Hoog in de bol

In zijn column ‘Ontwrichten’ (De Groene Amsterdammer van 2 juni jongstleden) geeft Sylvain Ephimenco onverbloemd antwoord op een vraag waarmee ik mijn artikel ‘Bommen voor vrede’ (De Groene Amsterdammer van 25 mei jongstleden) eindigde.

De vraag luidde: ‘Is het moreel verantwoord om het leven van tien miljoen Serviërs te ontwrichten teneinde een miljoen Albanezen te laten terugkeren naar hun verwoeste huizen?’ De achtergrond van die vraag is tweeledig. De bombardementen hebben de moordenaars en zuiveraars niets in de weg gelegd, maar veroorzaken juist een ongekende vecht- en wraaklust in Servië. Bovendien zijn ze officieel niet tegen burgers gericht, terwijl wél strategische burgerdoelen (elektriciteitscentrales, mijnen, watervoorraden, wegen) tot de doelwitten behoren. Misschien had ik de vraag anders moeten stellen: als het humanitaire ingrijpen van de Navo er werkelijk op is gericht mensenlevens te redden, zijn bombardementen daartoe dan een geëigend middel? Maar dan is het antwoord simpelweg 'nee’ en verdwijnt de diepgaande morele implicatie. Dus ik blijf bij mijn eerste vraag. Dat is er een waarmee ik worstel. Ik kan hem niet beantwoorden met een simpel ja of nee. Sylvain Ephimenco wel. Hij stelt onomwonden dat alle Serviërs schuldig zijn aan het platbranden van Kosovo. En dus moeten ze 'met vuur en zwaard’ bestreden worden. Ephimenco demoniseert een heel volk, niet gehinderd door enige menslievendheid. Serviërs die met target-affiches op de borst zich verzamelen op bruggen 'spelen’ volgens hem de 'vermoorde onschuld’. Hij schreef het vlak nadat een Navo-aanval op een brug in Zuid-Servië elf doden eiste. Hij doet maar, De Groene Amsterdammer is nu eenmaal een vrijplaats voor meningen. Maar dat hij feiten verdraait en zaken over het hoofd ziet, vraagt om een reactie. Omdat ik schreef dat de geallieerde bombardementen op Duitse steden het einde van de Tweede Wereldoorlog niet dichterbij brachten, meent Ephimenco dat ik 'dol ben op hinkende vergelijkingen met nazi-Duitsland’. Voor het gemak past hij mijn vraagstelling aan: 'Is het moreel aanvaardbaar om het leven van tientallen miljoenen Duitsers te ontwrichten teneinde een handvol overlevenden van de vernietigingskampen te laten terugkeren richting hun verwoeste bestaan en geroofd bezit?’ Ik stel vast dat deze vergelijking van de wreedheden in Kosovo met de holocaust niet van mij afkomstig is, maar van Ephimenco. Ook de opmerking dat ik pas op 12 mei jongstleden voor het eerst blijk gaf van aandacht voor Servische wreedheden is uit de lucht gegrepen. Tussen 27 mei en 12 augustus vorig jaar schreef ik twaalf artikelen en reportages uit het gebied, alle tegen de achtergrond van de toen al in gang gezette etnische zuiveringen. Eerder nog schreef Katarina Rejger twee reportages over Kosovo. Ephimenco’s slordige column diende om 'korte metten te maken met dat cynische, larmoyante pro-Servische proza in De Groene’. Ik vrees dat hij het nogal hoog in de bol heeft.