Het spel met toren en kapel

Hoog van de toren

Het obstinate klokgebeier om zeven uur ’s ochtends door een Tilburgse pastoor doet denken aan het gehannes over de hoogte van minaretten bij nieuwe moskeeën. De minarettenangst van Wilders heeft negentiende-eeuwse voorlopers.

Hoe ver reikt de vrijheid van godsdienst in dit land? Mag men anderen met de verkondiging van het Woord lastigvallen, of is dat een onduldbare schending van ieders privacy, even ernstig als die beruchte voet van Jehova’s getuigen tussen de deur? We hebben hier duidelijk te maken met een oud-Nederlands vraagstuk, waarmee van overheidswege al sinds de aanvang van de Republiek geworsteld is, omdat na het optrekken van de rookwolken van de Reformatie niet iedereen van een brave katholiek in een even brave calvinist veranderd bleek.

Officieel lag het tot de Franse Revolutie overigens nog eenvoudig: er was maar één ware religie, de toen nog ‘gereformeerd’ geheten hervormde, die bekend stond als de ‘Heerschende Kerk’. Zij had, in het kielzog van de legers van de stadhouders Maurits en Frederik Hendrik, overal de oude middeleeuwse kerkgebouwen ingepikt, ook in die streken – Brabant, Twente en Gelderland beneden de Waal en voorbij de IJssel – die overwegend rooms bleven. De katholieke eredienst werd officieel verboden. Kerk, toren en klok waren voortaan protestants, ook als het aantal protestanten in zo’n Brabants dorp beperkt bleef tot de gezinnen van de uit Holland geïmporteerde burgemeester, schout, schoolmeester en dominee. Voor hen was dan ook de ingangshal onder de toren als plaats van samenkomst meestal genoeg. De rest van het kerkgebouw werd verwaarloosd en veranderde in de loop der tijden in een ruïne.

*

Maar wat doe je in een land waar niet iedereen de ware religie blijkt aan te willen hangen, en menigeen liever volhardt in het paapse bijgeloof? Tenslotte vormde een van de grondbeginselen van de Opstand de verwerping van elke gewetensdwang in religieuze zaken: men kon de katholieke tirannie van Filips II toch moeilijk vervangen door een nieuwe van calvinistische snit, hoezeer de Synode van Dordt dat met de uitdrijving der Remonstranten ook probeerde.

De eerste barsten in het uiterlijke beeld van de Republiek als calvinistisch bolwerk werden zichtbaar in de steden in het westen des lands. Wat te doen met andere protestanten, de zogeheten Dissenters, zoals de hugenoten met hun Waalse Kerk en de presbyterianen met hun Engelse Kerk? Die golden voor de Nederlandse hervormden toch als dermate geestverwant dat zij vrijwel gelijke rechten kregen: uitoefening van hun eredienst in het openbaar. Dan waren er de lutheranen. In de Hollandse handelssteden vestigden zich – tijdelijk of definitief – zeer veel lutherse kooplieden uit Duitse rijkssteden en vorstendommen of uit Scandinavië. Het kwam de verhoudingen met de Deense, Zweedse of Pruisische kroon ten goede wanneer een stadsbestuur dan over de eigen invulling door de lutheranen van hun religieuze plichten niet al te moeilijk deed, vaak op basis van wederkerigheid. Luther was toch ook zo’n beetje de voorloper van Calvijn, en dus verrezen er ook gewoon lutherse kerken, zij het zonder torens – die bleven aan de officiële hervormde voorbehouden.

Het commerciële karakter van de Republiek dwong tot het tolereren van het afwijkende; je kon zelfs als rechtgelovig koopman toch moeilijk een interessante deal af laten springen op het feit dat er bij de beoogde zakenrelatie helaas een mariabeeldje in de vensterbank stond. Vandaar het verschijnsel van de als ‘schuilkerken’ betitelde katholieke huiskerken, waarvan Ons’ Lieve Heer op Solder (het huidige Museum Amstelkring, Amsterdam) nog zo’n illustratief voorbeeld vormt. Ze bestonden niet, want ze waren nu eenmaal verboden, maar waren er toch, en iedereen wist ervan. In Nederland sluiten we immers bij wetsovertredingen liever de ogen – we noemen dat dan met een mooi woord ‘gedogen’ – dan de deur van het cachot.

Natuurlijk werd er door orthodoxe predikanten regelmatig gefulmineerd tegen deze geheime ‘paapse vergaderplaatsen’, die in elke reisgids stonden vermeld. Dan volgde weliswaar van overheidszijde wel eens een plichtmatige kleine razzia, maar daarna deed een ‘vrijwillige’ donatie van de overtreders in de schatkist van de stad of de portemonnee van haar functionarissen vaak wonderen: net als elders waren ook de meeste ambtenaren van onze Republiek door en door corrupt. In de achttiende eeuw nam die betaling, waarmee het niet-bestaande toch werd toegestaan, vaak vaste vormen aan, en werd de hoogte van die zogeheten recognitiegelden door het stadsbestuur exact vastgelegd. Ook wat officieel verboden was, werd zo toch handzaam bij wet geregeld, ten bate van de godsdienstige gemoedsrust van de katholieken en tot financieel profijt van de rest.

Met de Bataafse Omwenteling van 1795 veranderde alles, althans op papier. Zij bracht, als nakomertje van de Franse Revolutie, de gelijkheid en de vrijheid van godsdienst. Daarmee was het met de rust op het religieuze front snel voorbij. In Den Haag kwam men namelijk op het onzalige idee om de oude kerkgebouwen, die door de hervormden als enig officieel erkend kerkgenootschap ongestoord waren benut, tot staatsbezit te verklaren, om dit vervolgens ‘eerlijk’ onder alle kerkelijke gezindten te verdelen. Er werd dus een commissie in het leven geroepen – ook toen ging in Nederland al niets zonder commissies – en toen die er niet uitkwam, weer een volgende, enzovoort, een hele hoop deelcommissies inclusief.

Het uitgangspunt, zoals na de radicale staatsgreep van januari 1798 met een additioneel artikel in de nieuwe constitutie vastgelegd, was simpel. In een plaats met slechts één kerk zou het kerkgenootschap met de meeste leden het gebouw krijgen, wat vooral in Noord-Brabant en delen van Gelderland (Limburg was met uitzondering van een paar steden nog niet Nederlands) restitutie van de hervormde kerk aan de katholieken zou betekenen. In plaatsen waar meer kerken waren, zouden ze naar evenredigheid worden toegekend. De verliezers zouden naar rato worden uitgekocht, waarbij dat bedrag gerelateerd werd aan de waarde – lees nieuwbouwkosten – van de kerk. De verwachte winnaar had uiteraard baat bij een zo laag mogelijke taxatie, de verliezer bij een hoge.

Zo kwam de commissie voor de opgave te staan om uit te rekenen hoeveel het zou kosten als men anno 1800 de Utrechtse Dom had moeten bouwen, of de Bossche Sint-Jan. Ze kwam er in veel gevallen niet uit, en de hervormden traineerden de zaak met alle middelen, in de hoop op een volgende staatsgreep waarmee alles werd teruggedraaid. Toen die reactionaire staatsgreep in 1801 inderdaad volgde en tot stopzetting van alle lopende procedures leidde, was nog maar een bescheiden deel van de kerken aan de katholieken gerestitueerd.

*

In veel gevallen waar men er niet direct uit kwam, werd als ‘tijdelijke’ noodoplossing voor een zogeheten simultaneum gekozen – maar tijdelijk bleek in Nederland soms zeer lang. Zo’n simultaneum was een verschijnsel dat in sommige Duitse vorstendommen met een gemengde confessionele bevolking al veel langer bestond. Twee kerkgenootschappen – meestal een luthers met een calvinistisch, maar soms ook een protestants met een katholiek – moesten de kerk delen.

Dat kon op twee manieren. Ofwel door gebruik ná elkaar, zoals dat vandaag nog steeds in de Dom van Wetzlar – een stadje ten noorden van Frankfurt – bestaat: ieder kreeg vaste uren voor gebruik toegewezen. Dat leidde tot allerlei praktische en psychologische complicaties, omdat de kerk voor de katholieken eigenlijk na elk protestants bezoek opnieuw gewijd zou moeten worden, aangezien ketters gepreek een even grote ontheiliging van een sacrale ruimte vormde als een moordaanslag of gebruik als paardenstal. De protestanten wensten omgekeerd tijdens de verkondiging van hun ware evangelie niet met afgodsbeelden en paapse parafernalia als altaar en miskelk geconfronteerd te worden, waarvoor dan de oplossing in een gordijntje gevonden werd, dan wel in een altaar op wieltjes, dat na afloop uit het zicht gerold kon worden.

Een simultaneum kon regelmatig tot hevige ruzies leiden, wanneer de dienst van de één uitliep doordat de dominee onverhoeds wat lang van stof bleek of als na de jaarlijkse dorpskermis de rij zondaars bij de katholieke biechtstoel onafzienbaar bleek. En ofschoon het in Nederland nooit zo ver kwam als in het vorstendom Pfalz-Zweibrücken, waar een geïrriteerde pastoor ooit bij binnenkomst met zijn geweer een schot op zijn protestantse collega loste (en daarbij een kerkganger doodde) omdat die op het afgesproken tijdstip nog niet vertrokken was, waren ook in onze contreien de gewelddadigheden niet van de lucht. Men knokte bij gelegenheid op het kerkhof, men bespioneerde elkaars begrafenisplechtigheden vanachter de coniferen, men luidde de kerkklokken als de ander net aan de mis of preek begonnen was, en in Beek bij Nijmegen klaagde de hervormde burgemeester dat de pastoor een hond bezat die speciaal op protestanten was afgericht, zodat hier voortaan op zondag een veldwachter voor de kerkdeur voor orde te zorgen had.

De andere mogelijkheid bestond niet uit een opdeling van de tijd, maar een opdeling van de ruimte door de bouw van een tussenmuur, waarbij de katholieken in de regel het koor toegewezen kregen en de protestanten het schip. Zo was de situatie in Hulst in Zeeuws-Vlaanderen, die tot 1929 heeft bestaan, toen de katholieken de hervormden hebben uitgekocht. Ook zo’n oplossing kon onmin niet altijd voorkomen, zeker wanneer die scheidingswand niet al te dik was uitgevoerd. Dan had de één voortdurend last van het orgelspel, de koorzang of het klokgebeier van de ander. Koning Lodewijk Napoleon, katholiek in een door hervormden gedomineerd land, heeft in 1810 een uniek plan laten maken voor een nieuw te bouwen simultaankerk in Apeldoorn, waarbij beide gezindten binnen een cilindervormig kerkgebouw elk een identieke ovaalvormige kerkruimte toegewezen kregen. Tot uitvoering van dit unieke project kwam het niet, omdat de koning nog datzelfde jaar voor zijn broer op de vlucht sloeg.

*

Niet alleen twee-onder-één-kap stond bij kerken garant voor veel gedonder. Ook twee kerken op een paar meter van elkaar konden tot spanningen aanleiding geven, als de stromen kerkgangers elkaar zondags op hetzelfde tijdstip kruisten. Dat leidde er in de loop van de negentiende eeuw zelfs toe dat Den Haag in de wet een minimumafstand vastlegde: binnen een straal van een paar honderd meter rond een bestaande kerk mocht voortaan geen nieuwe meer worden gebouwd. Het was aan de beide ministers van Eredienst – een voor de katholieken en een voor de protestanten – die al in 1813 waren aangesteld, de verplichting om hierop bij de kerkbouw zorgvuldig toe te zien. Zij hadden daar soms een dagtaak aan.

De vrijheid van godsdienst van 1795 betekende namelijk ook dat alle oudere beperkende bepalingen voor de niet-hervormde kerkgenootschappen waren afgeschaft. Het gevolg was met name bij de katholieken een enorme inhaalslag, die aanvankelijk door geldgebrek nog bescheiden moest zijn, maar zeker na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853 triomfantelijke vormen begon aan te nemen. In de evolutie van onooglijke, nauwelijks als godshuis herkenbare schuur- en schuilkerken naar volwaardige neogotische kerkgebouwen valt een veelzeggende parallel te bespeuren met de toegenomen zichtbaarheid van de islam in het Nederlandse stadsbeeld gedurende de laatste decennia: van provisorische garages naar duurzame moskeeën.

De katholieken bleken, anders dan de protestanten hoopten, een blijvertje te zijn, en dat zou de buitenwereld weten ook. Wat vóór 1795 verboden was, werd nu luidruchtig in de architectuur geëtaleerd. Ook hun kerken mochten er voortaan uitzien als kerken en hoefden zich niet langer achter ‘neutrale’ woonhuisgevels te verschuilen. Daarvoor waren vooral torens met luid beierende klokken van belang. Die konden tot afgrijzen van menige protestant niet hoog genoeg worden en staken de torens van de oude middeleeuwse kerken van de hervormden regelmatig naar de kroon, zoals nog te zien is in steden als Gouda en Woerden, of dorpen als Houten, Schalkwijk, Breukelen en IJsselstein. De hedendaagse minarettenangst van Wilders bezit negentiende-eeuwse voorlopers, zoals überhaupt zijn hysterische optreden aan dat van de Aprilbeweging herinnert: stop de bedreiging van onze nationale identiteit door vreemde religieuzen.

*

Behalve met de katholieke kerkbouw worstelde Nederland in de negentiende eeuw ook met alle andere uitingsvormen van het zich emanciperende katholieke geloof die voorheen in het openbaar verboden waren, zoals processies, kloosters en allerhande vormen van opvallende kledij. Nonnen en monniken tooiden zich met hoofddoekjes en in djellaba-achtige gewaden. De monniken onderscheidden zich ook door een vreemde haardracht. En dan al die roomse geestelijken die van elders kwamen, zonder enige kennis van de Nederlandse samenleving: wat nu slechts Arabisch prevelende imams zijn, waren toen slechts Latijn prevelende priesters.

De rol van de salafisten uit Mekka als grootste boeman werd toen ingenomen door jezuïeten die rechtstreeks afkomstig waren uit Rome. Een eigen Nederlandse opleiding voor imams, opdat die niet meer uit een ver buitenland hoeven te worden geïmporteerd? Koning Willem I worstelde, zeker tijdens het Verenigd Koninkrijk toen hij door een groot deel van het Belgische episcopaat als ketter werd afgewezen, met een soortgelijk probleem. Hij vond de oplossing in zijn zogeheten Collegium Philosophicum in Leuven, waar een nieuwe verlichte geestelijkheid met een programma vol Nederlandse normen en waarden tegen Romeinse onverdraagzaamheid moest worden geïmpregneerd.

Het plichtmatige karakter daarvan bespoedigde het uitbreken van de Belgische Opstand. Na de scheiding van kerk en staat met Thorbecke’s grondwet trok de overheid zich al snel uit alle kerkelijke aangelegenheden terug.

Uiteraard vallen de accommodatieproblemen van toen niet aan de problemen van nu gelijk te stellen. De katholieke bevolking maakte van oudsher deel uit van de Nederlandse samenleving en cultuur, en jezuïeten waren veel minder extreem dan salafisten. Maar in de nieuwe zichtbaarheid, en de paniekerige reactie daarop, bestaan wel overeenkomsten die ertoe zouden moeten leiden in het huidige integratiedebat wat zorgvuldiger onderscheid te maken tussen uiterlijkheden en essentialia. Dat katholieke klokgebeier in Tilburg is ook nu niet het echte probleem.