Interview: Clifford Cremer

Hopen op oorlog

Waarom vraagt iedereen hem naar zijn vader? ‘Ik ken die hele man niet.’ Hij is niet Jan, hij is Clifford. Clifford Cremer, schrijver, mateloos gefascineerd door oorlog.

HET IS DRIE maanden geleden dat Clifford Cremer (34) zijn vader aan de telefoon had. ‘Ik ga je aflossen’, sprak hij plechtig. ‘Hoezo?’ vroeg Jan Cremer. ‘Ik heb een boek geschreven.’ Even was het heel stil. ‘Waar gaat het over’, vroeg de vader. ‘Het is een autobiografie’, sprak de zoon. ‘Kom ik er ook in voor?’ wil de vader weten. ‘Zijdelings’, zegt de zoon. ‘Mag ik als het uitkomt een gesigneerd exemplaar ontvangen?’ Clifford zegt dat toe.


Bomberjack heet het boek. In maart komt het uit. Het gaat over zijn hoogsteigen, avontuurlijke leven, driehonderd pagina’s lang. Bomberjack begint met de betrekkelijk onbekommerde jonge jaren bij oma in Enschede, de moeder van Jan Cremer. Gevolgd door de puberjaren, die Clifford doorbrengt in een christelijk pleeggezin met een dominante pleegvader. ‘Het liefst had ik hem daar ter plekke vermoord, ik had zo een bijl in z’n kop geplant’, schrijft de auteur in hoofdstuk twee. Hij gaat naar school in Lochem, een afstotelijk ‘links bastion’. Maar ‘er zaten wel veel lekkere wijven op (…). Lekkere, geile, heerlijke wijven.’ Het zijn de jaren zeventig waarin hij opgroeit. ‘De seventees. Het meest walgelijke decennium op politiek gebied van de twintigste eeuw.’ Niet langer leerplichtig vertrekt Clifford onmiddellijk naar Rotterdam, om zich aan te melden bij de mariniers. Vechten in een echte oorlog is zijn allergrootste droom. Hij verslindt Soldier of Fortune, een twijfelachtig huurlingenblaadje. Want liever nog dan marinier zou hij huurling willen zijn. ‘Ik zat te denken aan Zuid-Afrika. Tegen het ANC wou ik wel vechten. Of anders Nicaragua. Lekker met de contra’s mee. Sandinisten afknallen.’ Tevens frequenteert Clifford de gabber-scene. ‘We hadden pillen, paddo’s, hasj, en coke bij ons. En voorgedraaide joints en nog meer pillen.’ Aan alle avonturen lijkt een eind te komen als hij op Aruba verongelukt en zijn linkervoet wordt afgezet. Doch zijn zucht naar avontuur is niet te temperen. Met een prothese reist hij af naar de Balkan, om daar, omgeven door neonazi’s, van dichtbij allerlei gruwelen mee te maken. Ook visiteert hij Zuid-Oost-Azië en Kenia, waar zijn broer Clinton een nachtclub runt. Clinton wordt het land uitgejaagd en als hij alweer een tijdje in Nederland woont, bruut vermoord door een Chinese student. Eenmaal terug in Nederland kan Clifford maar moeilijk een woning vinden, zo staat in hoofdstuk tien: ‘Ja, een flat. In de Bijlmer. In Nieuw-Paramaribo. Maar daar had ik geen trek in. Na de Haagse Schilderswijk had ik voorlopig even genoeg multiculturele schoonheid en idylle gezien. Natuurlijk waren Surinamers ver te prefereren boven Arabische moslims, maar toch. Als het even kon woonde ik liever in een buurt met Nederlanders.’


We spreken af in de serre van het Amsterdamse Okura Hotel. Clifford Cremer: ‘Jan is natuurlijk bang dat ik hem door de stront ga halen. Dat is niet zo. Daarvoor speelt hij een te kleine rol in mijn leven.’ Clifford ziet op tegen alle publiciteit, als straks in maart het boek verschijnt. ‘Mensen zullen denken: hé, een autobiografie, net als zijn vader. Maar daar heb ik gewoon schijt aan. Je moet wel weten dat het me altijd geremd heeft. Ik wil niet vergeleken worden met mijn vader. Ik heb vrijwel geen enkele band met Jan. Ik heb nooit een dag van mijn leven bij hem gewoond, heel af en toe heb ik hem gezien. We spreken elkaar één keer per jaar twee minuten over de telefoon. De hele tijd dat gezeik over mijn vader, ik ken die hele man niet.’


Vrienden dachten serieus dat hij zijn boek Ik Cliff Cremer zou gaan noemen. ‘Die snappen er geen hol van. Het lijkt in de verste verte niet op wat Jan gedaan heeft. Zijn boek is ook een tijdsdocument. Ik heb helemaal geen pretentie gehad een Ik Jan Cremer van de jaren negentig te schrijven.’ Niet dat Ik Jan Cremer geen goed boek zou zijn. ‘Ik heb er vreselijk om gelachen, het is een humorboek. Ik las het op mijn vijftiende.’ Ook de andere boeken heeft hij gelezen. Jan Cremer’s Logboek vond hij ‘niet echt bijzonder’.


Afgelopen augustus kwam Clifford op het idee. ‘Ik heb er twee maanden over gedaan. In één keer alles er uitgeramd. Als ik aan een zin begon wist ik niet hoe die zou eindigen. Begin oktober was het klaar.’ De journalistiek was hij allang zat. ‘Dat zet geen zoden aan de dijk. De bladenmarkt is beperkt. Ik deed wat voor HP/De Tijd, maar dat betaalde niet zoveel. Ik schreef ook voor militaire blaadjes en Duitse bladen. En voor Penthouse.’


Zijn verhalen in Penthouse werden opgemerkt door Martin Ros. ‘Martin Ros heeft me in 1993 al benaderd om een boek te schrijven. Toen had ik er niet zo’n zin in. Afgelopen augustus sprak ik met hem af. Ik wil die autobiografie wel schrijven, zei ik. Vond hij goed. Ik moest het opsturen. Over de eerste tien pagina’s was hij gelijk razend enthousiast. Hij dacht dat hij het zou moeten redigeren, dat vond ik raar. Er valt in mijn werk niets te redigeren. Ik schrijf geen overbodige dingen. De manier waarop ik schrijf is heel direct, confronterend. Dat is mijn stijl, recht voor z’n raap.’ Martin Ros en Perry Pierik van Uitgeverij Aspekt hebben aan het manuscript geen woord veranderd. ‘Het is van a tot z door mij zo neergezet. Niemand heeft geholpen.’


Cliffords leven staat in het teken van het militarisme. ‘Ik geloof in het leger en ik geloof in militaire macht. Je ziet het in Kosovo, het is perfect wat daar gebeurd is. Er had al eerder, in ’92 in Sarajevo, ingegrepen moeten worden.’ De Vietnam-oorlog komt ter sprake. ‘Dat was een heel terechte oorlog. Gewoon het communisme stoppen. Is een heel geldige reden om een oorlog te voeren, heel geldig. Ik ben een anti-communist. We moeten nu ook ingrijpen in Noord-Korea, vind ik. Het is een groot concentratiekamp. Noord-Korea is een sekte. De mensen moeten bevrijd en gedeprogrammeerd worden.’ Het was ook zijn anti-communistische inborst die hem richting mariniers dreef. ‘Ik heb altijd gehoopt op een oorlog tussen het Westen en het Oosten. Daar was ik graag bij geweest. Vechten tegen de Sovjet-Unie.’ Oorlog, niets fascineert hem meer. ‘In oorlog heerst totale anarchie. Je bent teruggeworpen op oerwetten, het recht van de sterkste. Wie heeft de meeste wapens en wie benut ze het best? Daar kun je toch een hele hoop mee bereiken. Het is het ultieme avontuur.’


Was zijn voet niet geamputeerd, dan zou Clifford na zijn marinecarrière beslist het vreemdelingenlegioen zijn ingegaan. ‘Het liefst was ik huurling geworden. Want in het normale leger, zelfs bij de mariniers, ben je een marionet. Het is gecontroleerd avontuur. Ik ken veel huurlingen. Hun leven is avontuur op het scherp van de snede. Op leven en dood.’ Van kindsbeen af fantaseert hij al over ultieme titanengevechten. ‘Het komt van mijn moeders vader, denk ik. Dat was een Waffen-SS’er. Hij was al veertig toen hij naar het oostfront ging. Dat vind ik toch wel iets hebben. Dat is een bepaalde mentaliteit die mij aanspreekt.’


In 1994 trekt Clifford met Nederlandse oorlogsvrijwilligers naar het Kroatische front. ‘Ik ben daar naartoe gegaan om instructeur te worden, wat uiteindelijk niet is doorgegaan. Maar dat was ook een tweede keus. Ik had daar bij willen zijn als een van de huurlingen natuurlijk.’ Bijzondere sympathie had Clifford voor Max, een geschifte Oostenrijkse bankovervaller die in Mostar op avontuur ging, wat vooral neerkwam op het van een afstandje neerknallen van moslims. Ook ontstond een hechte band met Robert, een Nederlandse huurling van dubieus allooi, die zich uiteindelijk bij de Afrikaner Weerstand Beweging aansloot. ‘Ik kan me goed in hun situatie verplaatsen. Ik zou net zo zijn als zij. Als ik niet met die poot had gezeten was ik ook meegegaan naar Zuid-Afrika. Vechten tegen het ANC. Omdat het communisten zijn. Het was een strijd tegen de apartheid die zij voerden, ja en? Ik begeef me op glad ijs als ik daar dingen over ga zeggen. Maar ik heb geen hoge pet op van het ANC. Wat zij hebben gedaan verdient geen schoonheidsprijs. Er zit een inktzwarte kant aan dat hele ANC.’ Cliffords opa, die SS’er, vertelt Clifford, was een geboren en getogen Zuid-Afrikaan.


In Nederland heeft Clifford lange tijd in achterstandswijken gewoond. ‘Op een gegeven moment had ik er genoeg van om te wonen in wijken waar Arabisch, Surinaams of Antilliaans de voertaal was. Ik wilde wonen in een straat met alleen Nederlanders. Ik voel me niet thuis tussen de Arabieren, zeker niet in Nederland. Ik heb niks op met de islam, minder nog dan met christendom. De islam is totalitair en mensverachtend. De meeste Arabieren zijn into de Islam, als je tussen ze woont heb je ermee te maken.’



IN APRIL 1994 werd Cliffords broer Clinton door Tsi Sin L., een student van Chinese afkomst, met vier revolverschoten om het leven gebracht. L. kwam bij hem langs om een diploma dat Clinton voor hem vervalst had, in ontvangst te nemen. Toen Clifford in zijn boek de kwestie oprakelde, kwam het allemaal weer boven. ‘Het is zes jaar geleden nu. Het schrijven is een verwerking geweest. Hoewel ik er in Vrij Nederland ook al uitgebreid over geschreven heb.’ Clifford weet nog steeds niet precies wat er de bewuste nacht gebeurd is. Wel dat de Chinees een ‘psycho’ is. ‘Tbs met dwangverpleging heeft hij gekregen. Wat die idioot verder aan verklaringen geeft, interesseert me niet. Eens een psycho altijd een psycho. Hij heeft twee jaar gekregen met tbs. Tbs is geen straf maar een behandeling. Die twee jaar was gewoon symbolisch bedoeld. Ik kots van de lichte straffen die in Nederland worden toegepast. Mijn broer is twee keer in zijn rug neergeschoten, terwijl hij op de rand van zijn bed zat. Die Chinees stond vlak achter hem. Toen Clinton op de grond was gezakt heeft de Chinees hem in zijn hoofd geschoten. De reden interesseert me niet. De motieven van een psycho zijn irrationeel. Al dat gelul van die psychiaters over psychisch noodweer interesseert me ook niet. Ik kom niet veel op die Chinees terug in het boek. Ik moet hem niet tegenkomen. Ik weet niet of hij nog vastzit of niet. Het is voor hem te hopen van wel. Altijd die deken van begrip voor de daders in Nederland. Zo’n daad is niet verklaarbaar. Soms houdt het gewoon op.’


Clifford was net een maand terug uit Mostar toen het gebeurde. ‘Mijn broer is nooit in Joegoslavië geweest. Hij deed er altijd lacherig over dat ik ging, gevaarlijk vond hij het. En hij wordt godverdomme omgelegd door een of andere psycho-idioot van negentien jaar. Die met een .357 Magnum rondloopt met dumdumkogels. Dat is de staat van onze maatschappij.’


Een droge tik. De cassette die Clifford Cremer al die tijd naast mijn cassette heeft laten meelopen, slaat af. Hij ritst zijn bomberjack dicht en wandelt zonder slepende beweging het hotel uit.