Het rijke Noord-Tel Aviv versus het arme Zuid-Tel Aviv

‘Hoppa, hoppa, hoppa, dit is geen Europa’

Naast het conflict met de Palestijnen heerst er in Israël ook onmin tussen joden onderling. Arabische joden hebben beduidend minder kansen dan Europese. In Tel Aviv, waar de tweedeling goed zichtbaar is, strijdt Shula Keshet tegen dit joodse racisme.

Zina, vluchteling uit Soedan, heeft een kinderdagverblijf aan huis. Shapira, Zuid-Tel Aviv

Een verwarde prostituée danst in haar eentje voor een leeg podium; haar rok valt van haar middel, waardoor littekens zichtbaar worden die duiden op zwaar drugsgebruik. Een typische mengelmoes van Afrikaanse vluchtelingen en Filipijnse arbeidsmigranten, prostituées en plaatselijke winkeleigenaren kijkt naar haar. Een buurman heeft medelijden en geeft haar een handdoek om zich mee te bedekken. De massale aanwezigheid van de politie completeert het tafereel: overal zie je blauwe zwaailichten en hoor je de geluiden van walkie-talkies. Bezoekers drommen samen voor het podium, dat is gebouwd in het midden van de plek waar ooit het centraal station van Tel Aviv stond. Een politievrouw leidt de dansende prostituée uit het met paaltjes afgezette gebied. Het podium is nu weer van de dj die de menigte opwarmt door oude Israëlische popliedjes te draaien – onder het glinsterende opschrift The Golden Tape (De Gouden Cassette).

De duisternis is gevallen over deze buurt, waar ooit iedere dag een intense drukte heerste en het wemelde van de walmende bussen en taxi’s. Nu is er een paar straten verderop een nieuw, monsterlijk station gebouwd, waardoor dit gebied geïsoleerd en verlaten is achtergebleven, als een sinistere verzameling lege straten, schamele bedrijfjes en prostitutiecentra. Ik rende hier vroeger met mijn moeder doorheen om de bus te halen naar het dorp van mijn oma. Eerst kochten we dan wat fruit voor de reis bij de afgeladen marktstalletjes en dansten we op de luide klanken van de Mizrahi-muziek.

Mizrahi, wat ‘uit het oosten’ betekent, werd een naam voor joden die naar Israël emigreerden vanuit Arabische en moslimlanden zoals Marokko, Tunesië, Jemen, Irak, Syrië en Iran. De Mizrahi-gemeenschap creëerde unieke muziekstijlen, waarin traditionele liedjes werden gecombineerd met elementen uit de Arabische, Turkse en Griekse muziek. In de straten van het zuiden van Tel Aviv floreerde vroeger deze Mizrahi-muziek. Zo nu en dan bleef mijn moeder, een immigrant uit Jemen, even staan om te genieten van het voorbij waaiende geluid van een nieuwe Jemenitische song, waarbij ze haar handen in de lucht stak en met haar vingers knipte, ter viering van de geluiden uit haar kindertijd.

In deze buurt werden artiesten en songs bekend en beroemd. Een paar van de grootste stemmen van de Mizrahi-muziek woonden hier. Hun muziek werd echter genegeerd door de Israëlische radio en de mainstream-labels. Daarom werd ze op cassettes met gefotokopieerde hoesjes verkocht. Opgestapeld in de marktstalletjes die volgeplakt waren met promotieposters van de muzikanten. We herkenden ze later op trouwfeesten en familie-evenementen, waar ze optraden en hun roem opeisten als de ‘soulzangers’ van het Midden-Oosten.

Geleidelijk verzamelen zich meer mensen rond het podium en de menigte wordt een mengeling van jong en oud, vluchtelingen, Mizrahi-activisten, hipsters en buurtbewoners. Shula Keshet, een sociaal activist, leider van Mijn Zus, een feministische beweging van Mizrahi’s en inwoner van het zuidelijke deel van Tel Aviv, opent het evenement: ‘Hier, in de achtertuin van Tel Aviv, begon de Mizrahi-muziek te bloeien, hoewel zij werd buitengesloten door de Israëlische muziekindustrie!’ De menigte reageert enthousiast op haar openingswoorden. ‘Vandaag is niet zomaar een concert, we vieren ook het cultureel erfgoed van de Mizrahi’s. En het is een eerbetoon aan de zuidelijke buurten van Tel Aviv. Het behoud van onze Mizrahi-cultuur is essentieel. Het zuiden van Tel Aviv is de beste plek om dat te doen!’

Als de band eenmaal is begonnen en de menigte enthousiast de liedjes meezingt, komen alle verzonken woorden weer naar mijn mond. Dit zijn de liedjes waarmee we allemaal zijn opgegroeid, maar die ik sinds ik mijn moeders huis heb verlaten nooit meer heb gehoord.

Wat begon als een onbeholpen, door veel te veel politie omgeven tafereel uit een slechte film is uitgegroeid tot een warm buurtfeest, dat een gezicht geeft aan de plaatselijke inwoners van een van de armste en onderontwikkeldste buurten van Tel Aviv. Ik sta te dansen met oude Jemenitische vrouwen en immigranten uit Noord-Afrika, en het Filipijnse stel dat op het balkon met hun telefoon stond te filmen heeft zich ook een weg gebaand naar een plekje dicht bij het podium. De gedesoriënteerde prostituée heeft weer kleren aan en begeeft zich opnieuw naar het centrum van de dansvloer.

De ouders van Shula Keshet behoren tot een Iraans-joodse gemeenschap die Anusay Mashad heet. Mashad is de op een na grootste sjiitische stad in Iran. In 1839 werden de joden daar gedwongen zich tot de islam te bekeren. Dat deden ze, maar tegelijkertijd zwoeren ze in het geheim te zullen vasthouden aan de orthodox-joodse traditie. Ze emigreerden in de jaren dertig illegaal uit Iran naar het mandaatgebied Palestina. ‘Vergeet niet dat ze zich in Mashad in een lastig parket bevonden’, legt Shula uit. Al tweeduizend jaar hadden ze dagelijks ‘Volgend jaar in Jeruzalem’ gescandeerd. Omdat ze niet wilden mengen met de andere inwoners en hun identiteit moesten verbergen vluchtten velen naar Europa en de VS, en kwamen sommigen naar Israël. De ouders van Shula kochten in 1959 een huis in de Matalonstraat in Tel Aviv. Dat was een woonbuurt met een voornamelijk uit Mizrahi-joden bestaande gemeenschap, die het gat vulde tussen het Europese noorden van de stad en het Palestijnse Jaffa in het zuiden.

Er is altijd sprake geweest van immigratie van individuen uit Arabische landen, maar na de stichting van Israël in 1948 kwamen er in de jaren vijftig en zestig grote golven mensen naar de nieuwe staat. Hierdoor veranderde de demografie van het land drastisch: in 1948 was tachtig procent van de Israëlische joden Ashkenazi (afkomstig uit Europa), vandaag de dag is dat 47 procent. De nieuwe joods-Arabische immigranten werden ontvangen door de Europese zionistische joden, die in het nieuwe land al structuren en instellingen hadden opgezet.

Er werden specifieke programma’s ontwikkeld voor de opvang van de nieuwkomers. Vanaf het begin is geprobeerd hen te heropvoeden volgens Europese normen, waarbij de Arabische en niet-westerse wortels en culturen waaruit deze mensen voortkwamen werden genegeerd. In het verhitte publieke debat lopen de meningen uiteen over deze begintijd. Sommigen denken dat er sprake was van een cultureel misverstand als gevolg van de omvang van de immigratie en het onvermogen van het systeem om zo velen tegelijk op te vangen; anderen zijn ervan overtuigd dat het ging om een racistische poging om de Mizrahi-cultuur te ontdoen van haar Arabische eigenschappen.

Hoe dan ook is de Mizrahi-cultuur in Israël structureel genegeerd en daarmee zijn de verhalen die ermee verbonden zijn gewist uit de dominante cultuur. Er is altijd al sprake geweest van discriminatie jegens de Mizrahi-joden: velen kregen te maken met een sterke sociaal-economische achteruitgang, nog verergerd door de culturele en politieke verschillen met de dominante Ashkenazi-gemeenschap. De meesten van hen kwamen zonder bezittingen aan en hadden geen westerse opleiding, met als gevolg dat ze arm bleven en niet konden profiteren van de economische groei die Israël tientallen jaren heeft gekend. Uit recente statistieken blijkt een ernstige kloof qua opleiding en inkomen tussen de tweede generatie Ashkenazi’s en Mizrahi’s.

In Tel Aviv is al lange tijd sprake van een duidelijke scheiding tussen noord en zuid. De afgelopen decennia heeft Tel Aviv zich ontwikkeld tot een prachtige metropool en een centrum van cultuur en toerisme. Een deel van de stad is door Unesco erkend als mondiaal cultureel erfgoed, vanwege de unieke Bauhaus-architectuur. De typerende witte huizen hebben Tel Aviv zijn bijnaam van de ‘witte stad’ bezorgd. Shula is verbijsterd over deze naam en zegt: ‘Er is een witte stad én een zwarte stad.’

Zij ziet de Rothschild Boulevard als de demarcatielijn, de grens. Ten zuiden van die lijn is er van ontwikkeling geen sprake. Het contrast is groot: rioolwater stroomt er door de straten, er is een groot gebrek aan gezondheidszorg- en onderwijsfaciliteiten, en er is veel vervuiling. De afgelopen tien jaar is het contrast nog groter geworden door de komst van arbeidsmigranten en Afrikaanse vluchtelingen. ‘In een gebied dat is bedoeld voor vijfduizend inwoners wonen nu vijftigduizend mensen, grotendeels ongedocumenteerd, grotendeels mannen.’ De spanningen lopen hoog op tussen de ‘oude’ Mizrahi-gemeenschap in het gebied en de nieuwkomers.

‘Nu gebruiken ze onze buurten als de plek waar ze alle immigranten kunnen opbergen’

Shula wijst met een beschuldigende vinger naar de Ashkenazi-instellingen, de plaatselijke en nationale autoriteiten, die worden gedomineerd door de Europese joden. ‘Zij discrimineren en marginaliseren de Mizrahi-joden voortdurend. Nu gebruiken ze onze buurten als de plek waar ze alle immigranten kunnen opbergen. Dat is de reden dat je hier in het zuiden de Ethiopiërs, de Soedanezen en de arbeidsmigranten uit het Verre Oosten aantreft, met tienduizenden tegelijk. En dan zijn er de Ashkenazi-mensenrechtenactivisten, die hen komen steunen, terwijl de politie ervoor zorgt dat ze in de rest van de stad niet welkom zijn. En dan noemen ze ons racisten!’

Shula Keshet: ‘Buurten als het zuiden van Tel Aviv zijn een vruchtbare bodem geworden voor rechtse en fascistische stemmen’

Ik kwam Shula Keshet een jaar geleden tegen op een bijeenkomst over de veiligheid van vrouwen, waar inwoners uit de verschillende buurten van het zuiden van Tel Aviv samenkwamen. Bijna vijftig vrouwen waren in een kleine ruimte geperst, met dubbele ramen op straatniveau, die wordt gebruikt als het centrum van Beit Achoti. Die naam laat zich letterlijk vertalen als ‘Het huis van mijn zuster’. Het is de thuisbasis van de Mizrahi-groepering Mijn Zus, in 2000 opgericht als reactie op het feit dat alle feministische organisaties in Israël Ashkenazi waren. Mijn Zus heeft zich ten doel gesteld een stem te geven aan vrouwen uit zwakke en onzichtbare gemeenschappen.

De avond werd georganiseerd door het stadhuis van Tel Aviv, in het kader van VN-resolutie 1325 over gender, vrouwen, vrede en veiligheid. Deze resolutie erkent dat vrouwen tot nu toe zijn buitengesloten en geen besluiten kunnen nemen over vrede en veiligheid, terwijl ze vijftig procent van de wereldbevolking uitmaken. Resolutie 1325 richt zich op het potentieel van vrouwen en op het vermogen dat zij hebben om conflicten op te lossen en confrontaties te beëindigen.

De ruimte is overvol en de lucht is zwaar. Stemmen eisen dat de deur open blijft. Jonge en oude vrouwen van kleur vertegenwoordigen de gevarieerde etnische mengeling van mensen in dit gebied. De van nature luide stem van Shula domineert de chaos en haar toespraak neemt de vorm aan van een proclamatie. Ze opent het evenement door de leden van het gemeentebestuur en de voorzitster van de commissie voor de verbetering van de positie van vrouwen in de stad, de advocate Gabi Lasky, te verwelkomen. Shula complimenteert hen met de keuze om de bijeenkomst in het zuiden van de stad te organiseren.

‘In de context van resolutie 1325 is dit geen arm gebied, maar een conflictzone’, zegt ze. ‘Naast huiselijk geweld is er ook veel geweld in de openbare ruimte, met een hoog percentage aanrandingen en verkrachtingen door mannen. Opmerkelijk genoeg stuit dit op oorverdovende stilte van de kant van de vooral witte feministische beweging, ook al weet die hoe onveilig het hier is. Volgens hen is het politiek incorrect om te praten over het feit dat de Afrikaanse vluchtelingen er de oorzaak van zijn. Dat is idioot. Dus wat ik zeg is: welkom iedereen, onze stemmen moeten worden gehoord, en samen kunnen we – Inshallah – de verandering teweegbrengen waar we allemaal op wachten.’

Vervolgens introduceert de moderator van de avond de talking stick, ontworpen om ervoor te zorgen dat slechts één persoon tegelijk het woord kan voeren. De stick gaat de ruimte in voor een voorstelrondje.

‘Mijn naam is Nitza: een buurvrouw, voor de eerste keer hier.’
‘Mijn naam is Shifra Biton, uit het zuiden van Tel Aviv, lid van de plaatselijke actiegroep The Not Nice Ones.’
‘Marhabba, ik ben Sukis Yahel, een inwoner van het Palestijnse Jaffa.’
‘Shalom! Mijn naam is Maria uit Congo, ik woon hier al vijftien jaar. Ik ben voorstander van een seksboycot van mannen.’

De stick komt bij Gabi Lasky, de mensenrechtenadvocate en een van de organisatoren van de bijeenkomst. Zij is een kleine, modieus geklede blondine. Ze houdt de stick omhoog, zich ervan bewust dat ze opvalt in de menigte: ‘Ik ben heel enthousiast om hier vrouwen te zien die zo veel weten over resolutie 1325, vanuit een politiek gezichtspunt en vanuit een wetenschappelijke invalshoek. En ook vrouwen uit deze buurt die hier iedere dag leven. Deze brug tussen theorie en praktijk is heel belangrijk.’

‘Mag ik iets zeggen?’ Shula interrumpeert haar met haar keiharde stem. ‘Ik heb gehoord dat iemand zei: “Stemmen uit het veld.” Wij zijn het veld niet, ik ben van hier, geboren en getogen. Wij zijn kenniscentra. Van ons leren jullie alles. Het kan niet zo zijn dat jullie hier komen en luisteren, en dan denken ons iets te kunnen leren.’

De woorden van Shula vallen goed bij het publiek. De stick komt in handen van een andere buurtbewoonster: ‘Mijn naam is Miriam. Mijn gezin en ik komen uit dit gebied. Ik ben een eenvoudig iemand, zonder opleiding en zonder beroep. Ik heb er genoeg van dat mensen van buiten komen om naar ons, de buurtbewoners, te kijken alsof we dieren zijn. Ik heb jullie altijd alles verteld wat ik op mijn lever had, alles. Jullie kwamen en vroegen: wie is er verkracht, wie is er aangerand, waarom ligt er zo veel vuilnis op straat? Maar hoe zit het met de straatlantarens ’s nachts? Ik vraag jullie nu: doen jullie wel iets met wat we aan jullie vertellen?’

Shifra neemt de stick over van Miriam: ‘Ja, wij zijn de laboratoriumratten. Wil de burgemeester van Tel Aviv zijn uitspraken over vrede, gelijkheid en veiligheid nakomen? In de eerste plaats moet hij ons gelijkwaardig maken aan de mensen uit het noorden van Tel Aviv. Daar kun je om twee uur ’s nachts veilig op straat lopen, maar hier niet. Ik voel me niet veilig! Na tien uur ’s avonds doen ze de straatlantarens uit. Dan wordt het pikkedonker op straat. Ik doe de deuren van de auto op slot, omdat Afrikaanse vluchtelingen proberen de auto open te breken. Ik ben bang voor mijn kinderen. Eerst bespringt de politie ze, want die is niet alleen wreed tegen zwarten, maar ook tegen Mizrahi-joden. Vervolgens ben ik bang voor seksuele intimidatie door de idiote hoeveelheid daklozen en buitenlandse arbeiders die hier rondhangen en die proberen onze kinderen te grazen te nemen.’

Ze vervolgt: ‘Ik hoor woorden die niet eens in mijn woordenboek voorkomen. Ik wil begrijpen waar jullie het over hebben, maar ik moet in Shula’s oor fluisteren en vragen: wat betekent dat woord?’ Shifra voelt zich inferieur, maar maakt indruk met haar brutale eerlijkheid en straatwijsheid. ‘We hebben jullie hulp nodig. Onze kinderen hebben jullie hulp nodig!’ schreeuwt ze.

‘Als we eenmaal weg zijn, bouwen ze wolkenkrabbers voor de rijken.Maar we zijn overlevers. We geven onze plekken niet zomaar op, we zijn niet dom’

De enige man in de zaal vraagt om de talking stick en probeert het gesprek een pragmatische wending te geven: ‘Ik ben door de burgemeester benoemd als hoofd van de stedelijke diensten, en ik ben hier om jullie uit te nodigen om jullie ideeën en verzoeken aan mij door te geven. Ja, ja, concrete dingen. We maken verandering tastbaar.’ Hij probeert de geërgerde stemmen gerust te stellen met een voorbeeld van de jongste feministische overwinning: ‘We hebben nu zeker gesteld dat er niet alleen mannelijke reddingszwemmers op het strand zijn, maar ook vrouwelijke. Dat is een prestatie!’

‘Die reddingszwemmers op het strand kunnen ons gestolen worden, we zijn hier omdat we bang zijn voor ons leven!’ Shula schreeuwt het uit van ongeloof: ‘Je hallucineert! Wil je weten wat je moet doen? Je moet beginnen de lantarens ’s nachts aan te doen!’

Shifra, links, naast Shula in Beit Achoti (Het huis van mijn zuster), de thuisbasis van de Mizrahi-groepering Mijn Zus

Het huis van Shifra Biton bevindt zich in het centrum van Hatikva, een van de buurten in het zuiden van Tel Aviv en een van de ergste ‘sloppenwijken’. De inwoners, met name die uit Jemen en Irak, hebben de wijk berucht gemaakt vanwege hun weigering te buigen voor de discriminatie. Ofra Haza, een van de eerste Jemenitische zangers die uit de ‘wereld van de cassettes’ in de mainstream terechtkwam en een internationale ster werd, komt uit deze wijk. In tegenstelling tot de goed geconserveerde Bauhaus-architectuur in het noorden van de stad zijn de meeste huizen in Hatikva vervallen, ze zijn van zandsteen gebouwd. Sommige zijn zelfs onveilig geworden voor de bewoners.

De gemeente renoveert de huizen niet, hoewel de waarde van de grond stijgt. ‘Ze willen dat we uit eigen beweging vertrekken’, speculeert Shifra. ‘Als we eenmaal weg zijn, bouwen ze wolkenkrabbers voor de rijken. Maar wij zijn overlevers. Wij zullen onze plekken niet zomaar opgeven, wij zijn niet dom.’ Ook de aanpalende wijken, legt Shifra uit, hebben te kampen met vastgoedproblemen. ‘Mensen beweren dat ze hun huis hebben gekocht vóór de stichting van de staat, dus ze hebben de juiste papieren niet. Of ze hebben rare huurcontracten, waar geen heldere voorwaarden voor toekomstige generaties in staan.’ Typerende problemen voor de Mizrahi-gemeenschap, waar vaak de noodzakelijke juridische kennis ontbreekt. De meeste mensen konden vroeger lezen noch schrijven, en degenen die de Arabische dialecten wel meester waren, stuitten op de taalbarrière. Vandaag de dag verkoopt de plaatselijke overheid zulk vastgoed aan tycoons, waardoor mensen die er al lang wonen met de nieuwe eigenaren juridisch in de slag moeten om compensatie te verkrijgen.

‘Negentig procent van de bevolking van deze buurt is arm’, zegt Shifra. ‘Wij, allemaal Mizrahi’s, vechten voor ons dagelijks brood. Geen Ashkenazi komt hier wonen, hoewel er onlangs een paar nieuwe Russische immigranten en studenten kwamen. En nu hebben we hier ook Eritreeërs en Soedanezen. Dit is Babylon! De laatste golf vluchtelingen heeft ons zwaar getroffen.’

Shifra legt uit: ‘Als ik in de schoonmaakbranche zou werken zou ik mijn prijzen moeten verlagen, omdat zij slechts de helft vragen. Een alleenstaande moeder zoals ik kan niet rondkomen van de bijstand, je hebt iets extra’s nodig, maar dat moet dan wel “zwart” zijn, anders gaat het van je uitkering van 2500 shekel af. Het is een kwestie van overleven.’

Shifra moest in haar sociale huurwoning een hellingbaan bouwen die haar in staat stelt haar zestienjarige zoon, die geheel verlamd is, in zijn rolstoel te verplaatsen. Ze heeft de zorg voor hem en haar andere vier kinderen, in haar eentje. Ze voelt zich gezegend dat haar vader haar altijd heeft geholpen. ‘Nu doet mijn moeder dat, van het eenvoudige salaris van een ambtenaar. Het systeem van sociale bijstand is nutteloos voor mij, te meer omdat ze blijven dreigen mijn kinderen van me af te zullen nemen. In plaats van me te helpen, maken ze me onzeker. Ik zou hen wel eens willen zien dealen met waar ik mee te maken heb. Ik ben sterk. Ik vecht tegen ze.’

De geur van gebakken schnitzels verspreidt zich door het huis. Binnen is het een blije chaos van kinderen en vrienden. Mizrahi-gemeenschappen hebben statistisch gezien meer kinderen per gezin. Daarom hebben ze meer geld nodig om deze kinderen te steunen als ze opgroeien en naar school gaan. Het is een cultureel verschil dat in het bijstandsstelsel altijd weer in negatieve zin ter discussie staat. De afgelopen jaren bleven aantijgingen van Ethiopische vrouwen over gedwongen geboortebeperkingsinjecties in de lucht hangen. Maar ik weet uit eigen ervaring dat mijn grootmoeder werd geïntimideerd door Europese verpleegsters die betwijfelden of zij in staat was op zo’n jonge leeftijd zo’n groot gezin op te voeden. Kinderen van Mizrahi-vrouwen werden meegenomen naar ziekenhuizen, en sommigen verdwenen zelfs. Dit leidde tot de affaire van de Jemenitische kinderen, die de verdwijning van honderden, mogelijk duizenden Mizrahi-baby’s en -peuters omvat en de Israëlische samenleving tot heden tot op het bot verdeelt.

Veel Ashkenazi-leiders hebben in racistische termen uitdrukking gegeven aan de culturele verschillen. De voormalige premier Golda Meir maakte bijvoorbeeld geringschattende opmerkingen over het onvermogen van Mizrahi’s om aan gezinsplanning te doen. In 1971 reageerde zij op een mannelijke Mizrahi, die tegen haar zei dat hij het maken van veel kinderen zag als zíjn manier om Israël te steunen, met: ‘Israël dankt u. Stop nu met het maken van kinderen en concentreer u op die u al heeft.’

Shifra maakt zich de meeste zorgen over haar veertienjarige zoon: hij zwerft door de straten van de stad, en ze weet eenvoudigweg niet waar hij is. Ze is bang dat hij zal bijdragen aan de hoge jeugdcriminaliteitscijfers van de buurt. ‘Deze jongeren hebben niets te doen. Ze hangen rond in het openbaar groen, roken en neuken. En dan zeggen ze tegen ons dat onze kinderen niet in het onderwijssysteem passen.’ Shifra’s moeder zit de hele tijd op de bank haar kleinkinderen te knuffelen. ‘Het is een goede jongen’, zegt ze. Ze geeft de Afrikanen de schuld: ‘Die lopen hier allemaal dronken rond, en wij zijn bang. Heb je niet gehoord van die oudere vrouw die geslagen werd door een van die Afrikanen? Hij vermoordde haar met één klap, ze kwam net uit de supermarkt.’

Een maand geleden liep een Soedanese man midden in de nacht de slaapkamer van Shifra’s moeder binnen. Gelukkig was ze nog wakker en kon ze ontsnappen om de politie te bellen. Shifra probeert de opmerkingen van haar moeder te nuanceren: ‘Er zijn zo veel Afrikanen hier, en ze zijn zó wanhopig.’

De zeventienjarige dochter van Shifra komt tussen beiden vanuit de keuken: ‘Yallah oma, wat is er nu verkeerd in onze wijk? Als je naar Ramat Aviv in het noorden gaat, zegt niemand hallo tegen je. Hier loop je over straat en groet iedereen je met omhelzingen en kussen.’ Shifra is het daarmee eens: ‘Ja, dat is waar, we steunen elkaar. Een week geleden liep de man van een buurvrouw weg, en ze had geen geld voor de Brit Mila van haar jongste kind. We zijn allemaal bij elkaar gekomen en hebben ervoor gezorgd dat ze de ceremonie thuis volgens de bijbelse regels kon uitvoeren. Dat is onze Mizrahi-cultuur: we springen bij en geven onze steun. Maar dat is niet de oplossing voor wat hier aan de hand is. We zijn begraven tussen de Russen die de drank en de Noord-Afrikanen die het geweld en de drugs meebrachten. We kunnen niet winnen’, zegt Shifra in een zeldzaam moment van kwetsbaarheid.

Shapira, Zuid-Tel Aviv. Vlak bij Zina’s huis

‘We hoeven niet te worden afgezonderd, we zijn mensen net zoals jullie’, zegt Zina, een vluchteling uit Soedan die al ruim tien jaar in Israël woont en niet met haar echte naam in de krant wil. ‘We willen mengen. Misschien moeten jullie ons gewoon leren kennen. We zijn net als jullie, alleen zwart.’ Zina woont in Shapira, een andere buurt in het zuiden van Tel Aviv. Ze is een vluchteling met papieren. Iedere twee maanden wordt haar visum verlengd. En zo gaat het al tien jaar. In een donker appartement op de benedenverdieping heeft ze een kinderdagverblijf in haar huiskamer, met zes babybedjes. Peuters rennen in het rond. Het is bescheiden en simpel, schoon en warm. Immigrantencrèches zijn de laatste tijd in het nieuws geweest vanwege tragische incidenten waarbij kinderen zijn omgekomen. Dit werd veroorzaakt door onkundigheid en veronachtzaming, door zowel ouders als verzorgers. Zina vertelt dat veel van de kinderen die onlangs zijn overleden ziek waren. Hun moeders wisten dit, maar konden het zich niet veroorloven hen naar de dokter te brengen. ‘Zij denken: als ik het kind naar de dokter breng, ben ik een dag kwijt en daarna misschien wel mijn baan. Ze geven er dan de voorkeur aan het kind naar de dagopvang te brengen. En dan gebeurt dit.’ Deze dagopvangcentra zijn in deze Afrikaanse gemeenschap van ongedocumenteerden geboren uit noodzaak. Ze hebben geen toegang tot de openbare kinderdagverblijven en krijgen geen kinderbijslag.

Zina leunt tegen de helblauwe muur, voor de grote koelkast. Haar grootste probleem is nu het stadhuis, dat wil dat zij haar gan, Hebreeuws voor kinderdagverblijf, sluit. ‘Mijn gan is geen bedrijf, ik help alleen mensen. Gan betekent voor ons: bij elkaar zijn. Je kinderen achterlaten bij een vrouw die je kent. Dan is iedereen blij. Ze geven me zeshonderd shekel (141 euro) per maand, soms slechts 500 (117). Ik zeg: oké. Ze zeggen tegen me: ik heb geen man, ik ben alleen. Ik moet de hele dag werken. Wat moet ik dan zeggen? Baruch Hashem, God zij gezegend, we hebben genoeg om te eten en om anderen te helpen.’

‘Ik wil niet terug naar Soedan’, zegt Zina. ‘Ik heb kinderen. Het is niet veilig daar. Ik had wat familie, maar ik weet niet meer waar die is gebleven. Kijk naar onze kinderen, die zijn gelukkig. Ons leven is goed hier. Onze kinderen hebben de kans hun school af te maken. Die kans heb ik zelf nooit gehad.’

‘De mensen die hier in armoede leven en door de modder lopen, zijn nog steeds de Mizrahi en de Palestijnen en de Ethiopiërs’

Zina was tien jaar toen ze Soedan lopend verliet. Ze verbleef een tijdje in Caïro en kwam via de Sinaï naar Israël. Zina praat zacht, en is nogal verlegen, wat in tegenspraak lijkt met de onverschrokkenheid die nodig is om naar verre landen te reizen. Ze beschrijft lichamen achter in een auto, mannen en vrouwen gekleed als gesluierde moslimvrouwen. Haar man, die intussen de kamer is binnengekomen, begint te huilen, en ze vertelt over het einde van de reis. ‘Nadat we de grensmuur waren overgeklommen, zeiden de bedoeïenen: ren, ren, je bent nu veilig, je bent nu in Israël.’ Met een glimlach vertelt ze me vreselijke verhalen. In feite is het een liefdesverhaal. Ze is haar liefde gevolgd. Ze wist dat haar man in Israël was, en dat is wat haar maandenlang heeft geholpen de stress van het reizen te doorstaan, zonder te weten wat haar te wachten stond.

Op de achtergrond zijn de kinderen aan het ruziemaken, in het Hebreeuws. Het is duidelijk dat deze gemeenschappen met elkaar strijden om de weinige middelen in een beperkt gebied dat arm en veronachtzaamd is en slechts een paar kilometers verwijderd ligt van een van de meest geprivilegieerde Israëlische steden.

In het huis van Shula Keshet, aan de Matalonstraat, horen we op de radio Margalit Tzanani, een in Jemen geboren zangeres die nu de koningin van de Mizrahi-muziek wordt genoemd. Shula zingt de memorabele zin mee: ‘Hoppa, hoppa, hoppa, dit is niet Europa!’ Ze herinnert zich heel goed dat Ehud Barak Israël ooit ‘een villa in de jungle’ heeft genoemd. Hij bedoelde dat Israël een westers juweel was in het centrum van het Midden-Oosten, van de Arabische, Palestijnse jungle. Shula zegt: ‘De jungle bevindt zich in de villa zélf. Wij zijn die jungle. Ze zien de Palestijnen als dieren, maar ons ook, vol minachting. Ze verwerpen de Arabische cultuur.’ Zij denkt dat dit de wortel van het probleem is: de Europese visie die ertoe heeft geleid dat de joodse pioniers zich zo slecht gedroegen tegen zowel de inheemse Arabieren als de Arabische joden. Dit conflict, met alle bijbehorende trauma’s, speelt zich af tussen oost en west, volgens Shula, en niet tussen moslims en joden.

‘De internationale critici, en in het bijzonder de Europese publieke opinie, richten zich op het Israëlisch-Palestijnse conflict, maar beschouwen het niet als een gevolg van de Europese geschiedenis, en meer in het bijzonder van de Europese koloniale mentaliteit. En ze hebben beslist weinig op met het Mizrahi-joodse verhaal, met die joden die slachtoffers waren van deze koloniale operatie. Over het algemeen heeft het Westen geen oog voor zijn aandeel in de mislukte educatie van het Midden-Oosten, omdat het bij voortduring heeft geprobeerd zijn overtuigingen en ethiek naar de regio te exporteren.’ Shula heeft het gevoel dat de Europeanen, als gevolg van hun mentaliteit en de taalbarrière, eenvoudigweg de regionale conflicten hier niet kunnen begrijpen, en schade aanrichten door oplossingen aan te bieden die altijd opnieuw voortvloeien uit Europese normen en een Europese logica.

Shula probeert een plek te vinden voor de Mizrahi-identiteit binnen de internationale antiracistische beweging, en binnen het grotere postkoloniale verhaal. Ze verwerpt de identiteitspolitiek: ‘Wij zijn vrouwen van kleur. Vrouwen van kleur zijn niet alleen Afrikaans. Ze zijn Spaans, Arabisch. Onze strijd is de enige die over etniciteit en klasse gaat en met de vinger wijst naar het witte privilege, in ons geval de Ashkenazi-joden. De Palestijnse strijd positioneert louter Arabieren en joden tegenover elkaar, en de Ethiopische louter wit en zwart. Ze hebben geen begrip voor de complexe etnische identiteiten die het gevolg zijn van onderdrukking. We moeten de ene strijd met de andere strijd verbinden. Huidskleur is niet de enige definitie van kleur, ook onze etniciteit doet daarin mee. Arabieren in de Verenigde Staten zijn naar de rechter gestapt om in beroep te gaan tegen hun identificatie als wit. Ze zijn niet wit. Het Midden-Oosten is niet wit.’

‘Wat wij ervaren is de vernietiging van onze buurten. Voor de immigranten zijn die alleen maar tussenstations. Niet voor ons. Toch mogen we niet toestaan dat ze de zwakke gemeenschappen tegen elkaar uitspelen.’ Shula verzet veel werk om de verschillende gemeenschappen te ontmoeten en bij elkaar te introduceren – om racistische uitspraken en gevoelens terug te dringen. In Beit Achoti heeft ze dialogen georganiseerd tussen de oude bewoners en de vluchtelingen. ‘We moeten schouder aan schouder tegen het gentrificatieproces in deze buurten staan’, voegt Shula eraan toe, ‘tegen de rijke mensen die proberen hier goedkoop aan een huis te komen. Ze willen dat wij allemaal vertrekken, zodat ze weer een deel van de “witte stad” kunnen inrichten. Ik zie het zo: gentrificatie is de nieuwe bezetting.’

Shula doet haar best om de inwoners van het zuidelijke deel van Tel Aviv te activeren en te organiseren. De begane grond van Beit Achoti is altijd open voor voorbijgangers. Als een dakloze vrouw binnenkomt, krijgt ze een drankje. En als ze het gesprek telkens opnieuw verstoort, wordt ze met geduld en begrip toegesproken – dat is de manier waarop Shula vrouwen zoals Shifra en Zina benadert.

Shula heeft Shifra ontmoet tijdens de ‘sociale revolutie’ in 2011. Samen hebben ze de revolte van de Rothschild Boulevard naar het zuiden van Tel Aviv gebracht, naar Hatikva, naar het hart van de crisis in de sociale huursector. Samen hebben ze acties ondernomen als het veranderen van de straatnamen in Mizrahi-namen. Ze hebben namen als ‘Baba Sali’-straat of ‘Ofra Haza’-straat gebruikt. Shifra heeft me verteld hoe hartverwarmend het was om het niet langer over Rothschild of Ben Gurion te hoeven hebben, omdat deze straten met de namen van Ashkenazi-joden voor hen een herinnering waren aan discriminatie, racisme en onrecht.

De afgelopen jaren heeft de wederopleving van de Mizrahi-cultuur vaart gekregen. Gesteund door hun numerieke voordeel en de nieuwe belangstelling voor hun cultuur werden de Mizrahi een groep van belang. ‘Wit, intellectueel links heeft de Mizrahi jarenlang genegeerd’, zegt Shula. ‘Zij hebben hun politieke aanwezigheid vormgegeven vanuit een monoculturele, witte openbare ruimte. Dus buurten als het zuiden van Tel Aviv zijn een vruchtbare bodem geworden voor rechtse en fascistische stemmen. De recente regeringen hebben de Afrikaanse vluchtelingen als zondebokken gebruikt, die verantwoordelijk zouden zijn voor de problemen van het zuiden van Tel Aviv.’ Frustratie, angst en ondeugdelijke educatie hebben Mizrahi-stemmers in de armen gedreven van conservatieve, rechtse bewegingen. ‘Wij hebben dit probleem en onze kritiek op de politieke agenda van links gezet.’

Shula schetst een helder beeld waarin iedereen het slachtoffer kiest dat hij of zij graag wil omhelzen. Het gaat allemaal over belangen. ‘Het is makkelijker voor de witte linkervleugel om de Afrikaanse vluchtelingen te omarmen’, legt ze uit, ‘dan om toe te geven dat de Mizrahi-gemeenschap hier ook een slachtoffer is. Erkenning van ons betekent dat ze hun privileges zullen moeten opgeven. En dat betekent: de Rothschild-barrière neerhalen en ons in dezelfde omstandigheden laten leven als zij, met dezelfde scholen. En dat de vluchtelingen ook naar hun gebieden kunnen verhuizen of naar de kibboetsen.’

De Mizrahi-cultuur breekt door naar de televisieschermen en de radio, haar stem wordt eindelijk gehoord. Maar Shula wil dat dit wordt vertaald in concrete verandering. ‘Als iemand denkt dat onze problemen worden opgelost omdat we nu een paar Mizrahi-gezichten op televisie zien of omdat een paar van deze kwesties worden besproken, heeft hij of zij het mis. De mensen die hier in armoede leven en door de modder lopen, zijn nog steeds de Mizrahi en de Palestijnen en de Ethiopiërs.’

In de jongste vluchtelingencrisis dreigde de overheid alle Afrikaanse vluchtelingen naar Rwanda te deporteren. Shula zag haar kans: ze begon een campagne tegen de deportatie van álle inwoners uit het zuiden van Tel Aviv, de Afrikaanse vluchtelingen én de Mizrahi-gemeenschap. Dit leidde tot een succesvolle campagne, met betogingen die alle verschillende groepen in het zuiden van de stad bijeen brachten: Afrikaanse vluchtelingen en immigranten, Ethiopiërs, Soedanezen, Palestijnse inwoners, Mizrahi’s en mensenrechtenactivisten. Ze gingen allemaal samen de straat op om de bedreigde buurten te redden.

Een indrukwekkende en hoopvolle verandering voor het gebied laat nu haar sporen na in grassroots-initiatieven, die oplossingen aanbieden aan de plaatselijke overheid. Shula lobbyt voor deze plannen. Zij verbindt de vluchtelingenstrijd tegen deportatie met de strijd van de armen in het zuiden van Tel Aviv, grotendeels Mizrahi’s, tegen de voortgaande gentrificatie van het gebied. Ze ziet de oplossing in de wederopbouw van het gebied, en het verspreiden van de vluchtelingen over het hele land om werk en inkomen zeker te stellen. Een bondgenootschap tussen de Mizrahi’s en de vluchtelingen is geboren.

Shula is openhartig en kiest geen partij. Ze heeft ongezouten en verrassende meningen. Ze denkt dat er geen snelle manier is om welk conflict ook op zichzelf op te lossen. ‘Het Mizrahi-probleem is nauw verbonden met alle andere conflicten en de oplossingen zijn afhankelijk van elkaar.’

De oude koloniale instellingen en het staatsracisme moeten eerst worden ontmanteld, aldus Shula, en dan zullen oplossingen die we ons nu nog helemaal niet kunnen voorstellen makkelijker worden. Dit is niet iets wat het Westen vanuit zijn geprivilegieerde positie kan bereiken. Dat gaat hier niet werken. Dit is het Midden-Oosten.


Met medewerking van Simon van Melick, Vertaling Menno Grootveld