De universiteit van de toekomst

Hoog inzetten in Middelburg

In september heeft Middelburg zijn Roosevelt Academy. Als bacheloropleiding volgens Anglo-Amerikaans model is het campusinstituut net iets anders dan een gewone universiteit. Elitair? In ieder geval niet bedoeld om even een titel uit de muur te trekken.

Wie in Middelburg zijn ogen tot spleetjes knijpt, ziet het: Middelburg is een studentenstad. Er is een historisch plein met terrasjes, een uitstekende bibliotheek om met tentamenstof te worstelen en een kanaal om op te roeien. Wat nog ontbreekt zijn fietskrotten, studenten en een universiteit. Maar in september krijgt Middelburg eindelijk waar het sinds 1575 om vraagt, al zou toen niemand het «Roosevelt Academy» hebben genoemd.

Roosevelt Academy is fundamenteel anders dan andere universiteiten. Het wordt een kleinschalige bacheloropleiding volgens Anglo-Amerikaans model, precies zoals het in 1997 opgerichte University College in Utrecht. Dat University College was een eerste antwoord op het aanzwellende gemopper aan reguliere universiteiten: omdat hoger onderwijs breed toegankelijk moet zijn, worden universiteiten meer en meer bevolkt door een ongeïnteresseerde kudde. Overheidsgeld is direct gerelateerd aan aantallen studenten, en zo kan het gebeuren dat het niveau zich meer aan studenten aanpast dan andersom.

Veel professoren hebben tabak van studenten die een titel uit de muur komen trekken. Ook studenten willen anders. Dat wil zeggen de studenten die wél branden van nieuwsgierigheid en academische ambitie, die na een zware collegedag nog best een avond lang met rechte rug werkstukken in het Spaans of Frans kunnen tikken. En alleen díe studenten mogen naar University College of Roosevelt Academy. Beide instituten zijn formeel onderdeel van de Universiteit Utrecht en kunnen door die constructie doen waar universiteiten van gruwen én dromen: selecteren aan de poort. Na die selectie blijven ze zeer hoge eisen stellen aan de inzet en discipline van studenten. Wie er afzwaait zou een brede, zeer gedegen bachelor op zak hebben die internationaal deuren opent.

Roosevelt Academy is in opzet hetzelfde als het University College. Maar omdat het wordt opgericht in een stad zonder academische traditie, is het ook de vervolmaking van een idee. Want volgens de oprichter van beide instituten, Hans Adriaansens, is dát de toekomst van het hoger onderwijs in Nederland: een deconcentratie van undergraduate-opleidingen. Het alleenrecht dat traditionele universiteitssteden op universitaire bachelors hebben, gaat hij in Middelburg doorbreken.

Studenten zijn er al. Bart Hesseling (18) probeerde eerst een rechtenstudie aan de Universiteit Utrecht, maar het massale en onpersoonlijke onderwijs was niets voor hem. Na drie maanden stopte hij en schreef zich in voor Roosevelt Academy. Hem trekt vooral het onbekende van een onontgonnen studentenstad. «Wie een gespreid bedje wil, moet niet hier komen studeren», vindt hij. Ook het brede programma spreekt hem aan: «Ik wil nog helemaal niet weten wat ik later ga doen. Mijn probleem is dat ik alles leuk vind, echt alles.»

Charlotte Blommestijn (18) wilde eerst internationale betrekkingen gaan studeren in Utrecht, maar omdat al haar vriendinnetjes daar ook al naartoe gingen, zocht ze iets spannenders, liefst met een internationaal tintje. Af en toe twijfelt ze nog: «Je studententijd schijnt een bijzondere tijd te zijn. Als ik zeg dat ik in Middelburg ga studeren, zeggen mensen: in dat gát?»

Bart en Charlotte zijn deel van een gene ratio spontanea van Middelburgs studenten leven, en dat zullen ze weten. Ze hebben al met een foto in de Zeeuwse Courant gestaan en ze komen net terug van een interview op de Zeeuwse radio. «De bevolking hier is soms verbaasd dat we heel gewoon zijn, geen nerds», vertellen ze. Het is volgens hen een misverstand dat Roosevelt Academy uitsluitend bedoeld is voor hoogbegaafde wonderkinderen. Bart was naar eigen zeggen «zeker geen hoogvlieger» op de middelbare school, en Charlotte slaagde met twee vijven. Waar het op aankomt is een brede interesse, wetenschappelijk zowel als sociaal, en boven alles: gedrevenheid.

Dat laatste kan Bart en Charlotte niet worden ontzegd. Nog voor ze één college hebben gevolgd zitten ze al in het bestuur van Middelburgs eerste studentenvereniging, die ze zelf hebben opgericht. Ze maken graag een middag vrij om een rondleiding te geven door de Middelburgse «binnenstadscampus».

Het hoofdgebouw aan de markt is daarvan het boegbeeld: voor de brochure en de web site van Roosevelt Academy is het gotische gebouw van alle mogelijke kanten gefotografeerd. Dat het tot voor kort altijd een stadhuis is geweest, doet er niet toe. Het schitterende glas-in-lood, de Brusselse wandtapijten en de zwart-witte tegels zijn zó geschikt om het Neder-Oxbridge-effect te bewerkstelligen dat een beetje invention of tradition geoorloofd is. Bart, nuchter: «Dat stadhuis hebben we ook een beetje om de gevel, hoor, het is niet zo dat we hier elke dag college krijgen. Er blijven huwelijken plaatsvinden.»

Ook de andere universiteitsgebouwen mogen er zijn, al staan ze nog gedeeltelijk in de steigers. Huizen in het oude centrum worden van binnen verbouwd tot studentenwoningen. Bart laat zien hoe ruim sommige kamers worden. Met een paar flinke stappen meet hij alvast de ruimte voor zijn bureau. Charlotte lijkt het — verplichte — op campus wonen ideaal. «De huur is lager dan in andere steden. Alles wordt schoongehouden door een professional cleaning service.» Op de keukentafel staan al lege bierflesjes: «Die zijn van de bouwvakkers, hoor.» Even verder in Middelburg laat Bart de schitterende zeventiende-eeuwse Kloveniersdoelen zien: «Misschien komt in dat gebouw onze soos. Hoewel hier natuurlijk niet het type student komt dat vanuit bed direct naar de soos gaat.»

Het kantoor van Roosevelt Academy zit voorlopig boven een boekhandel aan de Markt. Dean Hans Adriaansens voert zijn gesprekken in een weinig inspirerend vergaderzaaltje. Roosevelt Academy wordt vrijwel een kloon van University College. Een verschil is dat de campus is geïntegreerd in de stad: de studenten wonen wel dicht op elkaar, maar niet afgesloten van de stad, zoals in Utrecht. Adriaansens: «Ik vond het geen probleem, maar sommige studenten ervaren het als een gesloten inrichting.» Anderzijds wordt Roosevelt Academy juist een sterkere eenheid, omdat het personeel niet gedeeld hoeft te worden met andere universiteiten. Van alle docenten wordt verwacht dat ze in Zeeland komen wonen, zodat ze zich persoonlijk betrokken voelen bij het instituut en de studenten. Docenten worden bovendien tutor: persoonlijk begeleider van een aantal studenten.

Wat onveranderd blijft is het curriculum: zeer uiteenlopende wetenschappelijke vakken op hoog niveau. Adriaansens: «Hoe moet een zeventienjarige weten wat hij wordt? Laat hem eerst eens met verschillende dingen kennismaken. Bovendien sluit de keuze voor het één het ander niet uit. Op Univer sity College hadden we een jongen die conservatorium cello deed, en later op het Massachusetts Institute of Technology terecht is gekomen. Door de breedte te bieden leer je iemand op verschillende manieren naar onderwerpen kijken.»

De inschrijving is niet overweldigend, maar Adriaansens verwacht het doel voor 2004, 150 eerstejaars, te benaderen. Over de selectie van studenten doet hij niet te krampachtig: «Studenten selecteren zichzelf. Als iemand een motivatiebrief schrijft, zorgt voor een aanbeveling van zijn school, en helemaal hierheen komt voor een gesprek, mag je ervan uitgaan dat hij geschikt is.»

De oprichting van University College kreeg destijds niet louter enthousiaste reacties. Selectie aan de poort klonk nog onethisch en het nut van een elitaire annex van de Universiteit Utrecht stond niet op voorhand vast. Roosevelt Academy ondervindt opvallend minder tegenstand. Volgens Adriaansens bewijst het succes zijn gelijk: «Iedereen kan zien dat die studenten goed terechtkomen. Docenten vinden het fantastisch om met gemotiveerde studenten te werken. Voor het docentencorps van Roosevelt Academy kreeg ik zeshonderd sollicitaties.» Gaat hij door Nederland een spoor van topopleidingen trekken? «Er is een grens aan dit soort dingen. Eerst maar eens even hier.»

Toch valt er wel wat af te dingen op Adriaansens methode. Moleculair bioloog Ronald Plasterk doceert onder meer aan University College. In zijn columns in de Volkskrant hekelt hij de brede, «gezellige» opzet van het curriculum, waarin de taaie eerstejaarskost ontbreekt die nodig is om later aansluiting te vinden bij een specialistische master. Hij schrijft: «De studenten van University College weten minder, werken gemiddeld minder hard en zijn over het algemeen minder geïnteresseerd dan studenten van elders. (…) Als je in een echt vak iets wilt leren, moet je naar een echte universiteit.» Desgevraagd nuanceert de hoogleraar Plasterk de columnist Plasterk. Het gebrek aan basiskennis is namelijk met name voor de bètavakken een probleem; andere gebieden zouden wél gebaat zijn bij breedte.

Maar volgens Plasterk zijn er al genoeg vrijetijdswetenschappers en communicatiedeskundigen. In de bètavakken valt weinig te selecteren, die poort staat wagenwijd open. Plasterk: «Op UC krijgen studenten aangepraat dat ze zulke interessante, breed geschoolde figuren zijn. Dat is het tragische: we vinden het truttig en saai om gewoon in de banken te zitten en te luisteren naar wat we moeten leren. Er wordt met dédain gesproken over vakidioten, nerds. Maar wetenschap is een moeilijk vak waar je heel erg lang heel erg je best voor moet doen. Dat verhoudt zich moeilijk met leuk in de breedte.»

Het is niet moeilijk docenten te vinden die dat anders zien. Socioloog Gerrit Dielissen begrijpt het onderscheid dat Plasterk maakt, maar ziet geen probleem: «De echte vak idioot heeft inderdaad weinig baat bij UC, maar draagt ook weinig bij aan wetenschappelijke ontwikkeling. De mensen waar Plasterk over praat zijn prima uitvoerders, maar als je op zoek bent naar vernieuwing, heb je creativiteit nodig en een academische brille, die je eerder vindt bij mensen die over de disciplinaire schuttingen durven kijken.»

Academici zijn dus verdeeld. En studenten? Wordt Roosevelt Academy het zelfgenoeg zame kliekje pretstudenten waar Plasterk voor waarschuwt, of de intellectuele hogedrukpan die Adriaansens belooft?

Peter Clausman (24) was destijds student in de allereerste lichting van University College. Behalve het hoge academische niveau is hem de bijzondere sfeer bijgebleven: «Het waren allemaal enthousiaste mensen die veel wilden leren, en die iets wilden néérzetten. We hebben een eigen bar gebouwd, sportlessen opgezet, een debatingclub. Ik had soms het gevoel dat ik op zomerkamp was.» Clausman doet nu een master sociologie aan de Universiteit van Amsterdam en ziet het verschil. «Kleinschalig onderwijs is zoveel beter. University College weet te motiveren. Er was een vak over internationaal recht waarbij we op eigen houtje de casus Kosovo moesten behandelen. Dat was eigenlijk te zwaar: als je even niet oplette lag je zo tweehonderd bladzijden achter. Maar iedereen vond het fantastisch om zijn tanden erin te zetten. Voor docenten moet het ook fijn zijn om op hoog niveau te werken.»

De opstartproblemen die er zeker waren, dragen alleen maar bij aan de weemoed waarmee hij over University College praat: «De eetzaal noemden we dining hell. We zetten wel eens ergens een vies glas neer om te kijken of er überhaupt werd schoongemaakt. Maar het doet wonderen als de campus een goede sfeer heeft. Andere studenten zijn veel tijd kwijt aan bood schappen doen, koken, van A naar B fietsen, enzovoort, maar de campus straalt rust uit: alles is gericht op studie. Je eet samen, woont samen en werkt samen. Aan het eind van het semester is iedereen lijkbleek, kapot. De band die ontstaat, is sterker dan wat ook.»

Peter Clausman denkt niet dat de methode iedereen past. «Als je zeker weet dat je advocaat wilt worden, of puur scheikundige, moet je misschien iets anders doen. Voor deze methode moet je op een bepaalde manier in het leven staan, uitgedaagd willen worden, geen genoegen nemen met normaal. Het systeem werkt omdat dat een select groepje is. Het levert mensen op die de Nederlandse economie kunnen dragen. Mensen die gaan uitblinken in het bedrijfsleven of in de overheid, maar ook in onderzoek.»

Gessica Bearzatto (23) vindt het moeilijk om het UC-gevoel aan buitenstaanders te omschrijven: «De mensen die daar zitten zijn heel open en makkelijk, maar ook ontzettend fanatiek. Iedereen heeft iets aparts, een bepaalde drive, daar gaat het om. Niemand wordt beoordeeld op zijn achtergrond.» Bearzatto was een goede leerling op school, maar wist niet wat ze wilde worden. Psychologie klonk interessant, maar op University College kwam ze er direct achter dat dat een vergissing was. Het voordeel was dat ze niet hoefde switchen: ze maakte de bachelor gewoon af en doet nu zonder problemen een master internationaal recht. Meester in de rechten kan ze niet worden, daarvoor is haar juridische basis te smal. Zelf vindt ze dat laatste geen probleem, maar het raakt wel aan een punt van kritiek. Bearzatto: «Na UC word je een beetje aan je lot overgelaten. Ze geven hoog op over de mogelijkheden die de bachelor biedt, maar in praktijk is de aansluiting bij veel masters moeilijk. Universiteiten weten niet goed wat University College is. De meerwaarde, die er is, komt daardoor niet uit de verf. UC moet betere contacten hebben met andere universiteiten, en studenten moeten samenhang aanbrengen in hun pakket. Dat is hun eigen verantwoordelijkheid, maar ook tutors hebben daar een taak. University College kan trots zijn, maar op dat punt past wat zelfkritiek.»

Suzan van Mens (21) kwam van school met een 9 gemiddeld en een hoop ongerichte ambitie. Ze had bovendien in Argentinië gewoond en met die aantoonbare international orientation was ze geknipt voor University College: «Ik hoefde niet eens op gesprek te komen.» Al in de eerste maanden merkte Van Mens dat ze het campusleven verschrikkelijk benauwend vond. Veel studenten kwamen nauwelijks van het terrein af. Toch denkt ze dat die «streberige» sfeer een belangrijke factor is: «Ze krijgen het voor elkaar dat je je gaat inzetten, dingen zelf gaat uitpluizen. De intellectuele uitdaging is echt groot, en het niveau is academischer dan wat ik van andere studies weet. Ik heb daar meer geleerd dan ergens anders. In die zin is UC een goed alternatief, maar voor mij was het niks.» De bezwaren van Plasterk herkent ze gedeeltelijk: «Als je later rocket scientist wordt is het leuk als je nog wat van kunstgeschiedenis weet, maar dat maakt je geen betere rocket scientist. De methode van University College is voor de bètavakken minder geschikt, de nadruk ligt erg op de social sciences.»

Suzan van Mens ontdekte dat juist de exacte richting haar trok en vond het curriculum wat dat betreft weinig flexibel. University College had daarover te hoge verwachtingen gewekt. Inmiddels studeert ze medicijnen in Amsterdam. Het bestuur van UC was met moeite van haar beslissing te doordringen: «Ze vonden het belachelijk. Je wordt geacht UC de beste universiteit van Nederland te vinden, en jezelf het neusje van de zalm. Er is weinig zelfkritiek.»

De methode-Adriaansens is dus niet zaligmakend. Het curriculum is weliswaar stevig en de eisen zijn hoog, maar niet iedereen kan zijn draai vinden in het campusleven, en er zijn problemen met de aansluiting op vervolg studies.

Maar aansluiting moet van twee kanten komen. Dat universiteiten het soms moeilijk vinden om een Roosevelt- of UC-papiertje op waarde te schatten, doet nog niets af aan de waarde van die titel. Het zegt wél iets over de flexibiliteit van universiteiten. Het feit dat Adriaansens al vijf jaar met een bachelor-master-systeem werkte toen het landelijk werd ingevoerd, geeft hem daarin het definitieve voordeel van de twijfel.

Elke poging het hoger onderwijs een nieuwe impuls te geven is er één. De winst van Roosevelt Academy kan zijn dat het eindelijk weer nieuwe prikkels vindt om studenten te motiveren, anders dan studiefinanciering, aanwezigheidsplicht en puntensystemen. Adriaansens weet ambitie op te sporen én aan te wakkeren. Daarin kan Roosevelt Academy een topuniversiteit zijn: als studenten er niet studeren om te slagen, maar studeren om meer te weten.