenliet, we dronken koffie, dat wil zeggen, ik dronk, zij lieten de hunne koud worden, hun hart liep over, ze bleven maar aan het woord.

Vandaag voel ik me ook zo’n indringer die bij u aanklopt om van mijn liefde voor iemand te getuigen die wat mij betreft ook uw leven kan verrijken. Als u zich voor hem openstelt, natuurlijk. Hij is een levende god, zijn koninkrijk is tennis. Hebt u niets met tennis, met geen enkele sport zelfs? Geeft niet, blijf luisteren, zo iemand heb ik goed gekend, de oud-hoofdredacteur van uw weekblad De Groene Amsterdammer, Martin van Amerongen. Toen ik één keer over tennis begon, waarschuwde hij me nog, ‘en fietsen doe ik ook al niet’. Maar hij bleef wel luisteren, uiteindelijk werden we vrienden en zagen elkaar regelmatig bij café Oosterling. Ik sprak over McEnroe en hij over Mozart. Ik memoreerde Pancho Gonzales en hij Gustav Mahler. En we waren het ziels met elkaar eens. Want het hoogste lijkt op elkaar. Alles is muziek, alles is beweging. Alles is stilte waar storm op volgt en andersom natuurlijk.

Tennis wordt gespeeld op een veld dat je tot late leeftijd kunt belopen. De Zweedse koning Gustaaf V (1858-1950) speelde nog tennis op zijn 91ste, al was het niet competitief. Maar dat gaf niks. Je bent geen koning om je met anderen te meten. Koningschap is erfelijk, dat weet iedereen. Daarin verschilt tennis van het leven, al zijn er ook vele overeenkomsten.

Onze huidige tenniskoning Roger Federer speelt op dit moment in Londen, op Wimbledon, één van de vier belangrijkste tennistoernooien, de zogenaamde Grand Slam-toernooien, om te kijken of de kroonprinsen al klaar zijn voor de opvolging. Ze staan te trappelen, Zverev, Thiem, Coric en hoe al die jonge honden ook heten. Maar trappelen is niet genoeg. Federer domineert het wereldtennis al vijftien jaar, heeft twintig Grand Slam-toernooien gewonnen en op Wimbledon, waar hij het al acht keer deed, is hij dit jaar al weer de favoriet en zeker niet alleen op papier.

Op papier is hij oud, 36 jaar en 331 dagen op het moment waarop het toernooi begon. Maar op de baan is hij een wervelwind. En bedenk dat tennisjaren weliswaar geen hondenjaren zijn, maar zeker meer dan dubbel tellen. Dan beseft u meteen dat het elixer van zijn leven – harmonie en ontspanning – ook wellicht het elixer van ons leven zou kunnen zijn. Die sleutel zijn de meesten van ons kwijt. Harmonieus en ontspannen zijn we op de wereld gekomen, na de drijf- en zwemlessen in moeders buik. Maar we verliezen die gave al snel door het heilig moeten, want zonder kan het niet. Zelfs Boeddha en Jezus eisen inspanning, van de ene moet je mediteren en van de andere bidden. Om iets te lezen dat van andere, oudere inzichten getuigt, moeten we helemaal teruggaan tot de vierde, derde eeuw voor Christus en de levenslessen van Chuang Tzu met zijn ‘vele dingen kunnen bereikt worden door inspanning, maar vele, vele andere worden gerealiseerd door het ontbreken van inspanning’.

Ik hoef niet eens verder te lezen om het op basis van mijn zestigjarige ervaring met tennis te beamen. Wil naast het opgeven van wil. Hoe meer je je best doet, des te verder raak je van jezelf af. Pas als je je overgeeft aan de zwaartekracht en flow kom je bij jezelf uit. ‘Alleen dat wat op geen enkele manier onnatuurlijk is kan voor altijd bij je blijven’, zegt Chuang Tzu.

Het fascinerende aan tennis op z’n best, aan Federer dus, is het voortdurende harmonische overgaan van inspanning naar ontspanning naar inspanning naar enzovoort. Als hij naar de bal gaat, laat hij zijn gewicht in die richting vallen, vangt de val met zijn beenspieren op, spant ze aan voor een katachtige stap, en nog een en nog een, brengt daarbij zijn slagarm met het racket omhoog, om hem onmiddellijk te laten vallen en pas op het moment dat hij contact met de naderende bal heeft er weer kracht aan toe te voegen om hem meteen wéér te laten varen zodat hij zijn lichaam de kans geeft opnieuw in stelling te worden gebracht.

Tennisbewegingen worden razendsnel geboren en sterven net zo snel. Het is een ballet voor twee waarvan de choreografie spontaan ter plekke ontstaat. Het gaat om kracht, maar vooral om gevoel. Noem het geen sport, het is meer, zoals vrijen ook geen gymnastieken is. De bal fungeert als boodschapper tussen de spelers, die hem beurtelings in een split second hun eigen wil proberen op te leggen. Ze mogen de bal niet aannemen, zoals voetballers, handballers, basketballers of volleyballers, die hem in drie keer over het net mogen spelen. Een tennisser moet het allemaal in één keer doen: de bal aannemen en hem wegsturen tegelijk. Een machobenadering schiet daarbij te kort. Federer is de meest vrouwelijke tennisser onder de professionals, de vrouwen inbegrepen. Hij is de baarmoeder en de bevalling. Hij heeft techniek. En techniek is een ander woord voor liefde.

Liefde in een hoog tempo blijven bedrijven onder de tijdsdruk en stress die belangrijke punten met zich meebrengen is de kunst die alleen Federer verstaat. Het moderne leven is snel en stressvol en liefde schiet daar ook vaak bij in. Tennissers hebben het geluk om twee keer te leven. Ze mogen oefenen voor later, als ze als tennisser gestorven zijn.

Hoor ik daar iemand vragen ‘techniek is liefde, hoe bedoelt hij dat?’ U hebt gelijk: we denken vaak dat techniek iets is dat je aanleert. Eerder de standjes van de Kamasutra dan liefde. Techniek zou dan iets concreets zijn en liefde iets vaags en hoogdravends. Ik zie het anders. Ga op Schiphol in de aankomsthal staan. Je ziet mensen elkaar omarmen. Film het en draai de beelden thuis af. Sommige omarmingen zijn formeel. Andere gespeeld liefdevol. En nog weer andere zijn pure liefde. En die gaan dan ook altijd goed, al komen ze aanrennen. Dat doet liefde.

Wat is dat: van tennis houden? Anderen willen verslaan? Wimbledon willen winnen? Nee, dat wil iedereen wel. Dat is willen in termen van hebben: bekers, titels, geld. Dat zijn bijproducten, waar liefde voor tennis in een enkel geval toe kan leiden.

Wie van tennis houdt, houdt van het balletje, wil er alles mee kunnen. Het gevoel stroomt van de arm naar het racket. Het begint met eindeloos tegen de muur spelen. Federer speelde op zijn derde al tegen de keukenkastjes in zijn ouderlijk huis in het Zwitserse Münchenstein. ‘Mijn moeder werd er gek van. De hele dag boem-boem-boem en maar scherven opruimen.’ Als het niet regende, stuurde ze Roger naar buiten. Daar ging hij door tegen de garagedeur, net zoals Borg, net zoals ik. Je hoeft niet hun aanleg te hebben om van tennis te houden. Discipline hoeft ook niet, die is bij liefde vanzelfsprekend. Het voelt ook niet als discipline, je wilt gewoon niets anders. Liefde is de hoogste vorm van onopgelegde zelfdiscipline.

Videograaf en tennisanalist John Yandell heeft vastgesteld dat Federer liefst 27 verschillende forehands heeft, wat vele malen meer is dan welke andere speler ook. Wat mij betreft heeft Federer helemaal geen forehand, hij ís forehand, backhand, service, smash, volley, stopbal en stopvolley. Iedere keer spontaan en dus iedere keer anders. Met telkens de grip die bij de situatie past. Altijd bewust van de stand van het blad van zijn racket heeft hij maar één doel: één worden met de bal, net zoals een geliefde verlangt één te zijn met de ander. Federer is wat hij doet en wat hij doet, is hij. Speels, liefdevol, altijd zoekend naar oplossingen, ieder moment weer zichzelf uitvindend. Daar is hij op zijn derde mee begonnen en hij is er nog altijd mee bezig.

Ieder weekend brachten zijn ouders door op het tennispark van de farmaceutische firma Ciba, waarbij ze beiden werkten. Roger eiste met ze mee te mogen spelen, maar keek altijd de andere kant op als ze hem aanwijzingen gaven. Hij wilde liever zelf experimenteren. Op zijn vierde ging de bal al dertig keer over het net. Zijn forehand leek op die van vandaag. Pas op zijn achtste kreeg hij les op een echte tennisclub, TC Old Boys in Basel, eerst groepsles en niet lang daarna privé-les van de Tsjech Adolf Kacovsky, een vluchteling uit het jaar van de Praagse Lente 1968, net zoals ik.

Ik heb hem nog gekend in Praag. Als patriot zou ik graag willen beweren dat Kacovsky Federer van alles heeft bijgebracht, maar dan zou ik mijn landgenoot tegenspreken, want hij vertelt desgevraagd altijd dat Roger alles al kon. Overdreven natuurlijk, maar ik geloof dat ik weet wat Kacovsky bedoelt. Als je speler met al zijn aandacht op zoek is naar zijn eigen slag zonder daarbij te verkrampen, moet je wachten, je mond houden, hem tijd geven en vertrouwen. Zo iemand leert vanzelf, steunen is genoeg, vooral niet de wijsneus uithangen, geen credits voor jezelf opeisen. Hij heeft aan een vroedvrouw genoeg.

Federer heeft helemaal geen forehand, hij ís forehand, backhand, service, smash, volley, stopbal en stopvolley

Steun had Roger wel nodig, want hij was voortdurend in gevecht met zichzelf, verdroeg zijn fouten niet, schreeuwde, huilde en schold, kon zelfs een hele wedstrijd weggeven vanwege een mislukte slag. Het leek of tennis hem meer frustratie dan plezier bracht.

‘Laat me alleen!’ schreeuwde hij tegen zijn ouders, die met schaamrood op de kaken zijn misdragingen volgden vanaf het terras van de TC Old Boys. ‘Ga weg! Gaan jullie maar wat drinken.’ Hij kreeg op het tennispark de bijnaam ‘de kleine satan’.

Maar zelfs na een lange, zware training vol frustraties rende hij naar de muur en ging door en door met oefenen terwijl hij schreeuwde: ‘Ik word de beste!’

Op zijn twaalfde droeg Kacovsky Roger over aan Peter Carter, een Australische atp-speler.

Carter was in Zwitserland blijven hangen na een toernooi en door TC Old Boys ingehuurd om voor de club uit te komen in de landelijke competitie. En Kacovsky vond de Australiër bij Roger passen. Hij was kalm, gereserveerd, een uitstekende psycholoog. Bovenal speelde Carter evenals Kacovsky en Federer klassiek tennis en ook nog aanvallend, want Australiërs werden in de tijd van de grote Australische tennisschool opgeleid op het snelle gras. De volley was de eerste slag die ze leerden. Wij Europeanen beginnen nog altijd op de baseline van het langzame gravel. Peter Carter paste inderdaad bij Roger, qua tennis en ook qua karakter.

Kalm als de Australiër was, zag hij in de woede, de tranen van de kleine Federer vooral het bewijs dat hij om tennis gaf. Preken van zijn ouders leidden tot niets. Het heeft weinig zin om tegen iemand die ieder vrij moment tegen de muur speelt te blijven herhalen dat de wereld niet vergaat als hij een bal verkeerd slaat. In de auto van de familie Federer terug van de tennisbaan naar huis heerste of doodse stilte of er was slaande ruzie. Eens, midden in het gekrakeel, trapte vader Robert op de rem, haalde de schreeuwende Roger uit de auto en stopte zijn hoofd in de sneeuw om af te koelen.

Ook op het internaat van de Zwitserse tennisfederatie waartoe hij het inmiddels had geschopt kreeg Roger op zijn donder als hij het racket uit frustratie door het nieuwe stuk zeil achter de baan smeet. Een week lang om zeven uur ’s ochtends de toiletten schoonmaken, dat was de straf die ervoor stond.

Alhoewel op zijn gedrag van alles aan te merken viel, bleef zijn tennis ingewijden verwonderen. Davis Cup-winnaar en de latere captain van de Italiaanse Davis-ploeg Paolo Bertolucci verzuchtte in Florence, waar we hem in 1998 allebei voor het eerst zagen spelen tijdens een juniorentoernooi: ‘Wat een onwaarschijnlijke lichtheid, ontspanning en harmonie’, al eindigden zijn ballen nog vaak in het net of zelfs in het hek. Het merendeel van het publiek dacht er anders over dan Bertolucci: ‘Hij speelt mooi, maar maakt te veel fouten. Dat wordt nooit wat.’

Mensen gaan nu eenmaal te veel en vooral te vroeg op resultaten af. Ouders, trainers en helaas dus ook de spelers zelf. Dat remt hun ontwikkeling. Resultaten doen er pas werkelijk toe als je technisch klaar bent. Als een jonge bokser te vroeg de ring in wordt gestuurd, wordt hij tot moes geslagen. Jonge tennissers gaan om dezelfde reden mentaal kapot.

Roger Federer zelf bleef gelukkig in de eerste plaats met zijn spel bezig. Claudio Mezzadri, de toenmalige Zwitserse Davis Cup-captain, geloofde in de wispelturige Federer. Hij stelde hem juist op tegen het Italië van Bertolucci. Federer won zonder setverlies beide enkelspelpartijen en Bertolucci kreeg de Italiaanse sportpers over zich heen: ‘De Zwitsers geven hun jongeren de kans – waarom doet ú geen beroep op jonge spelers?’ ‘Als wij Federer hadden rondlopen, had ik hem al op zijn zestiende opgesteld’, aldus Bertolucci.

Mezzadri was apetrots: ‘Zagen jullie hoe Roger van start ging met die serie hondsmoeilijke backhands langs de lijn? Ik siste hem vanaf mijn bankje toe: “Maak het je toch niet zo moeilijk, speel cross, je geeft punten weg.” Hij keek me aan van: moeilijk? Helemaal niet moeilijk. En hij ging er doodleuk mee door, won er de tiebreak mee en vervolgens de hele wedstrijd.’

Federer was van kinds af aan ongewoon streng voor zichzelf, maar had ook een rotsvast geloof in eigen kunnen. Ondanks zijn verlegenheid, die meteen verdween als hij razend op zichzelf werd, wist hij precies wat hij wilde als het ging om beslissingen die met zijn tennis te maken hadden. Op zijn veertiende koos hij voor een tennisinternaat van de bond, hoewel hij iedere zondagmiddag huilde wanneer hij terug moest. Op zijn zestiende stopte hij met school, tegen de wens van zijn ouders, die in die tijd nog de enige sponsors van zijn roeping waren. Wel liet hij zich de belofte opleggen zijn studie weer op te pakken mocht het met tennis niet lukken.

Juli 1998. Federer wint het Wimbledon-juniorentoernooi © Bob Thomas / Getty Images

Op zijn negentiende, in 2000, aarzelt hij geen moment als zijn Alles, vriend en trainer Peter Carter hem vertelt niet meer zo veel te kunnen reizen vanwege een ernstige ziekte van zijn vriendin. Federer neemt een ander: de Zweed Peter Lundgren, ex-nummer 25 van de wereld. Carter is teleurgesteld en had het niet verwacht. Federer dwingt, om het goed te maken, twee jaar later een functie bij het Zwitserse Davis Cup-team voor hem af.

Hoewel hij nog op de zak van zijn ouders leeft, die hard moeten werken om zijn beginnende profcarrière te bekostigen, bouwt hij door aan zijn team door een conditietrainer aan te nemen. Pierre Paganini, waar hij nog altijd mee werkt.

Nu alles om hem heen professioneel is, wil hij het ook zijn in zijn gedrag. Maar hoe hard hij ook probeert zichzelf in toom te houden, het werkt niet. Als hij zich inhoudt wordt hij een slappe dweil.

De toernooidirecteur in Dubai wil hem zelfs geen prijzengeld uitbetalen, omdat Roger volgens hem geen inzet op de baan heeft getoond. En dat slechts zes maanden voor zijn overwinning op Pete Sampras op het centrecourt van Wimbledon. Sampras is op dat moment titelhouder en zevenvoudig Wimbledon-kampioen. Zo’n wedstrijd, een vijfsetter, win je niet als je geen heilig vuur in je hebt. Alleen Federer weet het nog niet altijd aan te steken en brandend te houden. Hij brandt daarbij nog te vaak zijn vingers.

Federer is een witte raaf, een Vermeer onder de Karel Appels die maar wat aan rotzooien

Hij is vol stress. Coach Lundgren zet hem regelmatig na een mislukte training naast zich in de auto, gooit de heavy metal op vol volume, trapt op het gaspedaal en vraagt Roger om alle frustratie eruit te schreeuwen. ’s Avonds bonkt hij met zijn hoofd op het kussen om in slaap te vallen.

Hij weet dat hij moet veranderen, maar hoe? Emoties onderdrukken helpt niet, dat heeft hij al geprobeerd. Maar waar komt die onrust verdomme vandaan? Het kan toch niet alleen overmatige drang naar perfectie zijn? Langzamerhand legt hij er met Lundgren de vinger op.

Nu heeft hij het podium bereikt, maar bakt er niets van, vindt hij zelf. En dat komt door de verhalen van Peter Carter over de Australische tennisschool van de jaren zestig. Uiteraard vindt hij zichzelf een prutser in vergelijking met Rod Laver, Ken Rosewall, Roy Emerson, Fred Stolle, Tony Roche. Daar hebben de anderen geen last van, want die kennen ze niet eens. De legendarische Australiërs speelden allemaal – voor wie het niet weet – zoals Federer nu, of misschien zelfs beter. Maar in die tijd was het niet zo moeilijk, gek genoeg. Het kon niet anders, in het stenen tijdperk van de houten rackets. Die waren zo zwaar dat ze je dwongen tot de juiste bewegingen. Of je gaf het gewoon op, omdat je niet genoeg talent had.

Je móest het gewicht van het racket wel respecteren en gebruiken, anders was je nergens.

De rackets waarmee gespeeld wordt vanaf de generatie voor Federer begon, zijn daarmee vergeleken vliegenmeppers. Omdat ze gewichtloos zijn, kun je straffeloos de bewegingen verkrachten en daar maken de huidige spelers dankbaar gebruik van. Ze verwaarlozen de touch waar je jarenlang aan moet slijpen ten koste van kracht die je relatief snel kunt verwerven, ook dankzij de hulp van de apotheek. Djokovic bijvoorbeeld ligt met zekere regelmaat vlak voor een belangrijke wedstrijd in een ei met zuurstof. In Amerika mag het, in Europa niet.

Federer heeft zoveel gevoel dat, al geef je hem een potlood in de hand, hij zich nog door het gewicht kan laten leiden. Met de lichte rackets van vandaag kan hij het dus ook en dat leidt tot moderne retro. Klassiek modern, zou je ook kunnen zeggen. Hij is een witte raaf, een Vermeer onder de Karel Appels die maar wat aan rotzooien.

Hij eet rond het kampvuur met bestek. En omdat hij het met vederlicht vliegtuigmateriaal doet, is zijn klassieke tennis veel flitsender en sneller dan dat uit het houten tijdperk en kan hij de kracht van anderen pareren met geraffineerd netspel en enkelhandige backhands. Hij doet het zonder gebalde vuisten en verwrongen gezichten.

Hij kon al zo veel, Roger Federer, ook nog gentleman zijn, zoals de Australiërs dat waren, maar hij voelde nog altijd de druk van het publiek, dat zich afvraagt of hij een dwaze romanticus is of een tennisser van deze tijd. Want tennis is toch veranderd?

Uiteindelijk schiet onverwacht zijn vriend en eerste echte coach Peter Carter nog één keer te hulp. Een week voor Federers 21ste verjaardag verongelukt Carter op zijn uitgestelde huwelijksreis in Zuid-Afrika, het land van Rogers moeder, het land waar zijn ouders elkaar hebben leren kennen. Roger had Carter de safari nog speciaal aangeraden voordat zijn bruid bestraald zou worden. De begrafenis van zijn coach is de eerste begrafenis die hij meemaakt en hij is verdoofd van verdriet, niet tot bedaren te brengen. Hij huilt en huilt en huilt. Nu zult u misschien opmerken: maar hij huilde in die tijd toch altijd? Nee, dit is anders, dit is ook huilen van dankbaarheid. Carter heeft hem door zijn manier van spelen, door zijn manier van zijn, met zijn voorbeeld en verhalen over een van de grootste momenten in de tennishistorie in contact met zijn diepste wezen gebracht. Federer beseft het in één keer door Carters dood.

Vanaf dat moment speelt Federer alleen nog maar voor zichzelf, met Carter als enige toeschouwer. Van het publiek trekt hij zich niets meer aan. De welopgevoede zoon van de Zwitserse bourgeoisie glimlacht en deelt handtekeningen uit, maar er is maar één wezenlijke toeschouwer overgebleven: Carter. Met aan zijn zijde Rod Laver en het hele dodenrijk van de Australische tennisschool. Het kan geen toeval zijn dat Federer in een interview plotseling vanuit het niets verklaart: ‘Ik heb Australië in mijn dna.’ De rest zijn statistieken.

Nog geen jaar later, in 2003, wordt Roger Federer tot koning gekroond op het koninklijke grastapijt van Wimbledon. ‘Als Peter hier was geweest hadden we feest gevierd. Ik hoop dat hij de wedstrijd gezien heeft’, zegt een zeer geëmotioneerde Federer in zijn championstoespraak. Carters ouders zijn sindsdien altijd Federers gasten bij de Australian Open. ‘Roger betaalt onze vliegtickets, hotel, auto, alles’, vertelt Peters vader. Ze zitten in Federers box tijdens de wedstrijd.

Zo vanzelfsprekend als Federers tennis inmiddels al jaren lijkt, zo simpel en moeiteloos als hij over de baan beweegt, des te groter het mysterie waar zijn emoties, woede en frustraties zijn gebleven. Wanneer Andy Roddick vijf minuten voor de Wimbledon-finale 2004 de kleedkamer binnenkomt, treft hij Federer aan of hij zich opmaakt voor een trainingspartijtje. En dezelfde rust, hetzelfde gemak straalt hij even later op het centrecourt uit. Hij lijkt geen polsslag te hebben. De meest koelbloedige tennisser sinds de ijsberg Borg is opgestaan.

‘Hij heeft geleerd zijn emoties te beheersen’, zeggen de mensen. Altijd dat blinde geloof in leren en discipline. Het is nog simpeler dan zijn slagen. Het is ongrijpbaarder dan discipline. Het is nog stiller dan de voeten die haast geluidloos over de baan dansen. Het is zen. Terwijl iedere tennisser twee wedstrijden speelt, één tegen zichzelf en de andere tegen zijn tegenstander, heeft Federer de eerste blijvend gewonnen. Al zijn emoties heeft hij getransformeerd in creatieve energie. Hij is een kunstenaar die tijdens zijn leven miljardair is geworden omdat hij niet met de materie bezig is. Dansend tekent hij onweerstaanbare lijnen in de lucht. Hij is een architect van luchtkastelen – die bestaan.

Hij is een vuurvliegje boven het moeras van zweet, wilskracht, ambitie en geploeter.

Hij zal hopelijk over de volgende generaties tennissers waken zoals Rod Laver, zijn hoogste voorbeeld, dat over hem doet.

Rod Laver (79), de enige ooit die in één jaar alle vier de Grand Slam-toernooien heeft gewonnen en dat ook nog twee maal, zei al in 2004, toen Federer nog ‘slechts’ vier Grand Slam-titels op zijn naam had staan: ‘Het zou een eer voor me zijn om met Roger Federer te worden vergeleken.’ Federer gaf toe dat toen hij die woorden las hij niet anders kon dan blijven glimlachen, zo verpletterd was hij.

Federer verwerkt de enkele partij die hij per jaar verliest in een paar seconden. Hij gebruikt zo’n verlies om zich te verbeteren, het tennis verder te brengen. Hij blijft ontdekken. Met zijn halfvolley jaagt hij tegenwoordig zijn tegenstanders op terwijl hij op de baseline geplakt blijft en veel minder meters aflegt dan zijn tegenstanders, die ver achter de baseline achter zijn ballen aan moeten rennen.

Ik heb maar een fractie kwijt gekund over een man die resultaten behaalt omdat hij er niet mee bezig is. Slechts indirect, zoals een boogschutter zijn doel raakt terwijl al zijn aandacht is bij de boog die hij gespannen houdt en de twee vingers die de pijl zo direct gaan loslaten.