Film

Hoogstandje

FILM Ratatouille

Een rat. Een film over een rat. Maar er speelt veel méér dan dat in Ratatouille. Als er ooit een schoolvoorbeeld was van het subversieve instinct van de Amerikaanse populaire cultuur, die inmiddels aan de hele wereld toebehoort, dan is deze nieuwe film van Disney en Pixar dat wel: een rat genaamd Remy ontworstelt zich aan zijn weerzinwekkende wortels tussen het afval in de rioolpijpen van Parijs om ’s werelds beste chef-kok te worden, niet een schepper van haute cuisine welteverstaan, maar van ratatouille, van eenvoudig eten, eten van én voor het volk. Daar kijkt de hoeder van hoge cultuur in de film, de snobistische culinaire criticus Anton Ego, met de stem van Peter O’Toole, van op. En prompt bedankt hij voor zijn chique, intellectualistische baan om zich compleet met Franse baret op het hoofd te goed te doen aan al het heerlijks wat de ‘platvloerse’ rattenkolonie, familie van Remy, te bieden heeft.

Regisseur Brad Bird, die eerder het verrukkelijke The Incredibles (2004) en het nog betere The Iron Giant (1999) maakte, overtreft zichzelf met Ratatouille. De reden hiervoor is niet alleen de gelaagdheid van de politieke en ideologische thematiek, maar vooral het feit dat Bird erin slaagt de kijker nauw bij de perikelen van de hoofdpersonages (een rat!) te betrekken. Gedurende iedere minuut van de film gééf je om Remy, Linguini en Collette, de laatste twee echte mensen, koks in de keuken van het Parijse restaurant waar Remy stiekem aan het koken slaat. En voor je het weet ben je weg, volledig opgeslokt door een verhaal over een rat.

Ratatouille voelt nauwelijks als een animatiefilm, zo goed is de animatie. Anders dan de grote inschrijvingen in deze vorm van cinematografie, bijvoorbeeld de klassieker Snow White and The Seven Dwarfs (1937) van Walt Disney of de Japanse anime van Hayao Miyazaki, gaat het in het geval van Ratatouille niet om extreme visuele vervreemding teneinde vorm te geven aan fantastische werelden. Eerder is het Brad Bird en de animatoren van Pixar te doen om het scheppen van een verhoogde, meer intense verhaalwerkelijkheid, bijna vergelijkbaar met het realisme van Hergé. Net als in de Kuifje-verhalen is de Parijse wereld van Remy en de anderen herkenbaar, maar tegelijkertijd zodanig vervormd dat je je als kijker gemakkelijk kunt laten meevoeren in de irrationele avonturen die de personages beleven.

Maar nooit staat er niets op het spel in Ratatouille; geen moment dansen er ‘guitige figuurtjes’ door het beeld zoals in de meeste andere hedendaagse tekenfilms. Aan alles is integriteit af te lezen, zelfs aan de cameravoering, die elegant en betekenisvol is als in een Hitchcock of een Welles. In een ongelooflijke scène volgt de camera Remy in één vloeiende beweging als hij door een riooldoolhof rent, voorbij allerlei gevaren (een muizenval!) en scènes van menselijke lelijkheid (een poging tot moord, gevolgd door een kus) om uiteindelijk op een locatie uit te komen die hij noch de kijker voor mogelijk kon houden, maar die de vertelling wel op een prachtige manier vooruit brengt. Het is de vraag welke andere cineast tot een soortgelijke, gedurfde stijlfiguur in staat zou zijn.

Dat een getekende film in zo’n cinematografisch hoogstandje als Ratatouille resulteert, laat zien dat regisseur Bird, zoals ook de recensent van The New York Times opmerkt, wars is van lege, oppervlakkige populaire cultuur. Al Birds films leveren het bewijs dat populaire werken, in het bijzonder de tekenfilm, complexe en relevante betekenissen kunnen hebben, sterker, dat ze die dienen te hebben. Of dat tegenwoordig steeds meer het geval is, zal tevens in de komende weken blijken, wanneer twee andere tekenfilms in de bioscoop komen: Tales from Earthsea en The Simpsons, waarover later meer op deze pagina’s.

Te zien vanaf 1 augustus