Hoopvolle toekomst

IN 1985 MAAKTE Freeman J. Dyson een lijstje met de drie belangrijkste ontwikkelingen voor de volgende eeuw: genentechnologie, kunstmatige intelligentie en ruimtevaart. In 1999 is zijn visie grondig gewijzigd: op de korte termijn is ruimtevaart een ‘grap’ - kijk eens naar die ‘verbijsterde astronauten die proberen te overleven in het Mir-station’ - en robots zijn nog even dom als veertien jaar geleden. De genentechnologie mag blijven, vergezeld door Internet, waarvan bijna niemand destijds de opmars voorzag. De nieuwe nummer drie is zonne-energie, een gokje, zoals Dyson zelf toegeeft, ‘maar je kunt beter ongelijk hebben dan vaag zijn’.

Vaag is Dyson inderdaad niet, al is de opbouw van zijn boekje The Sun, the Genome and the Internet op een sympathieke manier rommelig. Hij kijkt als een nette oude heer terug op een welbesteed leven in dienst van de wetenschap; hij vertelt over zijn moeder en zijn dochter en zijn avontuurlijke tantes in het vooroorlogse Engeland - het soort terugblik dat je je kunt permitteren wanneer je een kopstuk op leeftijd bent. Dyson presenteert het boekje uitdrukkelijk niet als een theoretische verhandeling, maar als een model, dat dankzij een grotere afstand tot de praktijk meer speelruimte biedt; je kunt de technologie van de toekomst namelijk met geen mogelijkheid voorspellen.
DYSON KOESTERT een warme sympathie voor de craft industry, het degelijke handwerk, een liefde die hij onderbouwt door op de praktische voordelen te wijzen. De laatste vijftig jaar vormden een nieuw gouden tijdperk voor de makers van delicate instrumenten en in toenemende mate voor de ontwerpers van software, omdat de moderne wetenschap ervan afhankelijk is geworden.
In 1997 verscheen Image and Logic van Peter Galison, waarin hij de stelling verdedigt dat wetenschappelijke ontwikkelingen in de eerste plaats worden aangedreven door nieuwe hulpmiddelen, en niet door het ontstaan van nieuwe concepten en wereldbeelden (paradigma’s), zoals Kuhn had beweerd in het geruchtmakende The Structure of Scientific Revolutions (1962). Volgens Dyson kregen lezers ten onrechte de indruk dat de wetenschap niet meer was dan een strijd tussen conflicterende subjectieve opinies, in plaats van ‘een objectief gevecht tussen de precisie van hulpmiddelen en de dubbelzinnigheden van de natuur’. Dyson staat dichter bij Galison dan bij Kuhn, maar ook de grote paradigmaticus zelf was niet gelukkig met zijn faam en de simplificaties waaraan zijn volgelingen zich schuldig maakten; toen Dyson hem eens ontmoette en zich beklaagde over de onzin die in Kuhns naam werd geschreven, schreeuwde de Amerikaan hem geërgerd toe: 'Eén ding moet je goed begrijpen. Ik ben geen kuhniaan!’
Tal van ontdekkingen voltrokken zich toevallig, en dat vooral dankzij de toepassing van nieuwe hulpmiddelen, zoals computerprogrammatuur waarmee voorheen geestdodende en massieve berekeningen relatief snel kunnen worden uitgevoerd. Dyson vertelt het adembenemende verhaal hoe Wolszczan in 1992 de eerste planeten buiten het zonnestelsel ontdekte. Wolszczan had helemaal niet naar planeten gezocht, maar er was hem iets vreemds opgevallen aan de pulsen van een zogenaamde milliseconde pulsar, het soort sterren waaromheen astronomen nu juist geen planeten verwachtten. Aan de apparatuur die Wolszczan gebruikte lag het niet (de veertig jaar oude radiotelescoop van Arecibo, Puerto Rico), maar de software die hij toepaste was nieuw. Hij werd tijdens een lunch op Princeton nog wel door falsificatie-beluste collega’s onder vuur genomen, maar hij slaagde moeiteloos voor zijn examen.
In dure projecten gelooft Dyson niet, zoals hij al eerder in het essay 'Six Cautionary Tales for Scientists’ heeft betoogd. Prestigeprojecten verslinden geld, dat op veel efficiëntere wijze aan kleinschaliger projecten kan worden besteed. Het Apollo-programma volgde een tienjarenschema, maar het was geen voorbereiding op het betaalbare honderdjarentraject waarvan bij het systematisch koloniseren van de ruimte sprake zou moeten zijn; na de maanlandingen is de serieuze bemande ruimtevaart jarenlang vrijwel stilgevallen. Het Shuttle-project was al vóór de ramp met de Challenger in de problemen; er werden onderling strijdige wetenschappelijke en militaire doelen nagestreefd, zodat de onderneming tot mislukken gedoemd was. Het human genome-project gaat gebukt onder een deadline (2005), maar zolang het uitlezen van DNA-sequenties niet met een factor 100 of zelfs 1000 sneller kan worden uitgevoerd, hebben strakke tijdschema’s geen zin. Dyson stelt voor om alleen de belangrijkste tien procent van de genen te analyseren (negentig procent van het DNA 'doet niets’), te meer daar we weinig hebben aan het beeld van één menselijk genoom; we zouden eigenlijk de hele biosfeer in kaart moeten brengen. Continuïteit, legt Dyson met grote nadruk uit, is in de wetenschap veel belangrijker dan duur spektakel.
Dyson beschrijft het Planet-project van Penny Sackett als voorbeeld van een zinvolle low budget-onderneming. Sackett onderzoekt de zogenaamde gravitatielenzen (de zwaartekracht van onzichtbare materie buigt licht van verder gelegen objecten af, zodat detectie van bijvoorbeeld koude dode sterren en exotische stofwolken mogelijk wordt) met niet meer dan vier kleine telescopen en de onbetaalde hulp van studenten. Ze boekt haar resultaten op basis van 'lokaal enthousiasme’ en data-uitwisseling via Internet.
DYSON ZOEKT manieren waarop de technologie kan bijdragen aan een rechtvaardiger verdeling van welvaart en welzijn, zoals destijds het geval was bij de invoering van riolering, schoon drinkwater en een openbare gezondheidszorg. Dyson wil de kloof tussen arm en rijk verkleinen en de aarde beschermen. Ook de armste gebieden moeten gaan profiteren van goedkope zonne-energie (Dyson rekent voor dat collectorpanelen nu nog vijf dollar per watt kosten, waar ze pas concurrerend worden bij één dollar per watt) en van een wereldwijde toegang tot Internet, ten behoeve van educatie en handelsdoeleinden; voorkomen moet worden dat er twee nieuwe maatschappelijke kasten ontstaan, de wired en de unwired. Een groot voordeel van Internet is dat allerlei economische activiteiten niet langer aan steden gebonden zijn.
De genentechnologie, de derde drijvende kracht, wil Dyson inzetten voor het bestrijden van ziektes, het verbeteren van gewassen en zelfs voor het kweken van buitenaardse ecologieën, die het mogelijk moeten maken om in de verre toekomst koude kometen en planeten te koloniseren. Binnen enkele honderden jaren kan de mens de kometen van de Kuipergordel (voorbij de baan van Neptunus) gaan bewonen, onder andere omdat zonnewarmte wordt opgevangen met spiegels van honderd mijl in diameter, geproduceerd door - dit is geen zetfout - genetisch gemanipuleerde planten. Wordt het in de gigantische drijvende steden van de Kuipergordel te druk, dan kunnen de meest rusteloze geesten weer uitwijken naar de nog verder gelegen Oortwolk.
De reprogenetica (het genetisch verbeteren van bevruchte eicellen die worden ingeplant) gaat volgens Dyson een grotere toekomst tegemoet dan het klonen, maar hij schetst ook een gedetailleerd beeld van de gevaren ervan. We weten nu nog niet hoe we superieure genen moeten herkennen of isoleren, maar dat is een kwestie van tijd. Wanneer de rijken hun kroost wel kunnen verbeteren en de armen niet, zou een nieuwe scheiding tussen meesters en slaven kunnen ontstaan. Dyson concludeert echter dat 'openbare verontwaardiging’ daar een einde aan zou maken, net als ooit aan de slavernij. Reprogenetica zou wel kunnen leiden tot het ontstaan van verschillende menselijke rassen - het recept voor een ramp!
FREEMAN J. DYSON zij gedankt voor dit hoopvolle toekomstbeeld. Wanneer de recente alarmerende berichten over tegenvallende oliereserves op waarheid berusten, moet het denken over energie (en milieukwesties) hoognodig weer eens 'in de mode’ komen.
Je leest Dyson met instemming; té romantisch is hooguit zijn reactie op de nederlaag van Kasparov tegen het schaakprogramma Deep Blue, in mei 1997. Dyson noemt Kasparovs ondergang In een toernooi van zes wedstrijden; te weinig, volgens Dyson) een 'tragedie’, de nederlaag van een 'artiest’ tegen een machine. De interpretaties van Deep Blue’s succes vullen nu al diverse harde schijven, maar ik denk dat John Searle gelijk heeft wanneer hij er in een bespreking van Kurzweil (een Artificial Intelligence-gelovige) op wijst dat schaken wiskundig gezien oplosbaar is ('uitgeanalyseerd’, zeggen de experts) en dat de overwinning van een met 32 processoren uitgeruste brute number cruncher die 200.000.000 posities per seconde kan doorrekenen geen 'blamage voor de menselijke waardigheid’ betekent. De menselijke hersenen zijn wel tot wat beters in staat, meent ook John Horgan naar aanleiding van het schaakduel in Het einde van de wetenschap, 'zoals het op een feest herkennen van een vroeger liefje, die je vervolgens precies datgene zegt waardoor zij er spijt van krijgt dat ze je vijftien jaar geleden gedumpt heeft’.