Hoogmoed en ondergang

Satanische personages, mannen met een priapische lust, onverbiddelijke najagers van hun eigen genot, Philip Roth heeft er het patent op. Van Portnoy tot Zuckerman, van de obscene Morris ‘Mickey’ Sabbath in Sabbath’s Theater tot de egocentrische literatuurprofessor David Kepisch in The Dying Animal, die ongebonden seksualiteit verkiest boven een solide liefdesrelatie - het zijn allemaal mannen die weinig op hebben met burgerlijke deugden als trouw, verantwoordelijkheidsgevoel en opofferingsgezindheid.

Eugene ‘Bucky’ Cantor, de hoofdpersoon van Roth’s nieuwe roman Nemesis, is uit geheel ander hout gesneden. Hij wil vooral goed en deugdzaam zijn. Met hem keert Roth terug naar het Newark van de jaren veertig, om precies te zijn naar de joodse wijk Weequahic, waar hij zelf opgroeide en die een rol speelt in zo veel van zijn romans. Bucky groeide op bij zijn grootouders - zijn moeder stierf in het kraambed, zijn vader was een dief die niet wilde deugen - en kreeg door zijn grootvader met de paplepel ingegoten dat 'een man voor al zijn streven de volle verantwoordelijkheid’ droeg. In de zomer van 1944, de tijd waarin Nemesis zich afspeelt, is hij 23 jaar oud en heeft hij als gymleraar een groep jongens onder zijn hoede tijdens hun schoolvakantie. Bucky mag dan een gedrongen bundel spieren zijn, een atleet die uitblinkt in speerwerpen en de sprong van de hoge duikplank, hij heeft zulke slechte ogen dat hij is afgekeurd voor militaire dienst. Terwijl gezonde mannen van zijn leeftijd elders vechten tegen de Duitsers en Jappen gaat hij gebukt onder schaamte en moreel falen.

Nemesis leest niet alleen als een historische roman omdat Roth prachtig het Newark van weleer beschrijft, maar ook omdat het karakter van Bucky ronduit 'retro’ is. Terwijl Roth in veel van zijn boeken zijn personages vrijmoedig laat botsen met de traditie exploreert hij in zijn nieuwste roman de grenzen van de burgerlijke deugdzaamheid. In feite is het juist Bucky’s streven naar goedheid, de ijzeren moraal die hij van zijn grootvader heeft meegekregen, dat het hart van de tragedie uitmaakt.

Al vecht Bucky niet in Europa of in de Pacific, in Newark breekt een polio-epidemie uit en ook een aantal van 'zijn’ jongens worden ziek en gaan dood. Bucky heeft het gevoel dat hij zich in de frontlinie bevindt, 'want dit was ook een echte oorlog, een oorlog vol slachting, afbraak, ondergang en verdoemenis, oorlog met alle ravage van oorlog - oorlog tegen de kinderen van Newark’. En ook van dat front loopt hij weg.

Philip Roth roept het allemaal weergaloos op, de zinderende hitte van die zomer, de brandende zon die maar niet van ophouden wil weten, de jongens die onverdroten honkbal blijven spelen, het zweet en hun plakkende kleren, de kinderverlamming die hen één voor één in de greep krijgt, de angst waar de wijk van doordrenkt raakt, de sirenes van de ziekenwagens die steeds vaker klinken, de hysterie, de geruchten over de bron van de ziekte. Kwam het door de opgeschoten Italianen, die de speelplaats bezochten en zeiden dat ze polio kwamen brengen, onderwijl dikke klodders speeksel op de stoep spugend? Werd de ziekte verspreid door huisvliegen, de post, het geld, de ongewassen buurtgek die iedereen de hand wilde drukken? De onzekerheid wordt steeds beklemmender.

Nemesis doet denken aan die andere roman waarin een epidemie wordt beschreven, De pest van Albert Camus, zij het dat de ziekte geen metaforische lading krijgt. De ziekte werkt vooral door op Bucky, die in een existentialistische crisis raakt, zijn geloof in God verliest en doordrongen raakt van de absurditeit van het bestaan. Hij is op zichzelf teruggeworpen, maar in plaats van zich machteloos te voelen, dicht hij zichzelf, deugdzaam als hij is, een macht toe die hij niet heeft. Hij ziet het als zijn opdracht voor de kinderen van de speelplaats te zorgen, hen uit de klauwen van de ziekte te houden, hij gaat de ziekte steeds meer als zijn verantwoordelijkheid zien.

Zijn 'desertie’ verbeeldt Roth scherp in de keuze die Bucky moet maken tussen zijn verantwoordelijkheid en zijn plezier. Bucky’s verloofde Marcia werkt in een zomerkamp en heeft daar een baantje voor hem geregeld, in de koelte van de natuur, ver weg van de polio-epidemie, met de belofte van ongehinderde seks. Bucky kiest voor het plezier, maar als in het vakantiekamp ook polio uitbreekt is er alleen nog maar wroeging over zijn keuze en is het duidelijk dat hij zijn ondergang tegemoet gaat.

Nemesis leest als een klassieke tragedie, waarin de held ten onder gaat aan de spoken die hij zelf heeft opgeroepen. De titel verwijst naar de genadeloze godin van de wraak die in veel Griekse mythen opduikt zonder ooit een duidelijke figuur te worden. Eerder is ze een principe, van vergelding, veroordeling, de vijand die we proberen te ontvluchten. Aangezien het vooral de hybris is die ze afstraft, ligt haar wraak niet in het zenden van de ziekte, maar in de ondergang van Bucky, die zo hoogmoedig is te denken dat hij de ziekte kan stoppen, en zich, als dat niet lukt, inbeeldt dat hij zelf de brenger van het verwoestende virus is. Het tragische wordt nog onderstreept doordat de roman verteld wordt door een 'wij’ - pas halverwege blijkt dat de verteller een van de jongens van de speelplaats is - en er consequent afstandelijk over Bucky gesproken wordt als 'meneer Cantor’. Alsof een koor zijn leven van commentaar voorziet. Zoals de verteller het aan het eind van de roman bijna klinisch verwoordt: 'Het schuldgevoel van een mens als Bucky mag onzinnig lijken, maar is in wezen onontkoombaar. Zo iemand is verdoemd. Niets van wat hij doet evenaart zijn innerlijke ideaal. Hij weet nooit waar zijn verantwoordelijkheid ophoudt. Hij houdt nooit rekening met zijn beperkingen, omdat hij, belast met een onbuigzame aangeboren goedheid die hem niet wil toestaan te berusten in het lijden van anderen, nooit zonder schuldgevoel zal toegeven dat hij beperkingen heeft.’