Ger Groot

Hopsasa

Sinds kort is mijn dochtertje dol op Mozarts Zauberflöte, die ze vanaf de achterbank te pas en te onpas door de autoluidsprekers horen wil. De muziek kent ze inmiddels van binnen en van buiten, de woorden nog niet. Met moeite herken ik, door haar hardop meegezongen la-la-la heen, de opkomstwoorden van Papageno: Der Vogelfänger bin ich ja,/ stets lustig, heissa hopsasa! Heel vertederend en cultureel correct. Aan deze familie is de Europese beschaving goed besteed. Maar plots voel ik mij, midden in het Brusselse spitsverkeer, verstrakken. Nooit eerder is mij de strekking van de tweede strofe zo ijzig om het hart geslagen: Ein Netz für Mädchen möchte ich,/ ik fing’ sie dutzendweis’ für mich!/ Dann sperrte ich sie bei mir ein,/ und alle Mädchen wären mein. In de stad die zojuist de tiende verjaardag van het Dutroux-schandaal herdacht heeft, zijn dat geen loze woorden. Meisjes, gevangen bij dozijnen, raken nog altijd een beurse plek in de collectieve ziel, die maar niet geneest van de ontzetting over wat twee eeuwen geleden nog een vrolijke dagdroom kon zijn.

Die onschuld lijkt inmiddels eindeloos ver weg, en daarmee ook de onbekommerdheid waarmee de gruwel ooit als een idylle werd beschreven. Wenn alle Mädchen wären mein,/ so tauschte ich brav Zucker ein,/ die, welche mir am liebsten wär/ der gäb’ ich gleich den Zucker her. Het is alsof er in deze woorden postuum alsnog een overschot aan betekenis binnensluipt die ze bezoedelt, terwijl het panorama langzaam verschuift van Sars-la-Buissière naar het Oostenrijkse Strasshof an der Nordbahn.

Is het niet precies de droom van Wolfgang Priklopil die Papageno in zijn slotregels beschrijft? De idylle wordt daarin compleet, al moet Natascha Kampusch daar heel anders over hebben gedacht: Und kusste sie mich zärtlich dann,/ wär’ sie mein Weib und ich ihr Mann./ Sie schlief’ an meiner Seite ein,/ ich wiegte wie ein Kind sie ein. Door die sprookjesachtigheid moet ook die andere Wolfgang zich hebben laten begoochelen, toen hij zijn muziek schreef onder de woorden van zijn librettist Emanuel Schikaneder. Of droeg aan het einde van de achttiende eeuw het sprookje nog de schrikwekkendheid in zich die het verloor toen het in de daaropvolgende eeuw tot kinderliteratuur verviel? Wat gebeurt er in Mozarts Singspiel eigenlijk – zo is wel eens opgemerkt – met de vogeltjes die Papageno vangt voor de Koningin der Nacht, maar die niemand in haar rijk ooit meer hoort zingen? Klinkt daarin al niet een Unheimlichkeit door die een latere lectuur onder suikerzoetheid heeft bedolven?

Zo opent Die Zauberflöte op een veel sinisterdere toon dan daarin gewoonlijk is gehoord. De gruwelijke letterlijkheid van Papageno’s woorden werd er letterlijk uit weggedrongen, en in het Brusselse verkeer wens ik alsnog dat dat nooit meer veranderd was. Niet alleen vanwege de verschrikkingen die voorbij gegaan zouden zijn aan wie in België inmiddels witte kinderen heten. Maar ook – op de secundaire plaats die de fictie tegenover de werkelijkheid toekomt – omdat het werk van Mozart ervan gevrijwaard zou zijn gebleven. Onschuldig kan het openingslied van Papageno vanaf dit ogenblik nooit meer worden.

Die postume bezoedeling rust in wat de Franse filosoof Derrida de oneindigheid van de betekenis genoemd heeft. Want wat een woord te zeggen heeft, weten wij nooit definitief en bovenal: uitputtend. We weten wél wat wij ermee bedoelen, maar onze goede bedoelingen zijn de werkelijkheid niet. In die laatste zwerft het woord onbeheerd rond, belast met de hele geschiedenis die het – doorgegeven van mond tot mond – met zich mee te torsen krijgt.

Zo daalt ook de verkilling onherroepelijk neer op Mozarts Zauberflöte, vanaf het moment dat in Sars-la-Buissière de tuin werd omgespit. We moesten daarop wachten voordat de woorden van Papageno eindelijk weer tot ons doordrongen in wat zij zeiden. Want die postume gebeurtenis, tweehonderd jaar later, vormt niet alleen een uitwendig toeval, een ongeluk dat Schickaneders tekst louter van buitenaf overviel. Ze zeiden altijd al wat zij bleken te zeggen toen het fatale moment gekomen was. Ze waren nooit onschuldig, maar niemand zag het nog. De lezer en denker in mij zegt dat ze daarmee alleen maar intrigerender worden: hersteld in de gruwelijkheid die het sprookje werkelijk belichaamde en die zoveel meer te zeggen heeft dan een operettelieflijkheid. En daarvan moet de kunst het hebben. Ze moet ons schokken, niet troosten en al helemaal niet sussen. Ze scherpt ons de werkelijkheid in – óf stelt niets voor.

Dat is allemaal waar, maar iets in mij betreurt zijn teloorgegane naïviteit. Het wil niet horen van de gruwelijkheden die het wijs, of liever gezegd argwanend maakt. Het zou het liefst zelf een goede en vertrouwde Papageno willen zijn en meezingen met de stem vanaf de achterbank: la-la-la, lustig, heissa hopsasa!