70 jaar Holland Festival: In meerdere opzichten is er sprake van een revolutionaire werkwijze

,,Hoor zèlf maar wie van ons vijven wàt schreef"

Het zwaartepunt in het Holland Festival 1969 valt ongetwijfeld vanaf 28 juni in het Amsterdamse Carré waar nog op 30 juni, 1, 2, 6 en 7 juli voorstellingen worden gegeven van de opera-moraliteit Reconstructie. Een belangrijk thema vormt de positie van de heerser en de knecht: Don Juan – Erasmus, Tarzan – Martin Bormann, de bezitter als een hebber, als de onderdrukker. Maar hoe staat het met de verhouding van woord en muziek? Hoe staat het met deze heer-knecht verhouding? In Reconstructie was er geen ‘in den beginne was het woord’. Op gelijkwaardige basis is men van start gegaan, ook de componisten hadden direct inspraak in de plaatsbepaling en uitwerking van ‘het libretto’. In meerdere opzichten is er sprake van een revolutionaire werkwijze. Op deze pagina belichten links Guus Rekers en rechts Ernst Vermeulen de onderscheidene facetten. Informatief, want op het moment van dit schrijven – 19 juni – is nog geen oordeel mogelijk.

Medium beeld ernst vermeulen   reconstructie 01

De intendant van de Nederlandse Opera Stichting, dr. Maurice Huisman, was verantwoordelijk voor de eerste impulsen: een theaterstuk rond een aantal bijzondere figuren als bijvoorbeeld Che Guevara. Daarbij dacht hij aan een gezamenlijk uit te voeren project, namen van Peter Schat, Jan van Vlijmen en Ton de Leeuw vielen, Harry Mulisch zou de tekst voor zijn rekening nemen. Men weet hoe de samenstelling werd gewijzigd. Qua mentaliteit paste Ton de Leeuw minder goed in het geheel en de clanvorming van de ,,Vijf” (Louis Andriessen, Reinbert de Leeuw, Misja Mengelberg, Peter Schat, Jan van Vlijmen), min of meer afgedwongen door de opstelling zoals deze culmineerde in de teach-in georganiseerd door De Gids – men wenste dirigent Bruno Maderna of een vergelijkbare figuur aangesteld bij het Concertgebouworkest ten einde van de programmering van de avantgarde-muziek een uitgesproken ,,gezicht” te geven – bleek voldoende hecht om een gemeenschappelijke werkkring te creëren, die volstrekt uniek is in de geschiedenis van het muziektheater.

Het behoeft geen betoog dat aan een collectiviteit van vijf componisten en twee auteurs, Hugo Claus, die toegevoegde tweede, is de man die enerzijds ervaring heeft met muziektheater (Hyperion) en anderzijds enkele van zijn eigen stukken regisseerde, gevaarlijke kanten kleven. Hugo Claus stelde: ,,Wij zijn ongeveer een jaar met ons zevenen bezig geweest, dat is dus zeven jaar.” Maar ligt het niet minder voor de hand om te zeggen: ,,Wij hebben een jaar met ons zevenen gewerkt en dus duurde dit zeven keer zo lang als in een normaal geval?”

Het ligt tevens voor de hand vergelijkingen te maken met het in feite eveneens gemeenschappelijke project Het Labyrint (1963, een opdracht van de Gemeente Amsterdam). In dit geval was een strengere discipline nodig en die blijkt inderdaad ook voor de opzet en de werkverdeling. Men had allereerst rekening gehouden met het materiaal: een betrekkelijk klein koor, in ieder geval niet zo gespecialiseerd als het NCRV vocaal ensemble, en een specifieke orkestkleur als gevolg van een zeker aanbod.

Exacter gesproken zal Reconstructie het werk zijn van de volgende zangers en acteurs: Claudine Arnaud, Yoka Berretty, Paul Brandenburg, Pieter van den Berg (rol van Commandeur én personificatie van Che Guevara in de figuur van Quetzalcoatl), Henk Molenberg, Bert Olsson, Jeróme Reehuis, Alex van Royen, Ramses Shaffy, Hetty Verhoogt, Siem Vroon, Peter van der Wouw, voorts van een spreekkoor samengesteld uit een achttal leden van het Dokumentair Aktueel Theater, een groot koor, een solistenkoor (12 vocalisten) en een jongenskoor. Dit laatste ensemble speelt vóór de pauze een belangrijke rol – het personifieert de waarheid, de zuivere intenties – met een opzeggen van het alfabet in het koor (G = God, die enz., overigens: er is een aria voor God (Pieter van den Berg) en basblokfluit (Frans Brüggen), maar laat ik daar niet op vooruit lopen).

Als geraamte voor de gehele opera dient namelijk eveneens een Aap-noot-mies indeling zoals P= pauze (een constant aangehouden pauze-akkoord, en op dezelfde wijze circuleert er vóórdat het stuk een aanvang neemt buiten de zaal een soort ,,lus” aan stemmingsgeluiden, een continu licht muziekje) en Z = zwijgen (einde partituur). Inderdaad kleine celletjes: meer geraamte dan vorm.
Het instrumentarium omvat 36 musici, onder wie om slechts enkele namen te noemen, Willem Breuker, Han Bennink, Lodewijk de Boer, Maarten Bon, Han de Vries; typerend is het ontbreken van hoge strijkers (violen) en blazers (fluiten), vooral dat laatste is voor een hedendaagse partituur, waarin altijd wel grote fluitsoli zijn te vinden, iets wat eruit springt.

Ook fagotten en hoorns ontbreken. De opstelling is als volgt: in orkest A nemen plaats: 2 hobo’s, klarinet, saxofoon, 3 trompetten, 3 trombones, tuba, 3 altviolen, 5 celli, contrabas (na de pauze lichtelijk gewijzigd in: 3 hobo’s, saxofoon, dezelfde kopergroep, dezelfde strijkers doch nu zonder bas), in orkest B spelen: hobo, 3 klarinetten, sax, alt, 2 gitaren (na de pauze 4 klarinetten, sax, alt, 2 gitaren (na de pauze 4 klarinetten, sax, alt, 2 gitaren en contrabas). Daarnaast hebben nog een saxofoon (alt, tenor, bariton afwisselend) en 2-toetseninstrumenten een onderkomen in miniatuurorkest C.

Een belangrijke rol spelen de klavierinstrumenten (clavinet F¹– e¹¹¹, pianet F¹–f¹¹¹, cembalet C–c¹¹¹¹, clavecimbel F¹–e¹¹¹) waarvan er onder meer één bij orkest A en 2 bij orkest B nog een onderkomen hebben. Het slagwerk werd vervangen door een schakelorgel, een elektronisch toetsenbord dat door Misja Mengelberg wordt bediend, Louis Andriessen speelt piano – althans hij was op de repetitie die ik mocht meemaken duidelijk de meest behendige en actieve animator van achter de toetsen – de overige drie componisten dirigeren. Het klankbeeld is sterk elektronisch bepaald, steeds meer naar het ijzigwekkende slot toe waarin sprake is van een soort ,,verstening”, lange geluidsblokken (als in Jan van Vlijmens Interpolations), streng en kaal. Enerzijds worden instrumenten elektrisch versterkt (gedeformeerd), anderzijds bewerkstelligen verbindingen tussen verschillende instrumenten andere kleuren. Typerend is hiervoor het ballet. Elke opera heeft immers een ballet; nou ja, elke: Wagner viel als een baksteen in Parijs omdat de ingevoegde balletscéne in Tannhäuser te vroeg geplaatst was, zodat een belangrijk deel van het publiek, dat de gewoonte had later te verschijnen, in woede ontstak omdat men het belangrijkste had gemist. In Reconstructie is er een ballet van 10 reclamemeisjes waarbij 7 toetseninstrumenten (clavinet, pianet, cembalet, 2 orgels, 2 piano’s) razendsnelle loopjes spelen en ieder naar keuze met een regel begint waartegen akkoorden zijn geplaatst die a-periodisch in de tijd staan. Borden met reclameteksten worden toegepast voor verschillende signalen voor de spelers. Hierbij wordt het geluid gemoduleerd, bij iedere overgang naar een andere orgel verandert de schakeling. Gelijdelijk aan worden de reclame-spots ,,weggestuurd”. Een en ander mondt uit in een beat-song (,,De haren van de jonge bruid glanzen door Hair de Luxe, enz.”) waarvoor – zo bleek bij een repetitie, de eerste in Carré – de componisten een zeker zwak koesteren, niet voor niets zijn ze dan ook allen achter klavieren gezeten. De song hoort thuis in C (= cultuur).
Naast het door Mozart (het gegeven van Don Giovanni) bepaalde materiaal – twee thema’s elk van vijf noten uit de ouverture voor welker combinatiemogelijkheden een computer een keuze maakte – speelt vooral de lichte muze een rol. Hierin hadden Louis Andriessen en Misja Mengelberg een groot aandeel (Peter Schat schreef schreef bijvoorbeeld onder meer de koren, over de ,,specialiteit”, van Jan van Vlijmen sprak ik reeds).
Overigens beschouwt men de partituur als het werk van allen, men is er duidelijk trots op dat Kees van Baaren, de geestelijke vader, het vijftal studeerde immers onder zijn leiding, 25 pct. niet wist thuis te brengen als behorende bij één van de componisten. ,,We weten het in sommige gevallen zelf niet meer, hoor zelf maar wie wat schreef…”

In M (= maneschijn) vinden de lichte genres (een soort Sinterklaasmelodietje, veel Frans à la Mitchel Legrand, een golf van Shaffy-opwinding, voor de instrumentatie overigens niet zonder moeilijkheden (,,eigenlijk iets voor lichte-muziek-jongens’’), een collage van lekkere, kleffe liedjes. Ook treft een koraal in Es groot. Zéér contrastrijk kortom. Vooral daar waar Amerikanen op het toneel staan is er veel mood-music, men onderscheidt een 8-tal genres, vastgelegd op de band. Ze werken echter niet als leidmotieven, – wél heeft Martin Bormann een herkenbare tune meegekregen, namelijk het ,,Deutschland, Deutschland uber alles” (kwartet) opgesmukt met 4 variaties. Op de repetitie legde Reinbert de Leeuw al zijn expressieve vermogens in een Adagio non troppo poco rubato in onmiskenbaar vroeg-Schönbergiaanse stijl (mét citaat van Mozart in de bas). De laatste wordt ook nog eer bewezen in een compleet miniatuur-operaatje van zes minuten, natuurlijk in D groot. Voorts zijn er indringende passages voor 5 blazers in de stijl van John Cage, jungle-geluiden, enfin, het werk is duidelijk veel lichter en vrolijker dan het Labyrint. Ook blijkt er nog dat de strenge twaalfloonstijl op haar achterste benen staat. En nu maar hopen dat Reconstructie overeind blijft, want de partituur die interessant genoeg is, verdient het.