De euforische economie

Hoogmoed moet

China stagneert, de wereldeconomie wankelt, maar Nederland jubelt over een nieuwe ‘huizenbonanza’. Dom? Misschien, maar zonder roze bril is onze economie verloren.

Medium groene euforie transparant

In de Albanese hoofdstad Tirana groeien de bomen weer tot in de hemel. Of preciezer gezegd: de woningprijzen. Alleen het afgelopen jaar al stegen ze met zeventien procent. Wie begin 2015 een huis kocht ter waarde van een half miljoen euro mag zichzelf rijk rekenen. In twaalf maanden tijd heeft hij bijna een ton verdiend – zonder ook maar een vinger uit te hoeven steken.

Makelaars spreken bezorgd van ‘excessen’ en ‘Londense toestanden’. Tijd om goed na te denken over een bod gunnen de meeste Albanezen zichzelf niet. Woningen op populaire locaties zijn vaak binnen een dag verkocht, ver boven de vraagprijs. Wie te lang wacht, dreigt de boot te missen en profiteert niet van de exploderende huizenprijzen. Kersverse huiseigenaren die willen verbouwen staan vervolgens direct voor een nieuwe uitdaging: het blijkt lastig om in dit overspannen klimaat op korte termijn een bouwvakker te vinden.

Bizar, zoveel euforie? Gevaarlijk? Dat valt te bezien. Deze taferelen spelen zich in werkelijkheid namelijk niet af in Tirana, Albanië. Het voorbeeld betreft Amsterdam, inclusief de prijsstijging met bijna een vijfde in één jaar tijd. De hoofdstedelijke huizenmarkt vertoont ‘tekenen van overspanning’, concludeerde De Nederlandsche Bank enkele maanden geleden. Dat lijkt inmiddels al we er een understatement. Er is, zoals een landelijk dagblad het omschreef, sprake van een regelrechte ‘huizenbonanza’.

Dat levert een merkwaardig contrast op. Over de grens pakken donkere wolken zich samen. De stagnerende Chinese economie baart beleggers zorgen. Ondertussen hebben veel opkomende landen last van de zeer lage olieprijs. De Royal Bank of Scotland is zelfs zo zwartgallig dat ze haar grote klanten vorige week adviseerde ‘alles te verkopen behalve hoogwaardige staatsobligaties van de allerbeste debiteuren’. Haast is geboden, want ‘in een drukke kamer zijn de nooduitgangen smal’.

Hoe anders is de stemming in Nederland. Niet alleen in Amsterdam, maar ook in de rest van het land voelen huizenbezitters zich weer wat rijker dankzij stijgende prijzen – gemiddeld vijf procent in 2015, met uitschieters naar boven in de grote steden. Minstens zo belangrijk voor het volkssentiment: de benzineprijzen. Zo goedkoop als nu is autorijden lange tijd niet geweest. Het consumentenvertrouwen ligt dan ook op het hoogste niveau sinds 2007. De werkgevers zijn eveneens positief. In zeven jaar tijd lag het aantal faillissementen niet zo laag.

Om de pret compleet te maken, strooit het kabinet dit jaar vijf miljard euro aan lastenverlichting uit over Nederland. Het is een fraai staaltje politiek begroten. In de aanloop naar de landelijke verkiezingen van maart 2017 moet het zuur van de crisis plaatsmaken voor het zoet van het herstel. Dat lijkt vooralsnog aardig te lukken: ‘Loonstrookje 2016 is een feest’, constateerde RTL Nieuws. Het Financieele Dagblad had het over ‘het zoet van zestien’.

Het is na zeven magere jaren even wennen. Over economische crises en depressies ging het in de afgelopen periode maar al te vaak – ook nu weer, met alle buitenlandse troebelen. Die aandacht is terecht. Maar het is, onder voorbehoud dat de Chinese crisis niet op korte termijn escaleert, slechts het halve verhaal. Om het kantelende sentiment in Nederland te begrijpen, moeten we opnieuw kennismaken met dat omgekeerde, bijna vergeten fenomeen. Met het gevoel dat het eigenlijk best oké gaat met ons. Misschien wel ontzettend lekker – tsjakka!

Het is tijd om na te denken over optimisme.

Iemand die daar gedurende zijn lange leven veel over nagedacht heeft, is de econoom John Kenneth Galbraith (1908-2006). ‘Financiële amnesie’, zo omschreef hij de aandoening. Volgens hem reikt ons economische geheugen maximaal twintig jaar terug. Na elke crisis, zo schreef Galbraith in 1990 in zijn A Short History of Financial Euphoria, wordt er oeverloos gesproken over regulering en hervormingen. Er worden ook schuldigen aangewezen: de ‘graaiers’ en ‘profiteurs’ die verantwoordelijk zouden zijn voor het debacle.

Over één vraag gaat het zelden, terwijl die misschien wel de interessantste is van allemaal: wat bezielde ons nou eigenlijk om er al die jaren zo massaal achteraan te lopen?

Weg was de droom van gouden bergen. Duizenden gelukszoekers bleven berooid achter. Plots was een tulp weer gewoon een tulp

‘Wat niet bediscussieerd zal worden’, aldus Galbraith, ‘is de speculatie zelf en het optimisme dat daaraan ten grondslag lag’. Hij geeft twee redenen voor die financieel-economische vergeetachtigheid. De eerste is heel menselijk. Denk, heel dichtbij, aan de Nederlandse huizenkopers. Dankzij de euforische stemming op de woningmarkt werden zij tot 2008 slapend rijk. Maar wie wil achteraf toegeven dat dit pure mazzel was – laat staan het resultaat van massahysterie? Nee, blind economisch optimisme is geen gespreksonderwerp waarmee je vrienden maakt.

De tweede reden dat het onderwerp vermeden wordt, ligt in het economische denken. Veel politici en sommige economen koesteren een beeld van ‘de markt’ als een neutraal, rationeel en evenwichtig coördinatiemechanisme. Euforie is zo’n beetje het tegenovergestelde van dat ideaal. Toch is dat hoe de markt echt werkt. Ze is niet neutraal, maar het resultaat van machtsverhoudingen. In plaats van rationeel en evenwichtig is de markt manisch-depressief, onderhevig aan plotse stemmingswisselingen. Dat is niet iets van de laatste decennia. Vanaf het prille begin van het kapitalisme zijn er die snel veranderende humeuren, van depressief tot euforisch. De veronachtzaamde geschiedenis van die economische roze bril begint nergens anders dan in Nederland. Inderdaad: de tulpenmanie.

Het startte met een nieuwigheidje. Een innovatie, zouden we tegenwoordig zeggen. De tulp groeide ten oosten van de Middellandse Zee altijd al in het wild. Vanaf de zestiende eeuw begonnen de eerste bollen hun weg te vinden naar West-Europa. Al gauw werden het statussymbolen. Het precieze waarom is in nevelen gehuld, maar aan het begin van de jaren dertig van de Gouden Eeuw raakte de handel in een stroomversnelling, met de Hollandse steden als middelpunt. Op de beurs in Amsterdam, maar ook in Rotterdam, Haarlem, Leiden, Alkmaar en Hoorn ontstonden drukbezochte tulpenmarkten. In kleinere dorpen deed de plaatselijke kroeg dienst als markthal.

In 1636 was een ordinaire tulpenbol naar verluidt ‘een nieuw rijtuig, twee grijze paarden en een complete uitrusting’ waard. Er heerste een even koortsachtige als naïeve opgetogenheid, alsof een nieuw tijdperk was aangebroken. In zijn klassieke Extraordinary Popular Delusions and the Madness of Crowds zou Charles Mackay het twee eeuwen later zo omschrijven: ‘Iedereen verbeeldde zich dat de passie voor tulpen voor eeuwig zou duren, en dat de rijken van over de hele wereld naar Holland zouden komen, en daar elke prijs zouden betalen die hen gevraagd werd. De rijkdommen van Europa zouden samenstromen op de kusten van de Zuiderzee, armoede verbannen worden (…)’

Helaas, niets op aarde duurt voor eeuwig. Laat staan economisch optimisme. Een jaar later al, in 1637, spatte de bubbel uiteen. Weg was de droom van gouden bergen voor iedereen. Duizenden gelukszoekers bleven berooid achter. Plotseling was een tulp weer gewoon een tulp.

De Hollandse tulpenmanie geldt als hét klassieke voorbeeld van financiële euforie. Elke episode van blind optimisme volgt sindsdien min of meer hetzelfde scenario. Het begint met voorzichtig optimisme over de toekomst. Dan volgt een in het oog springende innovatie. Die nieuwigheid draagt bij aan wat een econoom met gevoel voor poëzie de ‘triomf van hoop over ervaring’ heeft genoemd. Het idee dat het deze keer écht anders is. This time is different.

Zo was het ook bij het meest beschreven eigentijdse hoofdstuk van economisch optimisme: de wereldwijde aandelenhausse in de jaren negentig. Toen was het internet de nieuwigheid. Het sovjetcommunisme was ingestort, het kapitalisme had gezegevierd. Nu vatte het idee post dat informatietechnologie voor een nieuwe sprong voorwaarts zou zorgen. Dat sloeg aan. Bedrijven konden hun waarde opkrikken enkel door ‘.com’ aan hun naam toe te voegen. In vijf jaar tijd verdriedubbelde de Dow Jones Index. Dat die hippe internetbedrijven vrijwel zonder uitzondering geen winst maakten, werd voor het gemak vergeten.

In de tweede fase van de bubbel gebeurt er iets vreemds. Er treedt een zichzelf versterkende feedback loop op, zoals economen dat noemen. Zo maakte het feit dat aandelen in de jaren negentig snel duurder werden ze niet onaantrekkelijker. Integendeel. Uit onderzoek bleek dat hoe hoger de koersen, hoe optimistischer beleggers werden over verdere prijsstijgingen. In 1996 dachten beleggers gemiddeld dat de Dow het jaar daarop 4,1 procent zou stijgen. In 2001, op het hoogtepunt van de bubbel, was dat 8,4 procent.

Op grond van de wet van vraag en aanbod zou je het omgekeerde verwachten. Als de kiloprijs van rucola verdubbelt, is dat geen reden er extra van in te slaan. Klanten zullen overstappen op veldsla, of ijsbergsla. Met als gevolg dat de rucola na verloop van tijd weer goedkoper wordt. Bij speculatie-objecten gebeurt het omgekeerde: hoe duurder, hoe groter de belangstelling. Dat gebeurt regelmatig met aandelen, maar ook met onroerend goed.

Zo stegen de Amerikaanse huizenprijzen, gecorrigeerd voor inflatie, tussen 1997 en 2006 met 85 procent. Juist doordat woningen steeds meer waard werden, konden steeds grotere, meer risicovolle groepen een nieuwe hypotheek afsluiten. Veelzeggend is het motto van Washington Mutual, dat later zou omvallen: ‘The Power of Yes’. Geen klant hoefde bang te zijn om afgewezen te worden. Ook wie geen vast inkomen had, kon puur op basis van de te verwachten overwaarde een lening afsluiten voor een huis.

We zouden beter moeten weten. De historische voorbeelden van nieuwe-tijdperken-die-nooit-kwamen liggen voor het oprapen

Langzaam kan zo, in een derde fase, een cultuur van euforie ontstaan. Steeds grotere delen van de samenleving raken in de ban, daartoe aangemoedigd door de massamedia. In de boekwinkels verschijnen bestsellers die snelle rijkdom in tien stappen beloven. Tijdens de aandelenhausse kwamen er televisiezenders die uitsluitend financieel-economisch nieuws brachten. De gedragseconoom en Nobelprijswinnaar Robert Shiller heeft opgemerkt dat er een opmerkelijke correlatie bestaat tussen de populariteit van aandelen en gokken. Commercieel gokken nam tussen 1962 en 2000 een enorme vlucht in de VS. Tegenwoordig waagt de overgrote meerderheid van de Amerikanen wel eens een gokje. Het bedrag dat ze hierbij verliezen, was in 2000 meer dan ze in totaal uitgaven aan muziek, pretparken, bioscoopkaartjes, computergames en sportwedstrijden. Wat dat zegt? Misschien, denkt Shiller, stimuleert gokken het gevoel dat jij meer geluk hebt dan anderen. Dat jij het beter zult doen dan de rest. En als iemand eenmaal zijn geluk heeft geproefd in het casino, waarom dan ook niet op de beurs?

Wat in Amerika gebeurde, voltrok zich op kleinere schaal ook in Nederland. Voortaan eindigde het journaal, naast het traditionele weerbericht, met het beursnieuws. De beleggingsclubjes schoten als paddenstoelen uit de grond. Beleggingsgoeroes spraken volle zalen toe.

Het is ook in deze fase dat de economische extase kan overslaan op de populaire cultuur. De euforie op de beurzen vond in de laatste jaren voor het nieuwe millennium zijn parallel in de nachtenlange houseparty’s met stampende beats, xtc en speed. Alles draaide om het ‘nu’. Het verleden, de toekomst: gezeur. Dit was waar het gebeurde, waar het feest was – een roes waar geen einde aan leek te kunnen komen.

Uiteraard was er ook een verstandiger klinkend verhaal nodig om alle enthousiasme te verklaren. Dat was de ‘triomf van de nieuwe economie’, waar Business Week in 1996 voor het eerst over schreef. In Foreign Affairs ging het een paar jaar later zelfs over ‘het einde van de conjunctuur’. Natuurlijk nam niet iedereen zulke verhalen voor waar aan. Robert Shiller concludeert op basis van enquêtes onder grote beleggers dat zij wel degelijk beseften dat er een bubbel was. Maar dat is nog iets anders dan er voortijdig uit stappen, en zo mogelijk forse koerswinsten mislopen. ‘Zolang de muziek doorspeelt, moet je opstaan en dansen’, verklaarde een voormalige ceo van Citibank die houding in de aanloop naar de kredietcrisis. In plaats van een geloofsartikel, zo schreef Shiller in zijn boek Irrational Exuberance, dienen de verhalen over een nieuw tijdperk dan ook vaak als rechtvaardiging achteraf. Mensen kopen aandelen, of een huis. Vervolgens gebruiken ze de juichverhalen om die keuzes te rechtvaardigen.

Toch zouden we beter moeten weten. De historische voorbeelden van nieuwe-tijdperken-die-nooit-kwamen liggen voor het oprapen. Vlak voor het uitbreken van de Grote Depressie in 1929 stelde de beroemde econoom Irving Fisher vol zelfvertrouwen dat de aandelenkoersen ‘een permanent hoog plateau’ bereikt hadden. Het kostte hem zijn fortuin en zijn reputatie. Zelfs na het uiteenspatten van de dotcom-bubbel, in 2004, durfde de latere Fed-president Ben Bernanke het nog aan de komst van een nieuwe tijd te verkondigen. ‘The Great Moderation’, zo noemde hij het nieuwe, stabielere tijdperk. Dat hield uiteindelijk nog geen vier jaar stand.

Medium groene euforie 2

Het lijkt de ideale crisisdetector. Zodra je iemand hoort beweren dat een economische boom voor altijd zal duren, weet je dat je je snel uit de voeten moet maken. Achteraf klinkt het zo ontzettend onnozel. Maurice de Hond met zijn ‘Newconomy’, de omhooggestoken duimen van ‘Nina World Online Brink’. Wie trapt daar nou in? Je wil het ze toeschreeuwen, al die mensen die ook nu weer denken dat we een stralende toekomst tegemoet gaan. Hou op! Word nuchter!

En toch is het niet alleen dommigheid en gevaar. Onze economische vergeetachtigheid dient een hoger doel. Je kunt je namelijk afvragen of het kapitalisme wel kan functioneren als de mens zou leren van zijn fouten. Wat zou er gebeuren als wij voortaan emotieloos door het economische leven zouden gaan, voortdurend op onze hoede voor misstappen?

Volgens Joseph Schumpeter (1883-1950) was het antwoord: bar weinig. Deze Oostenrijkse econoom publiceerde, na een kort financieel adviseurschap voor een Egyptische prinses, op zijn 27ste zijn eerste economisch baanbrekende werk. Daarin stelde hij zich de vraag waar economische dynamiek vandaan komt. Wat zorgt ervoor dat het kapitalisme nooit gezapig voortkabbelt, maar voortdurend alles omwoelt, verhoudingen op z’n kop zet, kortom – om met Marx te spreken – ‘alles wat vaststaat, doet verdampen’?

Schumpeter was een markante persoonlijkheid. Hij werd geboren in 1883 in het Habsburgse Rijk en bezocht een aristocratische school. De rest van zijn leven zou hij demonstratief blijk geven van die opvoeding. Op faculteitsvergaderingen verscheen hij tot ontzetting van collega’s soms in ruiterkledij. Toch was het volgens hem niet zijn geliefde aristocratie waarop onze economie dreef. In de klassenstrijd geloofde hij evenmin. Het was een selfmade man die dit systeem zijn dynamiek gaf. Hij noemde dit menstype met een ouderwets woord ‘de entrepreneur’.

‘Als het spontane optimisme het laat afweten, zal het ondernemerschap vervagen en sterven’

Entrepreneurs, dat zijn de praktische geesten die altijd als eerste de mogelijkheden zien die nieuwe technologie biedt. Om zich er direct vol enthousiasme op te storten. Wat hen drijft? Ten eerste, aldus Schumpeter, ‘is er de droom en de wil om een privaat koninkrijk te stichten’. Ten tweede een drang tot ‘verovering’, en ten derde ‘het plezier van iets creëren, van dingen gedaan krijgen’. Over de zucht naar winst had Schumpeter het – ten onrechte – minder vaak. Zijn entrepreneurs lijken eerder een soort nobele ridders.

Dankzij hun rusteloze hang naar innovatie staat de economie nooit stil. De entrepreneur zal namelijk al snel navolging krijgen van een euforische ‘zwerm’ van na-apers en investeerders. Allemaal hopen zij een graantje mee te pikken. Zo ondergaat de economie een transformatie. Maar daarmee verdwijnt ook de mogelijkheid om grote winsten te behalen. Het optimisme, en daarmee de ondernemersgeest, ebt weg. Dit proces gaat gepaard met forse schokken. Schumpeter sprak zelf van ‘creatieve destructie’ – een term die sterk doet denken aan het tegenwoordig zo modieuze ‘disruptie’.

In zijn wereldbeeld wisselden blind optimisme en diepe depressies elkaar af. Maar die labiliteit heeft een functie. Zonder het rusteloze streven van de entrepreneurs zou het kapitalisme zich nooit zo snel hebben kunnen ontwikkelen. Ooit stortten zij zich massaal op de stoommachine, nu zijn het robots en slimme apps die voor torenhoge verwachten en dito investeringen zorgen. Je kunt je zelfs afvragen of Nederland zonder tulpenmanie ooit het mondiale centrum van de bloemenhandel had kunnen worden. We hebben er misschien wel de kleurige bollenvelden in de lente aan te danken.

Het enorme belang dat Schumpeter de entrepreneurs toedichtte, lijkt meer romantiek dan nuchtere analyse. Inmiddels weten we bijvoorbeeld dat overheden een veel belangrijkere rol spelen bij fundamentele innovatie. Maar om de emotionele ups en downs van de wereldeconomie te begrijpen, is zijn theorie nuttig. In de hogere regionen van ons bedrijfsleven blijken optimisten daadwerkelijk zwaar oververtegenwoordigd te zijn. In de woorden van psycholoog en Nobelprijswinnaar Daniel Kahneman: ‘de mensen met de grootste invloed op het leven van anderen zijn vaak optimistisch en te zelfverzekerd, en nemen meer risico’s dan ze beseffen’.

Dat brengt grote gevaren met zich mee. Maar het is, zoals gezegd, hoe het kapitalisme functioneert. Zouden ondernemers zuiver rationeel handelen, dan was er weinig bedrijvigheid. Slechts een derde van de kleine, startende bedrijven in de Verenigde Staten houdt het vijf jaar vol. Toch geloven deze mensen stuk voor stuk dat die vuistregel voor hén niet opgaat. In een onderzoek hiernaar schatten twee op de drie ondernemers hun kans op falen in als ‘nihil’. Hetzelfde geldt voor Nederland, waar de startup-sector floreert. Naar schatting groeit slechts één op de tien uit tot een volwaardig bedrijf. Toch werden er alleen al in 2014 liefst honderdvijftigduizend nieuwe bedrijfjes ingeschreven bij de Kamer van Koophandel.

Met gezond verstand heeft dat weinig te maken. Met blind optimisme des te meer. Maar is het daarom dom? Niet volgens economen als Schumpeter, Hyman Minsky of John Maynard Keynes. Die laatste merkte in zijn The General Theory of Employment, Interest and Money op dat ‘als de menselijke natuur nooit de verleiding voelde om een risico te nemen, als zij geen bevrediging (afgezien van winst) haalde uit het bouwen van een fabriek, een spoorweg, een mijn of een boerderij, dan zou er enkel op basis van koele calculatie niet veel geïnvesteerd worden’.

Onze kapitalistische economie, aldus nog steeds Keynes, is ‘slechts net iets meer gebaseerd op een precieze berekening van de voordelen die komen gaan dan een expeditie naar de Zuidpool. Als de animal spirits getemperd worden en het spontane optimisme het laat afweten, waardoor we op niets anders meer kunnen bouwen dan mathematische verwachting, zal het ondernemerschap vervagen en sterven.’

Zonder euforie gaat er weinig. Wat zegt dat over de toestand van de Nederlandse economie? Gaat het nou beter, of blijft het aanmodderen? Feit is dat bedrijven en consumenten, hoewel ze nog bijna even diep in de schulden zitten als voor de crisis, positiever gestemd zijn. Heel langzaam vervaagt de herinnering aan de crisis. Banken durven steeds openlijker te klagen over de in hun ogen overdreven regelgeving. Toezichthouders nemen gas terug. Op Europees niveau wordt gewerkt aan een comeback van de omstreden ‘securitisaties’, het herverpakken en doorverkopen van schulden. In de Verenigde Staten zijn de rommelhypotheken – leningen verstrekt aan huishoudens zonder noemenswaardig inkomen of vermogen – zelfs al lang terug. Alleen de naam is anders: in plaats van ‘subprime’ wordt deze keer sussend gesproken van ‘nonprime’-hypotheken.

Er is vooralsnog één cruciaal verschil met eerdere golven van optimisme. Anders dan tijdens de dotcom- en de huizenbubbel spat de scepsis nog altijd van het publieke debat af. Er heerst twijfel over de duurzaamheid van het Nederlandse herstel, over de gevolgen die de Chinese crisis zal hebben voor de wereldeconomie en over de hevig fluctuerende financiële markten. Van blinde euforie is vooralsnog geen sprake.

Dat is zowel goed als slecht nieuws. Om met het goede te beginnen: voordat we opnieuw met z’n allen in een financieel-economisch sprookje tuinen, moet er nog heel wat gebeuren.

En het slechte nieuws? Dat heeft alles met die vermaledijde ‘animal spirits’ te maken. Zolang van onbezonnen euforie geen sprake is, kun je er zeker van zijn dat het definitieve herstel nog niet in aantocht is.