Hoor wie klopt daar

De aarde warmt op en het klimaat verandert ogenschijnlijk sneller dan wij kunnen waarnemen, maar in de verhalen voor december heersen aanhoudend barre weersomstandigheden: zware mist omhult de aarde, sneeuw valt onophoudelijk uit de grijsgrauwe lucht en gure winden waaien immer door de bomen en rondom verlichte huizen. Wee de eenzamen der aarde die gehuld in vodden verkleumd tot op het bot zich een weg door de duisternis moeten banen…
Winterweer blijkt uiterst effectief voor het schrijven van klassieke decemberverhalen. Het biedt een bron van metaforen en de poëtische koude-clichés spelen handig in op ons sentiment: de simpele gedachte aan een knappend haardvuur verwarmt onze harten, zet aan tot goedgevigheid en doet hopen op betere tijden. Bovendien roept de eindejaarsdonkerte ontegenzeglijk een sfeer van geheimzinnige spanning en suggestie op. Wanneer de mistige geest van het winterweer zich aandient verandert hij de wereld in een droefgeestig decor en tovert hij de duisternis zo ondoordringbaar dat schijn en werkelijkheid niet langer te onderscheiden zijn. Bewegende schaduwen blijken geesten, deurkloppers schijnen als spookgezichten en voordat je het weet bots je hardhandig tegen Sinterklaas op.
In Paulus de hulpsinterklaas (1962) beschrijft en illustreert Jean Dulieu prachtig de eerste ontmoeting tussen Paulus en de goedheiligman, wiens bestaan het onvergetelijke boskaboutertje geenszins vermoedde.
De mist hangt voelbaar en zichtbaar zwaar in het grote grauwe bos waar het koud en doodstil is en waar het nog donkerder wordt wanneer de avond valt. Geholpen door een kaarsje zoekt Paulus zijn boom. Wanneer het kaarsje dooft kan hij behalve de klamme bosgeur niets meer onderscheiden. Dan weerklinkt in het uitgestorven bos een ontzaglijk onheilspellend geluid, ‘héél hard en héél griezelig, vooral voor kabouters’, waarna een stem begint te praten: ‘een warme, diepe stem’…
Wat een geluk dat dankzij moderne scan- en druktechnieken in de nieuwste herdruk van Dulieu’s onvolprezen sinterklaasverhaal enkele nog niet eerder getoonde, op scraperboard gemaakte, oorspronkelijke platen zijn opgenomen. De zwarte deklaag van krijt waarin Dulieu met een droge witte pen zijn fijne lijntjes heeft gekrast toont niet alleen zijn grote vakmanschap, maar geven de nachtelijke winterscènes een extra dimensie. Wanneer het voor Paulus ‘raadselachtige mens’ constateert dat er iemand tegen zijn linkerschoen aan is gelopen en Paulus fluistert dat hij er niet is, strijkt hij een lucifer af en zie je met Paulus een lange witte baard eventjes fantastisch in ‘het gezicht van de reus’ oplichten.
Deze sprookjesachtige, mysterieuze wintersfeer is onveranderd de beste voor een goed sinterklaasverhaal, en Dulieu is een meester in het scheppen ervan.
Vanzelfsprekend – want ook gekkigheid past het sinterklaasfeest – is er na de kennismaking met de verdwaalde Sinterklaas ruimte voor jolijt. De bosdieren en Paulus die ‘met twee baarden’ tot merkwaardige hulpsinterklaas is gebombardeerd zijn immers onbekend met de aloude sinterklaastradities. Het oefenen van ‘de klaasliedjes’ leidt aldus tot grote verwarring – de bosdieren hebben geen schoenen om te zetten en geen bomen met een dak erop, laat staan ‘een dak met schimmel’ – en tot het onsterfelijke, hilarische sinterklaaslied van de immer binnensmonds mompelende Gregorius waarin de boot ‘door de bomen stoomt’ en Sint ‘vol rimpels himpelt in de simpel… kimpel… timpelbrei’. Totdat Sint-Nicolaas zijn heiligheid eer aandoet en het dierenfeest redt.
Minder doldwaas, maar doortrokken van eenzelfde winterse wonderbaarlijkheid, is het nieuwe ontroerende sprookje van de Amerikaanse Kate DiCamillo, Het verhaal van de olifant en de goochelaar of hoe Peter zijn zusje terugvond. Vanaf het begin proef je dat het verhaal over de verweesde tienjarige Peter Duchenne en ‘de rampzalige gevolgen van uit de hand gelopen goochelarij’ aan het einde van de eervorige eeuw teruggrijpt op de traditie van het dickensiaanse romantische kerstverhaal met moraal.
Behalve Peter ontmoeten we een waarzegster die een antwoord geeft op ‘de diepste en moeilijkste vragen die het hoofd of hart maar kan stellen’, een bedelaar die zingt over hoe donker en koud de winter is en dat ‘de dingen niet zijn wat ze lijken, en de waarheid altijd verandert’, en een goochelaar ‘van twijfelachtige reputatie’ die in plaats van ‘een boeket lelies’ een olifant uit de winternacht te voorschijn tovert. Peter wordt gegrepen door wat hij hoort en ziet, begint te twijfelen over de vermeende dood van zijn zusje en gaat op zoek naar de waarheid, geholpen door een agent die ‘de ziel van een dichter’ heeft en de wereld bevraagt opdat hij verandert.
Zoals ook in haar vorige boeken schrijft DiCamillo fijngevoelig maar indringend over eenzaamheid en de zoektocht naar liefde, over beloven en het vertellen van leugens om anderen leed te besparen, over hoop, ‘iets heel ingewikkelds’, en wanhoop, ‘misschien veel gemakkelijker’. En altijd is haar toon ernstig en lichtvoetig tegelijkertijd.
Mooi is het beeld van Peter die het ‘gevoel heeft dat hij zijn hele leven niets anders heeft gedaan dan op een deur staan kloppen, om te vragen of hij binnen mag komen, in een huis dat misschien niet eens echt bestaat. Zijn vingers zijn koud. Zijn knokkels doen pijn…’
Wanneer de koude gaandeweg uit Peters hart verdwijnt, valt – zwaar van symboliek – een eerste sneeuwvlok. Langzaam wordt de aarde bedolven onder een maagdelijk witte, zachte deken, gelijk in Dickens’ Christmas Carol in Prose, en je voelt dat wellicht het onmogelijke mogelijk wordt en hoop inderdaad doet leven. Blijven we daarom dromen over een witte kerst?

JEAN DULIEU
PAULUS DE HULPSINTERKLAAS
De Meulder,
Gouden Klassiekers, deel 1, 88 blz., € 14,90 (6+)
KATE DICAMILLO
HET VERHAAL VAN DE OLIFANT EN DE GOOCHELAAR
Vertaald door Martha Heesen, met illustraties van Tanaka Yoko
Querido, 131 blz., € 13,95 (8+)