Bedrijven zijn verslaafd aan saneren

Hopen op een crisis

De winst van Philips bleek afgelopen week ruimschoots hoger dan verwacht. Toch maakte topman Cor Boonstra direct bekend te zullen doorgaan met saneren. Ondernemingen zijn daar verslaafd aan geraakt, zegt bedrijfseconoom Arjen van Witteloostuijn. ‘Bedrijven zijn van god los.’

IEDERE DAG nieuwe records op het Damrak, een ongekend lage werkloosheid en om de week nieuwe meevallers in Den Haag: de bomen groeien in dit land tot ver in de hemel. Het gaat goed en eenieder die het tegendeel beweert, wordt voor gek verklaard of het zwijgen opgelegd. Het zou misschien wat ver gaan de geringe aandacht voor het enkele maanden geleden verschenen boek De anorexiastrategie hieruit te verklaren. Maar in macro-economisch slechtere tijden waren de exemplaren van het boek van hoogleraar bedrijfseconomie en bedrijfskunde Arjen van Witteloostuijn hoogstwaarschijnlijk als warme broodjes over de toonbank gegaan. In zijn werkkamer in een van de kolossen van de Groningse universiteit grijpt Van Witteloostuijn naar de kast. ‘Feel-good optimism sells much better than dismal realism’, leest hij voor. Een citaat van de beroemde Amerikaanse econoom Paul Krugman uit een artikel over de beloften van de Nieuwe Economie.


Economen die zeggen dat door de opmars van computers en het internet recessies tot het verleden gaan behoren — en die (nieuwe) economen zijn er — zullen volgens Van Witteloostuijn van een koude kermis thuiskomen. De hele boel zal binnen afzienbare tijd volkomen in elkaar storten. ‘Een crisis komt er zeker, de vraag is echter wanneer.’ Want, en dat is de boodschap die de kritische econoom — inmiddels de schrik van het Nederlandse bedrijfsleven — probeert over te brengen: zo goed gaat het helemaal niet. De beurs bijvoorbeeld. Volgens een recente berekening van de Journal of Finance is Wall Street veertig procent overgewaardeerd. ‘Als dat in één klap gecorrigeerd wordt, kun je je lol op’, zegt Van Witteloostuijn. ‘Dan dondert echt alles in mekaar.’


Komisch genoeg zijn het vooral die typische Nieuwe Economie-bedrijven waar het fout dreigt te gaan. De grote internetondernemingen stapelen verlies op verlies. Van Witteloostuijn: ‘De handel in aandelen van die bedrijven is een handel in verwachtingen. Blijkbaar denken mensen dat het ooit goed gaat komen. Maar reken maar dat het bij veel van die bedrijven helemáál niet goed komt. Misschien dat van de honderd bedrijven er tien werkelijk doorbreken en op zeker moment winst gaan maken. Die negentig anderen flikkeren onherroepelijk in mekaar.’



DE BEURSHANDEL, Van Witteloostuijn noemt het in zijn boek ‘de legale variant van het piramidespel’, is de bron van veel kwaad. In aandelen handelen is het probleem niet echt, het gaat om de wijze waarop bedrijven zich tegenwoordig door de aandeelhouders laten leiden. Het ‘aandeelhouderskapitalisme’ zorgt voor kortzichtigheid in het bedrijfsleven, betoogt Van Witteloostuijn. Bedrijven dansen naar de pijpen van de aandeelhouders en saneren door, zoals Philips afgelopen week weer, terwijl de winsten hoger zijn dan ooit. Saneren is, ondanks averechtse effecten die ontkend worden, een soort verslaving geworden. Bedrijven slanken almaar verder af, om de aandeelhouder tegemoet te komen; de ‘anorexiastrategie’ verziekt het bedrijfsklimaat.


‘De mentaliteit van de aandeelhouders is overgeslagen op de mensen die het in de bedrijven voor het zeggen hebben. Om de aandeelhouders tevreden te stellen, wordt alleen nog over de zeer korte termijn nagedacht. Want aandeelhouders willen maar één ding: zo snel mogelijk geld verdienen. Dat er bijvoorbeeld bij die internetbedrijven wordt gehandeld in verwachtingen is voor de handelaar zelf dan ook niet zo’n probleem. Hij hoeft die verwachtingen niet eens te geloven, als hij alles maar op tijd verkoopt. Als een handelaar denkt dat men tot bijvoorbeeld half 2001 blijft verwachten dat het wat wordt met die internetbedrijven en dan in januari van dat jaar zijn stukken verkoopt, dan is hij binnen. Zonder een greintje geloof in het bedrijf te hebben gehad.’


Het poldermodel is ‘Amerikaans marktkapitalisme met een Nederlands harmoniesausje’, schrijft Van Witteloostuijn. Daarbij komt dat de Amerikaanse manier van zakendoen wordt gecombineerd met behoedzaam Nederlands ondernemerschap: de miljarden guldens winst worden niet geïnvesteerd in onderzoek en ontwikkeling van nieuwe producten, zoals in de Verenigde Staten, maar opgepot. Van Witteloostuijn: ‘Projectvoorstellen die pas na een tijdje rendement opleveren of een minder hoog rendement geven, worden direct afgeschoten ten gunste van de aandeelhouders die op de korte termijn resultaat willen zien. In plaats van te investeren besluiten ondernemingen toch maar weer te saneren, geld op te potten en op een gegeven moment een ander bedrijfje te acquireren. Dat is een verschraling van het economisch leven. Wat moet je met al die reserves? Geld moet rollen.’


Premier Kok heeft zich enige maanden geleden voorzichtig laten ontvallen dat hij zich, net als Van Witteloostuijn, zorgen maakt om die Nederlandse ondernemersgeest. Van Witteloostuijn: ‘Als je vindt dat actief zijn op de aandelenbeurs zelf, via aan- en verkopen van bedrijfsonderdelen of zelfs fusies en het terugkopen van je aandeel ondernemen is, dan zijn bedrijven wel degelijk ijverig bezig. Maar als je onder ondernemen verstaat: risicovol investeren in nieuwe producten, nieuwe processen en nieuwe ontwikkelingen, dan zijn de Nederlandse bedrijven niet best bezig. Dat is behoorlijk zorgwekkend.’


Zorgwekkend, oké. Maar hoe nieuw is dit? Bedrijven willen toch altijd al zo veel mogelijk winst maken?


‘Klopt, maar de continuïteit wordt vergeten. Winst maken is één ding, groei en overleven iets anders. Er is nog maar zelden zo weinig geïnvesteerd. Ondanks de enorm florissante macro-economische groei blijven volgens alle statistieken de investeringen ver achter. Ze zakken zelfs in, terwijl je zou verwachten dat ze zouden meestijgen. Enkele jaren geleden werd nagedacht over de langetermijnwinst, continuïteit. Je wist: als ik nu investeer, dan kan dat betekenen dat ik volgend jaar iets minder winst maak, maar over vijf of zes jaar veel geld verdien. Dat duurt bedrijven nu te lang. De aandeelhouder wil mórgen meer geld. Tien, twintig jaar geleden hoorde je bedrijven helemaal niet over hun aandeelhouders. Toen werd er alleen maar gesaneerd als er problemen waren. Nu heb je bedrijven die stinkend rijk zijn, en toch saneren. Het is nu heel normaal dat een bedrijf in een en dezelfde persconferentie zegt: we hebben twintig procent meer winst gemaakt dan vorig jaar en er moet tien procent personeel uit. Als het beter gaat met bedrijven, dan zou de werkgelegenheid net zo hard mee moeten lopen.’



DE MILJARDENOVERNAME van het Duitse Mannesmann door het Britse Vodafone is exemplarisch voor wat Europa de komende jaren kan verwachten, vermoedt Van Witteloostuijn. Aandeelhouders pakken hun geld en leggen de opkopende reuzenbedrijven geen strobreed in de weg. Al te veel affiniteit met het verliezende bedrijf is er toch niet. Bij Mannesmann bleek het grootste deel van de aandelen niet eens in Duitse handen. En de politiek, die kan er maar weinig aan doen. Door de verregaande mondialisering van de handel zijn de multinationale ondernemingen oncontroleerbaar geworden. Van Witteloostuijn: ‘De bedrijven zijn nu echt van god los. Ze zijn veel wijder vertakt, verplaatsen zich veel gemakkelijker. Ze zijn kortom losgeweekt van de landspolitiek en daardoor veel minder makkelijk in de gaten te houden. Daimler-Benz bijvoorbeeld — sowieso al een novum: een Duits bedrijf dat samengaat met een Amerikaans bedrijf — heeft op een gegeven moment gezegd: als dat in Duitsland zo doorgaat met die belastingen, dan verkassen we wel naar de Verenigde Staten. Buitengewoon effectief, dat soort dreigementen. Bondskanselier Gerhard Schröder denkt dan nog wel twee keer na voordat hij een belasting introduceert die Daimler-Benz niet welgevallig is.’


Een doorgeslagen mondialisering? Aan banden leggen dan maar? Welnee, vindt Arjen van Witteloostuijn. Er moet alleen goed worden gereguleerd. En in tegenstelling tot wat veel andere kritische economen betogen kan dat best via Europese instellingen. ‘Je kunt allerlei maatregelen nemen die tot fundamentele veranderingen kunnen leiden. Zeker op Europees niveau. Je kunt een winstmakende saneerder bijvoorbeeld verplichten de kosten daarvan een aantal jaren zelf te dragen. Gewoon de mensen die je eruitgooit een paar jaar doorbetalen in plaats van ze af te schuiven op de maatschappij. Europa is zo groot dat wanneer de politiek dat zou willen men een eigen economische ordening zou kunnen scheppen. Iemand als Oskar Lafontaine heeft geroepen: we moeten zorgen dat we belastingconcurrentie uitschakelen. Hij heeft ongelooflijk gelijk, maar het blijkt moeilijk te verkopen. Waar ik voor zou zijn is een Europese belastingheffing. Dan betalen de Philipsen en Siemensen van deze wereld gewoon hun belasting via Brussel en hoeven ze niet verschillende landen tegen elkaar uit te spelen.’


Maar dan kan zo’n bedrijf nog altijd naar de Verenigde Staten uitwijken.


‘Dan regelen we het mondiaal! Waarom maken we van het IMF (Internationaal Monetair Fonds — pv) niet de mondiale belastingheffer voor multinationale ondernemingen? Dan kan die club zich meteen voor een belangrijk deel zelfstandig financieren en kan op centrale wijze via de Wereldbank steun aan de Derde Wereld worden gegenereerd. Reageren op mondiale ontwikkelingen door je ervoor af te sluiten, lijkt me weinig productief. Mondiale zaken moet je van een mondiaal antwoord voorzien. En als dát niet lukt, dan ten minste op Europese schaal. Europa is groot en autarkisch genoeg is om zelf dit soort dingen te kunnen regelen. Veel van die internationalisering is Europeanisering.’



EVEN, TIJDENS DE Aziëcrisis, werd er serieus over de gevaren van mondialisering gesproken en spitste het economendebat zich een paar weken niet toe op monetaire zaken, rentestanden en beslissingen van de Centrale Europese Bank. ‘Naarmate die crisis verder terug is, zakt dat debat weer in’, zegt Van Witteloostuijn. ‘Een nieuwe crisis zou een heel louterend effect kunnen hebben. Ik denk dat het eerst slecht moet gaan voordat je een goede diagnose en een gedegen debat krijgt over de inrichting van de economie. Nu wil ik natuurlijk niet zeggen dat we weer een wereldoorlog moeten hebben, maar na 1945 is er wel erg veel gebeurd. Veel van de instituties waar we nu nog van profiteren, zijn toen in het leven geroepen: IMF, Wereldbank, Verenigde Naties, allemaal toen opgericht.’


Een crisis brengt ons dus wellicht weer met beide benen op de grond. Pas dan wordt het dismal realism van Van Witteloostuijn punt van discussie, denkt hij. Ondertussen blijft de Groningse hoogleraar roepen dat het minder goed gaat dan we denken. Niet alleen in het bedrijfskundige. Ook op de arbeidsmarkt, bijvoorbeeld. ‘Maar om de een of andere reden is dit probleem kennelijk niet urgent genoeg om er heel fanatiek over te debatteren.’


De situatie op de arbeidsmarkt wordt iets té rooskleurig voorgesteld, zegt hij. De werkloosheid is laag, dat is waar. Maar als je goed naar de statistieken kijkt, blijkt de verborgen werkloosheid veel hoger dan de geregistreerde werkloosheid. Van Witteloostuijn: ‘Denk alleen maar aan de bijna één miljoen WAO’ers. Die houden we in Nederland uit de werkloosheidsstatistieken, terwijl soortgelijke gevallen in Frankrijk en Duitsland, omdat daar geen speciale uitkering voor ze is, wél in deze cijfers opgenomen zijn. Dertien procent van de beroepsbevolking zit in de WAO. Als je dat bij de werkloosheid zou optellen, zit je al op een niet-actief percentage van zestien. Daarbij worden in onze werkloosheidsstatistieken gemakshalve sommige mensen niet meegeteld. Mensen van 57 jaar of ouder bijvoorbeeld, die een baan willen maar er geen hebben, zijn hier officieel niet werkloos. En als je een baan hebt voor twaalf uur en je wilt een baan voor veertig uur, dan ben je volgens mij voor 28 uur werkloos. Maar in de statistieken telt zoiets niet. In feite hebben we dus een veel hogere werkloosheid dan uit de cijfers blijkt.’


Maar er is wel krapte op de arbeidsmarkt.


‘Gerichte krapte! Op sommige delen is er een krapte, en op sommige delen blijkbaar niet — want daar zitten die anderhalf miljoen mensen waar niet naar gevraagd wordt, die we blijkbaar niet nodig hebben.’


Er zijn de laatste jaren toch veel nieuwe banen gecreëerd?


Van Witteloostuijn zucht om zoveel onbegrip: ‘Ook dat wordt enorm overschat. Uit cijfers blijkt dat de groei van de werkgelegenheid sinds 1979 in uren tien procent is geweest en in banen 25 procent. Meer mensen die deeltijdwerk zijn gaan doen dus. Veel nieuwe banen zijn daarbij buitengewoon kwetsbaar, door het toegenomen flexwerk. Bijvoorbeeld recent bij NedCar, waar door wat problemen bij Mitsubishi vijfhonderd mensen met alle gemak op straat gezet konden worden. Allemaal flexwerkers.’



VAN WITTELOOSTUIJN geeft in zijn boek toe een dromer te zijn, wellicht met naar huidige maatstaven een iets te groot maakbaarheidsideaal. Vooralsnog trekken weinigen zich iets van zijn adviezen aan. ‘Fatalisme is de makkelijkste houding, maar onnodig. We zijn de laatste tijd ongekend reactief. Alles gebeurt gewoon: de Nieuwe Economie, de Angelsaksische manier van werken, mondialisering — allemaal ontwikkelingen die wij lijdzaam aanzien.’


Misschien gebeurt er pas iets als bij conjuncturele tegenwind de kwetsbaarheid van het systeem zich openbaart. Van Witteloostuijn: ‘Je moet mensen vaste contracten geven, in ze willen investeren. Je kunt er als bedrijf voor zorgen dat je zelf goed, hooggeschoold personeel hebt dat ook nog eens veel loyaler en gemotiveerder is. Waarom zou je, wanneer het goed gaat met je bedrijf, niet ook je personeel iets extra’s gunnen? Het is een soort wet van Meden en Perzen geworden dat een flexibele arbeidsmarkt beter is omdat die tot een grotere werkgelegenheidsgroei en een lagere werkloosheid zou leiden. De Oeso (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling — pv) heeft al aangetoond dat dat helemaal niet waar is. Een flexibele markt heeft enorme pieken en dalen. En als je dat over een periode van dertig, veertig jaar bekijkt, maakt het gemiddeld genomen geen moer uit. Niet-flexibele arbeidsmarkten, zoals de Duitse en tot voor kort ook de Nederlandse, weten gemiddeld genomen evenveel werkgelegenheid te creëren als die flexibele. Alleen de curve loopt wat vlakker, met minder pieken en dalen.’


U lijkt een roepende in de woestijn. Bent u waarachtig de enige die dit allemaal in de gaten heeft?


‘Als het macro-economisch gezien meezit, kun je dit soort dingen met de mantel der liefde bedekken. Daarbij is dit allemaal geen publieke kennis. Er spelen heel veel subtiele processen die maar weinigen kennen. Je moet het kuddegedrag in management- en adviesland niet onderschatten: je ziet continu modes en golven. Als de ander het doet, dan zal het wel goed zijn. En het bedrijfsleven maakt toch ieder jaar meer winst? Daar zal niet zo snel geklaagd worden. En de vakbond, die is veel minder machtig geworden. Ook daar is men volger geworden en laat men de oren hangen naar wat er elders in de maatschappij gebeurt.


Maar stel je voor: het gaat ineens slecht. Stel, we hebben in oktober een beurscrisis. Misschien dat er dan echt naar me geluisterd wordt. Misschien dat de verkoop van het boek dan ineens omhoogschiet.’



Arjen van Witteloostuijn, De anorexiastrategie: Over de gevolgen van saneren. Uitg. De Arbeiderspers, ƒ69,90