GROEIENDE KLOOF AUTOCHTONEN-ALLOCHTONEN

Hoor de stoeltjes dichtklappen

Vorige week verscheen het Jaarverslag Integratie 2008. De recessie blijkt een tijdbom onder het integratieproces te zijn. Allochtonen zijn als eerste de dupe.

EEN AMERIKAANSE SPINDOCTOR had de timing voor de presentatie van het Jaarverslag Integratie 2008 niet kunnen verbeteren. In de week dat het nieuws gedomineerd werd door de verkiezing van Barack Obama tot de eerste zwarte president van de Verenigde Staten liet het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) met cijfers zien hoe het staat met de integratie in Nederland. Veel aandacht was er dan ook niet voor. Gaat het dan slecht met de integratie tussen autochtone en allochtone Nederlanders? Het is maar waar je naar kijkt.
Positief is dat er vergeleken met tien jaar geleden minder Marokkaanse en Turkse kinderen naar het vmbo gaan en meer naar het vwo. In de categorie Yes, we can past ook de constatering van het CBS dat het aantal wijken waarin autochtoon en allochtoon door elkaar woont, is toegenomen van tien tot twaalf procent. Daarin past ook de vaststelling dat de tweede generatie allochtonen zich meer op de Nederlandse samenleving oriënteert en steeds minder op het land waar hun ouders oorspronkelijk vandaan komen. De volwaardige deelname aan het maatschappelijke leven als doel van het integratiebeleid van dit kabinet indachtig, is het ook goed te lezen dat de werkloosheid onder niet-westerse allochtonen vergeleken met tien jaar geleden is gedaald en de arbeidsparticipatie van deze groep Nederlan–ders is gestegen. Bovendien maakt het voor hoger opgeleiden bijna geen verschil meer of ze Turkse of Groningse ouders hebben als het gaat om de kans op werk.
Maar er is ook een andere realiteit, eveneens op te maken uit de ‘koele’ cijfers van het CBS. Dat is een minder rooskleurige werkelijkheid. Eentje die zorgelijk is nu door de kredietcrisis ook Nederland afkoerst op een recessie en bedrijven al bezig zijn hun productie terug te schroeven en werknemers de laan uit te sturen, al dan niet voor korte tijd of een paar dagen per week. Want hetzelfde jaarverslag laat ook zien dat de daling van het aantal kinderen dat naar het vmbo gaat sterker is bij kinderen met autochtone ouders dan bij kinderen met niet-westerse allochtone ouders, en omgekeerd dat het aantal autochtone kinderen dat naar het vwo gaat sterker is gestegen. Oftewel, de kloof tussen hen is alleen maar groter geworden.

Om nog even de pessimistische bril op te houden: het aantal wijken waar allochtoon en autochtoon door elkaar woont, mag gestegen zijn, het aantal zogenoemde concentratiewijken is dat ook. De jeugd die in die wijken naar school gaat, heeft daar veelal geen autochtone klasgenootjes, hetgeen de ontmoeting tussen allochtoon en autochtoon bemoeilijkt. Ook hier groeit de kloof.
Achter het goede nieuws over de arbeidsparticipatie schuilen eveneens twee somber makende observaties. De participatie onder Turkse en Marokkaanse Nederlanders is weliswaar gestegen, maar ligt met zo’n achttien procentpunten verschil nog steeds ver achter bij die van autochtone Nederlanders. Zoals ook de werkloosheid onder Turkse en Marokkaanse Nederlanders met tien procent fors hoger ligt dan de vier procent onder autochtone Nederlanders. Dat daarbij de laagst opgeleiden oververtegenwoordigd zijn, zal niet verbazen.

Maar het echte venijn zit in het soort arbeidscontracten. In 2007 hadden veel meer niet-westerse allochtone Nederlanders een flex–contract dan autochtone Nederlanders. In de eerste groep gaat het om 21 procent van de werknemers, in de tweede om negen procent. Tien jaar geleden gaapte daar ook al een kloof, maar ook deze is in het afgelopen decennium alleen maar groter geworden.
Flexcontracten en het uitbesteden van werk aan uitzendkrachten zijn werkgevers gaan zien als de oplossing om gemakkelijk en snel te kunnen reageren op een veranderende vraag uit de markt. Gaat het met de economie goed, dan is het aantal flexwerkers booming, en omgekeerd, want bedrijven willen niet meer door langlopende arbeidscontracten hun bedrijf naar de verdoemenis zien gaan als het met de economie slechter gaat. In grote lijnen is het dilemma of er dan wordt gekozen voor het voortbestaan van het bedrijf of voor de rechtsbescherming van de werknemers.
Het CBS noemt de flexwerkers de klapstoeltjes op de arbeidsmarkt: ze worden uitgeklapt als de werkgevers er gebruik van willen maken en net zo gemakkelijk weer ingeklapt als ze die niet meer nodig hebben. Nu al, terwijl de recessie haar hoogtepunt nog niet heeft bereikt, is het dichtklappen van die stoeltjes te horen. Vooral Turkse en Marokkaanse Nederlanders raken er hun werk door kwijt, waardoor de werkloosheid in de concentratiewijken sneller zal oplopen dan elders. De recessie maakt zo de kloof zichtbaar én voelbaar tussen hen die als het ware gebeiteld zitten op de arbeidsmarkt en hen die er losjes bij hangen, een kloof dus tussen autochtone werknemers en allochtone werknemers, iets wat verdoezeld was geraakt toen het economisch goed ging.
De presentatie van de CBS-cijfers zou voor PVDA-minister Ella Vogelaar van Integratie een uitgelezen moment zijn geweest om juist hierover de alarmbel te luiden. Maar zij was te druk met zich te verantwoorden voor de miljoenen verslindende restauratie van een voormalig cruiseschip door een woningbouwcorporatie. Mogelijk was ze ook te bang dat deze negatieve kant van het integratiebeleid op haar zou terugslaan, terwijl ze het toch al zwaar te verduren heeft. Maar ook op de partijcongressen van CDA en D66, afgelopen weekend, was in de toespraken van de partijleiders geen aandacht voor dit aspect van de gevolgen van de kredietcrisis, terwijl het tijdens die congressen wel uitgebreid over die crisis ging.

Toen vorige maand Nederland met verbazing keek hoe het kabinet miljarden euro’s vrijmaakte voor banken en verzekeraars, werd hier en daar opgelucht verzucht dat de ‘overspannen’ integratiediscussie wel naar de achtergrond zou verdwijnen nu er zich zo’n groot en alles en iedereen rakend probleem voordeed. Ook zouden de kiezers daardoor gaan inzien dat hun geld en belangen bij de ‘traditionele’ partijen in betere handen zijn dan bij nieuwe partijen, zoals die van Geert Wilders en Rita Verdonk.
Maar die verzuchting getuigt van kortetermijndenken. De recessie is een tijdbom onder het integratiebeleid en daarmee onder de integratiediscussie. Als bij een oplopende werkloosheid specifieke bevolkingsgroepen, veelal Turkse en Marokkaanse, laag opgeleid en wonend in een concentratiewijk, harder worden geraakt dan andere groepen, is veel van de integratiewinst van de afgelopen jaren snel verdampt, als waren het aandelen Fortis. Want zonder werk geen maatschappelijke participatie en daardoor, mede als gevolg van het inkomensverlies, vaak ook een geringere sociale participatie en zeker geen opwaartse mobiliteit en doorstroming naar een huis in een andere wijk. Dat kan een voedingsbodem zijn voor toenemende, wederzijdse discriminatie, voor de ondermijnende idee dat ‘wij’ werken en ‘zij’ leven op onze centen of dat ‘zij’ de banen inpikken en ‘wij’ op straat komen te staan.
In stilte is door kabinet, vakbonden en werkgeversorganisaties de afgelopen dagen overlegd of er maatregelen getroffen kunnen worden om de arbeidsmarkt voor te bereiden op de recessie. Net als bij de sanering van de staatsschuld had dat moeten gebeuren toen het economisch goed ging. Dat was het moment geweest om naar de tweedeling tussen vastedienstcontracten en flex- en uitzendcontracten op de arbeidsmarkt te kijken. Maar daar maakte dit kabinet ruzie over en dus ging die discussie op slot. Uit angst voor de achterban en een kabinetscrisis.
Nu komt die discussie als een boemerang terug. Bij ingrepen als arbeidstijdverkorting en tijdelijke scholing zal nauwlettend gekeken moeten worden of ook de, vooral allochtone, werknemers op de klapstoeltjes daar baat bij hebben. De samenleving kan zich een grote terugslag in het integratieproces niet veroorloven.