Hoop in paarse dagen

Ruim een eeuw geleden richtte Willem Vliegen met twaalf getrouwen de sociaal-democratische beweging op. Maar de hoop die zij daarmee in het leven riepen, hield lang niet altijd stand tegen wanhoop en cynisme. De zelfmoorden van Klaus Mann en Kurt Cobain zijn tekens aan de wand.

DE TWAALF SOCIALISTEN die honderdeen jaar geleden het manifest van Vliegen ondertekenden en daarmee de grondslag legden voor de sociaal-democratie in Nederland, kozen voor de hoop. Voordien was de beweging gekenmerkt door utopisme, door anarchisme en door een flirt met de revolutie. Dat is geen hoop, maar ongeloof: ongeloof in de mogelijkheid dat het systeem van binnenuit hervormd kan worden. De revolutionair en de anarchist hebben die hoop verloren. Zij voeren de strijd niet binnen het systeem, maar daartegen. Zij stappen eruit, vluchten in een utopie en kiezen daarmee voor de wanhoop, want zij zijn gedoemd om hetzij te falen, hetzij ooit net zulke vuile handen te maken als degenen die zij bestrijden.
De keuze van de sociaal-democraten is beloond. Hun hoop werd werkelijkheid. Het werken binnen de bestaande sociale orde, gebruik makend van de democratische instrumenten van de staat, maakte een einde aan uitbuiting en bracht sociale zekerheid en een redelijke inkomensverdeling. De marges waren smal, maar de grenzen konden worden verlegd. Het ging langzaam, met kleine stappen, maar gestadig en in de goede richting. Het ging zo goed, dat men honderd jaar later de vraag opwerpt of de sociaal- democratische beweging niet beter kan worden opgeheven. De emancipatie van de arbeidersklasse is voltooid, hoop op een betere toekomst is niet meer nodig. Het heden is goed genoeg. Een eeuw is lang genoeg.
Het is een onzinnige stelling. Als de sociaal-democratie geen toekomst heeft, dan is dat aan haar zelf te wijten en niet omdat het allemaal niet meer nodig is. Er is nog net zoveel armoede, ongelijkheid en onrecht in de wereld als honderd jaar geleden. In Nederland gaat het beter dan toen, inderdaad. Maar sinds wanneer is de sociaal-democratie een louter nationale beweging? Trouwens, er is geen reden tot zelfgenoegzaamheid: ook in ons land neemt de sociale ongelijkheid weer toe en dreigen velen door de bodem te zakken van wat ooit een behoorlijk bestaanspeil was. Ook bij ons worden sommige mensen gezien als dingen, als een kostenpost, in plaats van als individuen van onschatbare waarde. Ook in ons land zijn er mensen die ’s nachts niet kunnen slapen omdat zij bang zijn opgemerkt en buitengesloten te worden, mensen die zich behandeld voelen als onkruid, als lid van een onderklasse die er eigenlijk niet zou mogen zijn en waarvan het bestaan daarom maar wordt ontkend. Die mensen worden niet in de samenleving geintegreerd maar genegeerd en geweerd. Er is voor sociaal- democraten nog veel werk aan de winkel, ook in eigen land.
VIJFTIG JAAR NA de keuze die Vliegen en de zijnen hadden gemaakt - de keuze om te werken binnen het systeem - koos de sociaal-democratische beweging in Nederland opnieuw. Het was de keuze voor de doorbraak. Sedertdien is de Nederlandse sociaal-democratie geen verzuilde klassepartij meer, maar een beweging van alle klassen en alle gezindten, met een idee voor de samenleving als geheel: een eerlijke verdeling van inkomen, kennis, macht, arbeid en milieu. En dat voor iedereen: mensen van nu en mensen die nog geboren moeten worden, Nederlanders en vreemdelingen, autochtoon en allochtoon, blank en zwart. Voor iedereen, en dus voor anderen net zoveel kansen en zekerheden scheppen als voor ons zelf, net zoveel welvaart, net zoveel vrijheid, net zoveel levenskansen, waar zij ook wonen, welke huidskleur, nationaliteit, afkomst of geloof zij ook hebben. Dat is de hoop die sociaal-democraten horen waar te maken.
Hoop is de geestkracht van de samenleving. Waar de hoop vervliegt, bijvoorbeeld wanneer zij wordt verloochend, sterft de samenleving af. Hoop doet leven. Wanhoop doodt.
Vijftig jaar geleden werd het fascisme overwonnen. De hoop brak door, maar de teleurstelling kwam snel. Nog geen vijf jaar later, in 1949, citeerde Klaus Mann een jonge student die protesteerde tegen het verraad van de hoop: de gedwongen keuze tussen twee systemen liet hem, zo zei hij, geen enkele ruimte voor intellectuele integriteit en onafhankelijkheid: ‘We worden gedwongen partij te kiezen en daardoor alles te verraden wat we zouden moeten verdedigen en koesteren. (…) Er zou een nieuwe beweging moeten komen, de beweging van de wanhoop, de opstand van de hopelozen. In plaats van de gevestigde machten op hun gemak te stellen, in plaats van de schurkenstreken van bankdirecteuren en bureaucraten goed te praten, moeten we krachtig en ondubbelzinnig onze teleurstelling en onze afschuw laten horen.’ De student en Klaus Mann, zij zagen maar een uitweg: zelfmoord, om anderen op te schrikken uit hun lethargie: 'Woorden hebben hun betekenis, hun geldigheid verloren. Actie? Voor wie? In wiens belang? Voor welke zaak? De DOOD is mijn antwoord, ZELFMOORD mijn program.’
Het is de vertwijfeling en de wanhoop ten top. Het lijkt theatraal, maar voor Klaus Mann was het geen theater. Kort nadat hij dit schreef bracht hij zich om het leven. Net als de jongen die hij ten tonele voerde had ook hij geen hoop meer.
WAAROM BRENG IK, terugkijkend op honderd jaar sociaal-democratie, de zelfmoord van Klaus Mann in herinnering? Er is weinig reden om feest te vieren, wel om ons rekenschap te geven van honderd jaar strijd, honderd jaar beweging tussen hoop en wanhoop, tussen falen, succes en weer falen; honderd jaar vol gekoesterde illusies en verloochende idealen. De eerlijkheid gebiedt te erkennen dat wie er als rechtgeaard sociaal-democraat voor kiest om te werken binnen het bestaande systeem, het risico loopt zich in dit systeem op te sluiten en gevestigd te worden. Zo ontstaat een sociaal-democratie van gevestigde belangen, verworven door strijd, het verdedigen waard, niet alleen tegen de machthebbers van weleer, maar kennelijk ook tegen nieuwkomers, komende generaties, migranten, vreemdelingen, drop-outs, onbemiddelbaren en onaangepasten. Heeft de sociaal-democratie toekomst? Ja, mits zij zich niet nestelt in het heden. Ja, wanneer zij illusies koestert in plaats van verworvenheden.
De illusies die een vorige generatie koesterde, na 1945, kunnen vergeleken worden met die van onszelf na 1989. Na de val van de Muur gloorde de vrijheid, zoals destijds bij de val van Berlijn. Maar net als toen is voor velen de hoop snel de bodem in geslagen. De euforie van de nieuwe vrijheid maakte plaats voor de arrogantie van de markt. Oude tegenstellingen kwamen weer boven: nationalistisch, etnisch, religieus, cultureel. Naties vielen uiteen, geweld werd onbeheersbaar, de zorgvuldig opgebouwde internationale rechtsorde werd uit het lood geslagen. Overal ter wereld bleven ook sociaal-democraten het antwoord schuldig. Met overwegend sociaal-economische tegenstellingen had de beweging wel raad geweten, met culturele en nationale conflicten niet. Het schaamrood past ons dezer dagen beter dan het rood.
Net als na 1945 worden na 1989 mensen gedwongen te kiezen voor de ene of de andere groep. Je bent Hutu of Tutsi, Servier of Kroaat, christen of moslim, Europeaan of vreemdeling, autochtoon of allochtoon. Wie kiest wordt gezuiverd, wie weigert te kiezen verketterd, wie verkeerd kiest gedood.
Althans, dat gebeurt elders: in Bosnie en in Ruanda, op de Balkan en in Afrika. Het gebeurt niet bij ons. Maar toch, het gebeurt in deze wereld. De landen en de mensen die er wonen zijn niet zo ver weg. Zij maken deel uit van onze leef- en denkwereld. We zien het dagelijks op de tv, lezen erover in de krant, beseffen dat we er op de een of andere manier bij betrokken zijn. En we vragen ons af: hoe zouden we zelf reageren in zo'n situatie? Hebben we eigenlijk wel het uiterste gedaan om de wanhoop van zoveel mensen te helpen voorkomen? Hebben we het echt geprobeerd? Of hebben we ons genesteld in onze eigen veiligheid, in onze eigen verworvenheden en de ogen gesloten voor het lijden van anderen?
Toen een journalist mij in een discussie over het verlies aan humaniteit na Bosnie en Ruanda herinnerde aan de zelfgekozen dood van Klaus Mann, vond ik dat schokkend. En toen hij suggereerde dat er voor intellectuelen of sociaal- democraten thans even weinig hoop overblijft als voor Klaus Mann destijds, vond ik dat ongepast. Er zat een impliciet verwijt in die suggestie: het verwijt van hypocrisie. Maar toch, sociaal-democraten die niet aan de rand willen blijven toekijken maar binnen het systeem willen werken aan de verwezenlijking van een humane samenleving, kunnen er niet omheen. Wie niet hypocriet wil zijn, noch cynisch, maar ook geen utopist, zal toch een poging moeten doen om op een geloofwaardige wijze aan te geven waarom het nog steeds verantwoord is te hopen en in de toekomst te geloven. Zo iemand zal moeten vertellen wat hij of zij eraan doet om dat waar te maken.
OVERIGENS, SCHOKKENDER dan het stellen van de vraag naar iemands programma is het niet stellen van die vraag. Aldus het verwijt van Yves Simon, een van de kinderen van mei '68: 'Wij hadden mooie idealen, al liepen ze allemaal stuk. Maar jullie zijn cynisch. Jullie hebben zelfs geen idealen.’ Dat is, zo zegt hij, de kwaal van het huidige fin de siecle: 'het verstoken zijn van hemel en hel, het niet meer kunnen hebben van dromen, het met de rug naar de toekomst staan en zich niet op het verleden kunnen beroepen’. Dat niet-meer-kunnen-hopen leidt tot verlies aan illusies, gevoelloosheid, cynisme, 'de aids van de droom’, die mensen hun weerstand doet verliezen.
Rob van Erkelens, Ronald Giphart en Joris Moens van de zogeheten 'Generatie Nix’ hebben dat cynisme vorig jaar verwoord in een NRC-artikel waarin zij de hypocrisie doorprikken van onze idealen van weleer: 'Wij zijn opgegroeid in de jaren zeventig die duidelijk hun sporen hebben nagelaten. Illusies zijn we nooit kwijtgeraakt, omdat we ze nooit hebben gehad. Bedreigd hebben we ons nooit gevoeld, waardoor we de noodzaak ons te verzetten niet kennen. Zoals Sinterklaas al vroeg werd ontmaskerd zo zagen we ook de maatschappelijke idealen van onze ouders vervliegen in de no nonsense-wind van de jaren tachtig. Het gevolg was dat zaken die wij in onze jeugdige bleuheid ondanks alles hyperserieus namen (kruisraketten, werkloosheid, vrouwenstrijd, milieu) van niet meer dan tijdelijk belang bleken, en vooral nogal gratuit werden gebruikt door politieke partijen en andere reclamebureau’s. Hierdoor leggen we tegenwoordig enig cynisme aan de dag. We hebben onszelf aangeleerd om maatschappelijke waarheden bliksemsnel te beoordelen en eventueel net zo snel weer te verruilen, desnoods voor hun tegendeel. Vanaf onze geboorte is de waarheid niet kenbaar geweest, en van dit besef zijn we doordrongen en doordrongen en doordrongen. Wij zijn volledig postmodern, en zo leuk is dat helemaal niet.’
Wanneer de idealen van de sociaal- democratie vluchtig blijken, of gratuit, of wanneer we ze kennelijk alleen van toepassing verklaren op onszelf, waarbij we anderen uitsluiten, geeft de sociaal- democratie zelf aanleiding tot vervreemding. Dan krijgt de sociaal- democratie een koekje van eigen deeg en ontstaat er, in de woorden van Joseph Brodsky, 'een nieuw type mens, een nieuw soort antropologische afwijking, een type mens dat nergens meer in gelooft’.
Ik vond dit citaat van Brodsky in een artikel in het blad Millennium, in Joris Abelings 'Pleidooi tegen de Nederlandse onverschilligheidstolerantie’. Joseph Brodsky’s nihilistische, illusieloze mens, zo zegt Abeling, loopt niet alleen in Oost-Europa rond, als produkt van de ineenstorting van een niet meer geloofwaardig systeem aldaar. Nee, ook het Westen is vol van mensen die nergens meer in geloven. Al die constateringen en verwijten, van Simon, van Erkelens en de zijnen, van Brodsky en van Abeling, kan de sociaal- democratie zich aanrekenen. De hoop is niet overgebracht en zeker niet waargemaakt. Nu de westerse samenleving gekenmerkt wordt door het naast elkaar bestaan van talloze verschillende culturen en subculturen en door steeds meer twijfel en onzekerheid, is er een gemeenschappelijk kenmerk: het totale gebrek aan illusies, de afwezigheid van de passie. En zo leuk is dat helemaal niet.
Vorig jaar waren velen geschokt door de zelfmoord van Kurt Cobain, de zanger van Nirvana. Hij had in zijn songs pretenties doorgeprikt en het illusieloze individualisme blootgelegd: 'I am my own parasite, I don’t need a host to live’, en: 'If you ever need anything, please don’t hesitate to ask someone else first.’ Het werd als echt ervaren, maar zelfs die echtheid bleek een illusie. Hij maakte er een eind aan, want hij was als de dood zo bang om voor hypocriet te worden versleten. 'Ik kan jullie niet langer voor de gek houden’, schreef hij in zijn afscheidsbrief. 'Dat zou niet eerlijk zijn, niet tegenover jullie, niet tegenover mezelf. (…) Ik voel geen passie meer, en bedenk: het is beter jezelf op te blazen dan langzaam weg te kwijnen.’
Die laatste zinsnede is een citaat van Neil Young: 'It is better to burn out than to fade away.’ Het had een motto kunnen zijn bij het eeuwfeest van de sociaal-democratie: ga alleen door als je zeker weet dat er hoop is, als je zeker weet dat het allemaal echt is, als je nog passie op kunt brengen.
HEEFT DE SOCIAAL-DEMOCRATIE nog toekomst in een tijd van illusieloosheid en cynisme? Kunnen we voldoende hoop bieden in een wereld waarin het menselijk tekort zo ongenadig toeslaat? Dat hangt van onze passie af. Dat hangt af van de bereidheid om partij te kiezen. Partij kiezen is onontkoombaar. Aan de kant staan is geen optie. Wie niet kiest maar uitstelt, wie negeert, het aan anderen overlaat, alleen aan zichzelf denkt, staat aan de verkeerde kant. Het gaat per slot van rekening om de toekomst, en die is aan ons.
Maar dat is eigenlijk nog te gemakkelijk gezegd. Want de toekomst is slechts dan binnen bereik, wanneer partij wordt gekozen in het heden. Dat vraagt om meer dan hoop en passie. Het is ook een kwestie van weten voor wie men partij kiest en waarom. Dat kan niet op basis van intuitie alleen, maar vraagt ook om visie, om een bezinning op de ideologie.
Die bezinning vindt plaats. Soms impliciet, bijvoorbeeld bij een pragmatische keuze voor een middenpositie in het politieke spectrum. Soms expliciet, in de veronderstelling dat de oude tegenstellingen zijn overwonnen door de technologische en economische ontwikkeling, die een geheel andere maatschappij heeft doen ontstaan dan vijftig of honderd jaar geleden. Zo'n bezinning kan leiden tot een postmoderne kijk op de samenleving, tot een neorealistische aanpak van de problemen en tot de roep om een nieuwe politieke doorbraak, nu in een neoliberale richting. Velen kiezen om die reden voor paars.
Maar de constatering dat oude tegenstellingen grondig zijn gewijzigd, houdt niet in dat er geen tegenstellingen meer bestaan. Integendeel. Tegenwoordig zijn de economische tegenstellingen groter en moeilijker overbrugbaar dan honderd jaar geleden. Het verschijnsel van uitbuiting op de markt maakt plaats voor dat van de uitsluiting van de markt, en vervolgens van de samenleving zelf. Wie uitgesloten wordt beschikt over minder mogelijkheden om de eigen situatie te veranderen dan wie wordt uitgebuit, en heeft dus minder hoop. Dat is een reden waarom de maatschappelijke tegenstellingen groter en complexer zijn dan voorheen. De tweede reden is dat naast economische tegenstellingen nieuwe en hernieuwde culturele tegenstellingen oprijzen: etnische, religieuze en nationale. Zij lopen dwars door de oude economische tegenstellingen heen en hebben de neiging de nieuwe te verscherpen. Dat is een gemeenschappelijk kenmerk van Centraal-Afrika, Algerije, de Balkan, de Kaukasus, het Midden-Oosten en Zuid-Azie, hoezeer deze gebieden verder ook onderling verschillen. Het lijkt ver weg, maar het schampt niet langs de grenzen van West-Europa af.
Hierop heeft de sociaal-democratie geen antwoord. Haar maatschappijvisie is economisch, niet cultureel. Daarom schiet zij meer en meer tekort in het onderkennen van maatschappelijke processen die door andere dan sociaal- economische drijfveren worden gevoed. Bovendien, de sociaal-democratie heeft vooral oog voor de economische en politieke ongelijkheid binnen de natiestaat. Het antwoord daarop is altijd gezocht in de opbouw van publieke instellingen, sociale zekerheid en onderwijs, alsmede in emancipatie en in democratisering van de besluitvorming binnen het systeem. Dat is redelijk gelukt, maar degenen die van dat systeem worden uitgesloten hebben daar weinig aan.
De complexe nieuwe tegenstellingen roepen gevoelens op van machteloosheid en isolationisme. Een tekortschietende visie op die tegenstellingen, zeker wanneer het de sociaal-democratie betreft - zij heeft immers andere pretenties - kan slechts aanleiding geven tot het afbreken van illusies, tot cynisme en het verwijt van hypocrisie. De sociaal-democratie in Nederland is thans in verwarring, op zoek naar zichzelf.
Honderd jaar na het manifest van Vliegen vond een nieuwe, kleine 'doorbraak’ plaats: de keuze voor politieke samenwerking met conservatieve en veranderingsgezinde liberalen. Die keuze was mogelijk omdat oude politieke scheidslijnen tussen links en rechts waren vervaagd. Wat mij betreft vloeide die keuze vooral voort uit de wens om op een andere manier politiek te bedrijven: niet versteend in technocratische arrogantie of bureaucratische vanzelfsprekendheid, niet regentesk, maar open. Dat was geen ideologische maar een politieke keuze, om ruimte te maken voor processen in de samenleving zelf, in plaats van telkens opnieuw een regentesk machtswoord te doen klinken. Die ruimte vraagt niet zozeer om daadkracht, maar om visie, om te weten voor wie partij moet worden gekozen en hoe.
Of de sociaal-democratische beweging in ons land daartoe binnen de paarse coalitie in staat zal zijn, moet nog blijken. De wijze waarop het akkoord tot stand kwam was ouderwets, maar daarna lijkt de verstarring van meer dan tien jaar no nonsense-politiek verdwenen. Het cynisme nog lang niet. Daarvoor is meer nodig dan het creeren van een nieuwe vorm.
Hoop, visie en passie, daar is het honderd jaar geleden mee begonnen. Zonder hoop geen toekomst. Zonder visie geen richting. Zonder passie heeft het geen zin.
Deze tekst is een bewerkte en uitgebreide versie van de voordracht die de auteur vorig jaar hield op een bijeenkomst ter gelegenheid van 'Honderd jaar sociaal-democratie in Nederland, 1894-1895’.