Hooglied van de hopeloosheid

J. M. H. Berckmans, Taxi naar de Boerhaavestraat. Verhalen. Uitgeverij Nijgh en van Ditmar, 160 blz., f34,90
TAXI NAAR DE Boerhaavestraat, het nieuwe boek van Jean-Marie Berckmans, is ontzagwekkend goed.
Berckmans is al jaren een cult hero. Zoals het cult heroes betaamt, wordt hij niet door het Grote Publiek gelezen. Dat is onrechtvaardig, maar wel begrijpelijk. Het Grote Publiek staat nou eenmaal niet te dringen voor literatuur die genadeloos afrekent met de lafhartige moraal van het ‘beschaafde’ burgerdom, die rauw en direct bericht vanaf de achterkant van de vooruitgang, literatuur die schuurt en schrijnt en scheldt en schreeuwt en keer op keer de onontkoombare conclusie trekt dat het leven een voortdurende kwelling is waarin liefdeloosheid en wanhoop de dienst uitmaken.

Om Berckmans moet je niet lachen, hoe zot zijn personages ook zijn. Dit werk is geen lekker leesbare literatuur, geen prettig amusement, geen aangenaam tijdverdrijf, geen goed verzorgd kunstje. Het is boos. Oprecht en onverbiddelijk woedend op alles wat burgerlijk, achterbaks en fake is en zich zelfgenoegzaam in de eigen opgeblazenheid wentelt, woedend op alle ‘dikke nekken’ in de wereld die denken dat het wel goed gaat zolang het met hen goed gaat. Berckmans’ werk is gitzwart en wanhopig, maar ook zo oprecht en authentiek en doorleefd en levend dat het tot het beste behoort wat de afgelopen jaren is gepubliceerd.
De inmiddels 41-jarige Vlaming heeft voor Taxi naar de Boerhaavestraat vier verhalenbundels geschreven en een roman, Brief aan een meisje in Hoboken. In Vergeet niet wat de Zevenslaper zei, Cafe De Raaf nog steeds gesloten, Rock & roll met Frieda Vindevogel en Het zomert in Barakstad bouwde hij zijn grimmige universum op: een afbrokkelende wereld waarin voornamelijk havelozen en zotten ronddwalen. Ook in deze nieuwe bundel is de nachtzijde van Antwerpen zowel het decor als het centrale thema van de verhalen. En het is alsof Berckmans alleen maar beter is gaan schrijven. Hij heeft een stilistische verfijning bereikt die zelfs de meest troosteloze en weerzinwekkende scenes een genot maakt om te lezen. Het is niet te hopen dat hem, 'achtereenvolgens een mistroostig kind, een verdrietige puber, een woelige adolescent, langdurig psychiatrisch patient, internationaal handelsagent, vertegenwoordiger in schoenen, taxichauffeur en assistent-boekverkoper’, te snel het lot zal treffen dat zijn vader voor hem ziet weggelegd: 'laat die toch doen al wil die op z'n blote voeten in z'n onderbroek op straat lopen die doet toch wat hij wil, die doet nu al veertig jaar kompleet z'n goesting en die zal nog veertig jaar kompleet z'n goesting blijven doen, als hij tijd van leven heeft, maar met wat hij allemaal smoort en zuipt zal dat wel niet.’
Met overgave roken en drinken hoeft niet altijd tot een vroege dood te leiden, en in het geval van Berckmans wil ik de Allerhoogste Humorist bij deze verzoeken om enige clementie, Hem vragen al dat ongezonde gedoe door de vingers te zien en deze schrijver lang te laten meegaan.
TAXI NAAR DE Boerhaavestraat is wederom down and out in Antwerpen, waarin de schrijver als altijd van goot naar goot strompelt in een wereldstad die geen wereldstad is maar een Barakstad, kuchend en hoestend door de hoerenbuurt sluipt, nachtenlang in cafes rondhangt vol ondode medemensen, 'sochtends probeert te slapen in zijn 'kruipkot’, en soms gaat eten bij zijn vader en moeder. Hij 'sukkelt vroeg of laat nog wel eens met z'n klikken en z'n klakken tot in de Boerhaavestraat. En daar komt ge nooit of nooit meer uit. Niemand. Dat is definitief, de Boerhaavestraat, dat is tot de laatste snik, dat is totterdood.’
Maar niet alleen in een psychiatrische inrichting zijn verworpenen te vinden. De wereld zit er vol mee en in die van Berckmans is al helemaal geen normaal mens te vinden. Godzijdank. De schrijver wordt voortdurend net niet uit zijn huis gegooid, hangt rond met zijn vrienden maar vooral alleen, drinkt en zuipt en drinkt en zuipt en kotst en gaat kapot en schrijft en scheldt en gaat heel soms naar de film, alleen, maar meestal gaat hij om te zuipen naar De Muze, of naar De soete Naem Jesus of De Raaf of De Vagant of De dorstige Haan of de Icaros of De Pelikaan of De Rui of Tango of de Pacific of de Churchill’s Pub of De Stoop of het Heartbreak Cafe of blijft hij gewoon thuis. Voor vrouwen voelt hij zich te lelijk en te morsig, want hij stinkt, zijn kleren zijn gescheurd en hij spuugt als hij praat.
ERGENS WORDT verwezen naar Malone dies, het tweede deel van de trilogie van Samuel Beckett. Die eindigt met de woorden: 'I can’t go on, I’ll go on.’ Dat kan als motto dienen voor Berckmans’ gehele werk. Niet verder kunnen, maar toch verder gaan. Het dolen en dwalen houdt nooit op. Dat is het leven, dat is Berckmans’ leven. Dolen en dwalen door Barakstad. Straalbezopen in de goot liggen maar telkens weer opstaan, al was het maar om weer een andere goot te vinden. Het gaat altijd verder, de pijn, de wanhoop, de liefdeloosheid, de onmacht, de waanzin, de eenzaamheid. Altijd. En het zoeken.
'Het aller, allereerste ogenblik, toen je uit die bittere, troosteloze kut die bittere, troosteloze aarde werd opgesmeten, bedacht je aan de snelheid van een elektron in een deeltjesversneller dat je er je hele verdere leven over zou moeten doen om die ene enkele metafoor te vinden, nu, met wat meeval een half leven later, maar met wat jij rookt en zuipt en snuift en spuit en neukt zonder kondoom, vorig weekend nog met die straalbezopen pothoer van ’t Faboert, zal dat wel niet zo zijn, bon, zegt men hier, soit, veertig jaar later denk je dat er niet die ene enkele metafoor bestaat maar dat er honderdduizend metaforen voor bestaan en dat je ze allemaal moet boekstaven voor het te laat is, voor niemand er nog weet van kan hebben, voor ze nooit nog kunnen worden geopenbaard. Aan de wereld. Aan de mensheid. Aan het nageslacht, al is het niet het jouwe en zal het ook nooit meer het jouwe zijn want jij sterft uit, jij teert weg, jij verpietert zienderogen. Jij gaat zienderogen naar de bom.’
Zoeken naar die ene enkele matafoor.
HET LIEFST ZOU ik hier het verhaal 'De wortel in de brievenbus’ in zijn geheel citeren. Een passage dan maar: 'Zitten, denken, proberen te denken, vroeger vlogen de gedachten in woorden door je hoofd en kon je er nog wat van maken, kon je er nog een touw aan vastknopen, een of ander soort van strop, later werden het lettergrepen, nu zijn het alleen nog maar letters, of stukjes van letters, het beentje van de p, het bovenste krulletje van een c, het hakje van de q, niks kan je nog in woorden vatten, en misschien is dat het ergste, misschien is dat de ene enkele metafoor, dat niks nog in woorden te vatten is. Maar nee, je weet het maar al te goed, alles is in woorden te vatten, alles is een verhaal, sommige verhalen zijn romans, sommige romans zijn wereldgeschiedenis, alles kan je zeggen, alleen dat wat jij wil zeggen kan je niet zeggen. Op dat ene enkele beeld kom je nooit of nooit nog. Je kan tienduizend straalbezopen pothoeren neuken zonder kondoom, de ene zal misschien Suzanne heten en de andere allicht Erika, bijwoorden van hopeloze onverschilligheid, je kan een miljoen cd’s uitbrengen met het hoesten en de scheten van je vader, je kan zuipen tot je doodgaat, je kan zwelgen tot je stikt, je kan in je broek schijten tot heel Barakstad de straat oversteekt als ze je zien aankomen, je kan als een uitgemergelde kliedernatte schurftige gele straathond in de eerste de beste goot gaan liggen tot het sossenkarretje komt en zij je in hun cel je roes laten uitslapen, alles kan je doen, maar dat ene beeld vind je niet, het enige, het allerlaatste, het definitieve, het beeld dat nog nooit iemand gevonden heeft. Behalve jij. Dat vind je niet. En daaraan ga je dood. En alleen daaraan.’
HIER ZIT NIET iemand leuk literatuur te maken. Hier zit niet iemand een romannetje te bedenken en een verhaal in elkaar te knopen en te componeren als was het een wandtapijt. Dit is echt, zoals het leven echt is. Dit doet pijn, zoals het leven pijn doet. Het is inktzwart, als het leven zelf. Het slaat en hamert en dreunt en beukt en vloekt en jankt en scheurt en bijt en schopt en snijdt en gilt en schuurt en soms is het godvergeten jammer dat een boek ergens moet ophouden.