‘Het wezen van de olifant’, Toon Tellegen

Hoogtevrees

Ik ben dus de olifant van Toon Tellegen, maar ik probeer dat steeds vaker niet te zijn. Ik probeer er van af te komen. Dus als u me ziet, beste krekel of mier, kijk dan niet vreemd op dat ik net doe of ik hem niet ben. Ik ben de echte Tellegen-olifant dus niet, dat is mijn broer, mijn neef, of de eigenaar van het café om de hoek. Ik hou helemaal niet van vertes en ik dans nooit. Ik klom vroeger wel in bomen, dat is waar, maar dat was omdat ik mezelf van hoogtevrees wilde bevrijden. Daar hoeft u niets achter te zoeken. Aandringen heeft geen zin, ik ben hem niet. Niet meer.

Ook als ik net uit de boom gevallen ben en mijn kleding in orde breng, zeg ik tegenwoordig tegen het toegestroomde publiek dat ik de olifant niet ben. Het is puur toeval dat u mij hier treft en de builen op mijn hoofd zijn me toegebracht door de echte Tellegen-olifant, mijn zwager, zeg ik, de achterbuurman, of mijn vroegere leraar wiskunde. Hij viel net uit de boom boven op me en is nu op weg naar huis. Ik sta hier alleen bij te komen van de schrik. Ik heb een hekel aan de echte olifant, zeg ik dan, terwijl ik bladeren en boomschors uit mijn oren pulk. Ik ken hem wel, dat is waar. Dat verlangen van hem naar vertes is een dubieus soort verlangen waar ik gelukkig van ben genezen. Hij is een doortrapte leugenaar en een oplichter. Ik ben heel anders, ik wil helemaal geen vertes. Begrijpt u me? Maar ik moet nu naar mijn werk.

Ook al ben ik halverwege in de boom aanbeland, ik schreeuw naar beneden, terwijl alle dieren zwijgend toekijken, dat ik de olifant niet ben. Ik ben de olifant niet, schreeuw ik, terwijl ik langzaam omhoog klim en takken en bladeren naar beneden vallen. Dat is een andere, een veel gemenere olifant dan ik. U vergist zich, u laat zich een rad voor ogen draaien. Ik ben hem niet. Gaat u liever naar huis, de echte Tellegen-olifant is net nog bij u in de buurt aangetroffen.