Hoogleraar onaniejournalistiek

Ik wist niet eens dat het bestond: hoogleraar in de journalistiek. In mijn tijd kon je nog geen journalistiek studeren, je kon het alleen doen. Als regelmatig luisteraar naar de radio hoor ik de hoogleraar journalistiek wel eens wat beweren, en dan denk ik: hoe weet hij dat?

Ik weet dan bijvoorbeeld alleen dat die hoogleraar journalistiek hoogleraar journalistiek is geworden omdat de journalisten van zijn krant hem niet meer wilden hebben als journalist, omdat hij het journalistenvak niet verstond.
Niet iedereen kan namelijk journalistiek bedrijven, maar iedereen kan wel hoogleraar journalistiek worden. Je hoeft daar namelijk niets voor te kunnen.
Moet je, zoals onder professoren gebruikelijk is, wetenschappelijke publikaties betreffende de journalistiek geschreven hebben?
Nee hoor, dat is helemaal niet nodig.
Moet je dan, zoals het hoogleraren betaamt, wetenschappelijke studies uitzetten onder je studenten?
Ben je gek. Het enige wat je hoeft te doen, is zogenaamde onaniecolleges geven. Je praat dan een uurtje of wat weg over je eigen verzonnen verdiensten, en je vertelt dan aan studenten hoe knap je bent.
Ik zat eens in een radioprogramma met wijlen hoogleraar Max - zo noem ik hem maar even, want ik mocht Max zeggen. Max wist precies hoe het met Het Parool verder moest, vertelde hij voor de radio. Max was, ondanks zijn goede ideeën, somber gestemd over de toekomst van de krant. Logisch. Als ik de ideeën van Max had gehad, was ik eveneens somber gestemd. Terwijl Max voor de radio hoogleraarde over journalistiek met de ene hocuspocusformule na de andere, zag ik voortdurend die brief van Max voor me, van acht jaar geleden, toen Max hoofdredacteur van Het Parool wilde worden. Hij werd geen hoofdredacteur, want men vond hem niet goed. Hij serveerde zichzelf af door nadien te beweren dat hij de voorkeur gaf aan de baan van hoogleraar journalistiek. Zou ik ook hebben gedaan, als ik zo'n journalist was als Max.
Maar zoals gezegd, over de doden niets dan goeds.
Wat doen de hoogleraren journalistiek nu?
Alle belangrijke publikaties over de journalistiek komen nog altijd van… journalisten, gek genoeg.
Heel toevallig maakte ik het afgelopen jaar de omslag mee van Het Parool naar Het Nieuwe Parool. Voer voor hoogleraren journalistiek, zou je zeggen, of voor hun studenten. Hier lagen wel tien, twintig afstudeerscripties te wachten en zeker één promotie-onderzoek.
Er kwam wel eens een hoogleraar journalistiek langs, maar die kwam nooit op de redactie. En hij stonk altijd naar de whisky als-ie weer vertrok. Wetenschappelijke belangstelling heet dat geloof ik.
Verder bleken die hoogleraren nog allerlei banen als ‘adviseur’ te hebben bij concurrerende dagbladen. Met geen van die dagbladen gaat het trouwens goed.
De Groene krijgt een nieuwe hoofdredacteur. Vrij Nederland krijgt een nieuwe hoofdredacteur. NRC, Volkskrant en Parool hebben nieuwe jonge hoofdredacteuren, de VPRO heeft een jonge directeur, de Vara heeft een vrouwelijke directeur die ook betrekkelijk jong is. Me dunkt dat je kunt zeggen dat er een nieuwe generatie is aangetreden. Wat zijn hun ideeën? Wat willen ze met de krant of hun medium? Waarin verschilt dat van vroeger? Wat wilden ze vroeger eigenlijk? Allemaal vragen waar de hoogleraar journalistiek zich over zou moeten buigen. Maar die adviseert liever een dagblad tot Titanic-niveau.
Erebaantjes zijn het. Heel goed betaalde erebaantjes. Baantjes ook die meestal gesponsord worden door het bedrijf waar de hoogleraar vroeger voor werkte. Het is dus een wegpromoveerbaantje zonder gezichtsverlies, want je vrouw en je kinderen moeten nu immers professor tegen je zeggen.