Hoop op beter leven

JOOSJE LAKMAKER
VOORBIJ DE BLAUWBRUG: HET VERHAAL VAN MIJN JOODSE GROOTVADER
Wereldbibliotheek, 319 blz., € 19,90

Achter in Voorbij de Blauwbrug, Joosje Lakmakers biografie van haar grootvader, is een foto afgebeeld van tien jonge mensen en een klein jongetje, bijeen in het Amsterdamse Oosterpark, ter gelegenheid van een huwelijk, in 1913. Het groepje twintigers staat er zelfbewust op – de mannen dragen nette maar geen stijve pakken en een deel van de vrouwen is gekleed in artistieke reformjurken. De bruid draagt zo te zien een donkere, fluwelen jurk met een ronde hals en een koord als ceintuur. Rechtsonder zit Leman Lakmaker, Joosje Lakmakers grootvader. Met zijn sik, snorretje en ernstige blik lijkt hij op Leon Trotski. Het jongetje naast hem is zijn oudste zoontje Bert; zijn vrouw Fie Lakmaker-Voorzanger houdt het kindje vast. De andere mensen zijn hun vrienden en, belangrijker nog, hun zielsverwanten. Een deel van hen was, net als Leman, geboren in de Amsterdamse Jodenbuurt, het gedeelte van de stad dat achter de Blauwbrug lag – tegenwoordig de buurt rond de Stopera. Daar woonden vooral veel diamantslijpers en arbeiders die ondersteunend werk deden, zoals het schuren van de slijpstenen. De vader van Leman, Gerrit Lakmaker, werkte er als schijvenschuurder en als briljantversteller, tenminste, als er werk was. Was dat er niet, dan zocht hij werk als sjouwer, of ventte hij met snoep. En lukte ook dat niet, dan kreeg hij een paar gulden van de bijstand, waardoor hij en zijn gezin steeds net konden overleven. Dertien kinderen hadden Gerrit en Sara Lakmaker, van wie er vier vroeg overleden. Toen de buurt in de jaren twintig gesaneerd werd, verhuisden Gerrit en Sara met twee ongetrouwde dochters van een tweekamerwoning zonder eigen sanitair naar een nieuwe en ruimere woning in Amsterdam-Oost.
Aan de door de gemeente georganiseerde uittocht in de jaren twintig was een ander soort exodus voorafgegaan. Jonge volwassenen als Leman, die, gevoed door het socialisme en geholpen door idealistische schoolmeesters, dokters of politici, de buurt verlieten om een beter leven te leiden, zowel materieel als intellectueel. ‘Er siet nit weiter wie die blaubrik’, was een gezegde in de buurt: ‘Die kijkt niet verder dan de Blauwbrug.’ Daarmee werd een ‘echt gettomannetje’ bedoeld, schrijft Joosje Lakmaker, ‘een beperkte maar goede ziel’. Leman, die op zijn zestiende in de leer ging als sigarenmaker, had maar één doel voor ogen: de Blauwbrug over, en nooit meer terugkomen.
Leman Lakmaker bereikte zijn doel dankzij het socialisme. Hij werd lid van de antimilitaristische jongerenvereniging De Zaaier, opgericht door Henriëtte Roland Holst. Net als enkele broers en zussen brak hij met de religie van zijn voorouders. Als socialistische wereldburger wilde hij zich inzetten voor sociale gerechtigheid en algemene ontwikkeling. Religie, burgermansfatsoen en dogmatisme hadden geen plaats in zijn nieuwe wereld. Zijn latere vrouw ontmoette hij bij een vredesdemonstratie. Toen haar ouders vanwege Lemans breuk met de synagoge bezwaar maakten tegen een huwelijk gingen ze samenwonen, tot Fie zwanger raakte en ze wel trouwen moest. De vrienden op de foto uit 1913 hadden een vergelijkbare achtergrond en dezelfde idealen: Philip van Praag was de zoon van een diamantbewerker, Isaac Monas groeide op in de Weesperstraat en Philip Mechanicus, die de foto maakte, was de zoon van een voddenraper, en allemaal waren ze socialist. Ze zouden zich allemaal ontwikkelen in hun beroepen en in de politiek.
Wat zijn maatschappelijke carrière betreft, was Leman Lakmaker de onfortuinlijkste van de vriendengroep. Hij werkte lange tijd bij de socialistische uitgeverij De Wereldbibliotheek, tot hij zelf directeur werd van een uitgeverij. Toen hij daar na een conflict wegging, probeerde hij verschillende keren weer bij de Wereldbibliotheek aan de slag te komen, maar dat lukte niet; uit zijn brieven aan zijn oude werkgever komt hij naar voren als een drammerig heethoofd, die moeite heeft alles in de juiste perspectieven te zien.
Maar wat zijn juiste perspectieven? Joosje Lakmaker heeft het levensverhaal van haar grootvader op een voorbeeldige manier ingebed in de sociale en politieke verhoudingen van zijn tijd. Heel geleidelijk maakt ze duidelijk hoe Lemans gedram verbonden was met zijn angst ‘buiten de Blauwbrug’ niet te slagen én met zijn onverwoestbare hoop op een beter leven. Daarmee geeft ze niet alleen inzicht in veelzeggende details uit de Nederlandse vooroorlogse geschiedenis, maar bouwt ze bij de lezer steeds meer sympathie én begrip voor haar grootvader op. In een tijd waarin een minister-president de verkoop van rode tulpen op 1 mei kon verbieden, of het dragen van manchester broeken omdat die te socialistisch waren, of waarin het chique Amsterdamse restaurant Trianon openlijk joden weerde die al te duidelijk langs de sociale ladder omhoog waren geklommen, moest je wel drammen, wilde je niet in depressies vervallen. Ook de vele afsplitsingen van de sociale bewegingen in het interbellum vereisten passie en een zekere rechtlijnigheid. Vooral als je, zoals Leman Lakmaker, onafhankelijk wilde zijn van partijleiders en partijdictatuur.
Leman Lakmakers heethoofdigheid transformeerde zich na Hitlers machtsovername in pure moed. Zich niet storend aan officiële standpunten en bepalingen was hij een van de eersten die Duitse vluchtelingen in huis namen. Na de Duitse inval zorgde hij voor onderduikadressen. Hij weigerde een ster te dragen en zichzelf anders dan als een wereldburger te zien. Tegen het geweld van de nazi’s en hun handlangers waren Leman Lakmakers levensovertuiging en optimisme echter niet bestand. Als jood stierf hij, samen met zijn vrouw en oudste zoon, in 1942 in de gaskamers van Auschwitz. Hoe de vervolging Leman bijna letterlijk naar de Blauwbrug terugvoerde, maakt een van de aangrijpendste passages in Voorbij de Blauwbrug duidelijk. Op een oktoberavond in 1941 keek Leman met zijn jongste zoon vanuit hun huis naar een gevecht tussen een Brits en een Duits vliegtuig. Een van beide stortte brandend neer. Opeens begon Leman in het Hebreeuws te bidden. Zijn zoon was verbijsterd – nog nooit had hij zijn vader zien bidden. Later zou die zoon vertellen dat niet duidelijk was welk vliegtuig neerstortte, het Duitse of het Engelse, maar dat hij ervan overtuigd was dat zijn vader het gebed voor de stervenden ook had gezegd als het Duitse vliegtuig was getroffen. ‘Het was’, schrijft Joosje Lakmaker, ‘het Duitse vliegtuig, blijkt achteraf.’