Horatius domweg gelukkig onder de hoge plataan

Horatius, De lyrische gedichten. Vertaald door Piet Schrijvers. Uitgeverij Ambo, 200 blz., f49,50.
Een blos van plaatsvervangende schaamte was de enige mogelijke reactie op Piet Schrijvers’ stukje in het themanummer over vertalen van De Gids (juli ‘93). Niet alleen solliciteerde hij daarin op vrij onbescheiden wijze en tamelijk voorbarig naar de Nijhoffprijs, tevens onthulde hij aan zijn vertaling van Horatius’ oden begonnen te zijn in een toestand van ontreddering: de Romeinse lierdichter zou hem geholpen hebben de lange, eenzame zomer na zijn echtscheiding door te komen.

Dat kan nooit wat worden, denk je dan. En is het wat geworden? We moeten eerst maar eens kijken over wat voor poezie we het hebben.
Als zoon van een vrijgelaten slaaf uit de provincie koos Horatius in de burgeroorlog die na de moord op Julius Caesar ontbrandde, de goede en dus verliezende kant. Gelukkig verleende Octavianus als keizer Augustus de geschiedenis ingegaan zijn voormalige tegenstanders amnestie, zodat ook Horatius met een nette kantoorbaan in zijn levensonderhoud kon voorzien. Al gauw wist deze kritische intellectueel met zijn scherpe doch tactvolle poezie de aandacht van de autoriteiten op zich te vestigen, hetgeen hem geen windeieren legde. Maecenas deed hem een landgoed cadeau, zodat hij ongestoord, als een Komrij in Portugal, aan zijn levenswerk kon vijlen. Tweeduizend jaar geleden, in november van het jaar 8 voor Christus, overleed de dichter, achter in de vijftig, als een pafferig, rechts mannetje met een oeuvre dat, geheel overeenkomstig de verwachtingen van zijn maker, duurzamer dan brons bleek te zijn.
De lyriek van Horatius is volstrekt uniek. Als er al zo iets als een volksaard bestaat, dan zou je kunnen beweren dat de Romeinen ieder gevoel voor lyrische poezie ontbeerden. Ja, in de eerste helft van de eerste eeuw voor Christus werden er korte gedichten in alexandrijnse trant geschreven: ‘leukige’ versjes vol toespelingen op obscure mythologie, die geleerde dandy’s aan elkaar opdroegen. Binnen dit 'postmoderne’ genre denk maar aan H.C. ten Berge en Huub Beurskens was Catullus een gelukkige uitzondering. Horatius greep liever terug op de lyriek die een half millennium eerder op het eiland Lesbos werd geschreven: door en door in de samenleving verankerde liederen over haat, liefde, drank en politiek zoals Sappho en Alcaeus die schreven. Horatius’ verbluffende experiment heeft kennelijk zo'n indruk gemaakt dat geen enkele Romein na hem ooit nog enig lyrisch gedicht van belang heeft voortgebracht.
De Nederlandse dichters bij wie Horatius zich het meest thuis zou voelen, zijn Bloem en Eijkelboom. Waar Faverey en Kouwenaar proberen het gedicht een autonomie te geven die het bijna onzedelijk maakt om dat wat er staat met de maker in verband te brengen, spreekt Horatius zijn lezers toe als een oudere, soms wat melancholische vriend. Een wijntje en een trijntje slaat hij niet af, maar zijn die niet voorhanden, dan vindt hij het ook best. Zoals bij alle grote dichters gaat zijn werk voor een groot deel over Eros en Thanatos. Maar anders dan absolute denkers als Faverey (ik bedoel uiteraard de spreker in zijn poezie, niet de historische persoon) realiseert hij zich terdege dat het voor ons welbevinden soms essentieel is dat de huur op tijd is overgemaakt en dat het niet alle dagen regent. In een recent artikel heeft Schrijvers erop gewezen dat Horatius ook als moralist nooit extreme standpunten inneemt. De adressaten aan wie de oden gericht zijn, krijgen vaderlijke adviezen die getuigen van tact, gezond verstand en een grote sociale intelligentie. Juist deze wat truttige moraal heeft er waarschijnlijk toe bijgedragen dat Horatius’ werk eeuwen lang heeft stand gehouden geen aanbeveling om de gedichten te gaan lezen, zou je zeggen.
Het unieke van Horatius’ lyriek schuilt dan ook niet in zijn thematiek maar in zijn taal. Het soortelijk gewicht van zijn zinnen is enorm, er staat nooit een overbodig woord, de woordgroepen grijpen als geoliede tandwielen van degelijke makelij in elkaar. Ik kan het niet beter zeggen dan Nietzsche: 'Diese Musik von Worten, wo jedes Wort als Klang, als Ort, als Begriff, nach rechts und links und uber das Ganze hin seine Kraft ausstromt, dies Minimum an Umfang und Zahl der Zeichen, dies erzielte Maximum in der Energie der Zeichen.’ De enige Nederlandse dichter wiens taal misschien een indruk kan geven van de concieze kracht van Horatius’ Latijn, is Chris van Geel. Daar komt nog bij dat de woorden die Horatius gebruikt, over het algemeen niet typisch dichterlijk of verheven zijn. Het 'materiaal’ is eigenlijk vrij alledaags, net als bij Nijhoff. Bovendien heeft Horatius een rijke verscheidenheid aan oorspronkelijk Griekse versvormen in het Latijn geintroduceerd, die hij allemaal met dezelfde vanzelfsprekende natuurlijkheid beheerst.
Wie het in zijn hoofd haalt deze gedichten te willen vertalen, neemt dus een groot risico, vooral omdat heel klassiek geschoold Nederland over zijn schouder meekijkt. Toch hebben in de afgelopen eeuwen honderden meer of minder professionele vertalers het geprobeerd, met wisselend succes. Vondel maakte een wat harkerige, maar letterlijke prozavertaling, Bilderdijk herdichtte de helft van Horatius’ oden tot briljante lierzangen die niet zelden drie tot vijf maal zo lang als het origineel zijn, terwijl ook de strekking van Bilderdijks woorden soms het tegenovergestelde is van wat Horatius wil beweren.
Moderne vertalers bewegen zich meestal tussen deze extremen. Vijftien jaar geleden verscheen bijvoorbeeld de bij vlagen zeer vrije vertaling van F.J. Brevet, wiens poetische techniek beslist niet onderdoet voor die van Sinterklaas. Min of meer metrisch is de letterlijk bedoelde versie van Louis van de Laar (Ambo, 1987) die dermate stroeve zinnen schrijft dat de lezer zich soms vertwijfeld afvraagt of hij bij vergissing verzeild is geraakt in een roman van Vestdijk. En Paul Claes, de geleerdste Belg aller tijden, die zich kennelijk heeft voorgenomen de gehele wereldliteratuur te vertalen, mist elk gevoel voor ritme.
Piet Schrijvers, groot liefhebber van Bloem en Nijhoff, heeft gekozen voor een vertaling waarin de meest kenmerkende metrische bouwstenen van Horatius’ verzen gehandhaafd zijn, zonder dat hij als een gefrustreerde lettergrepenteller het Nederlands geweld heeft willen aandoen. Natuurlijk gaat er ook bij Schrijvers wel eens iets mis hij had misschien, overeenkomstig Horatius’ advies, beter nog een paar jaar kunnen wachten met publikatie. Maar dat neemt niet weg dat deze vertaling verreweg de beste van de eeuw is.
Ik laat hier het begin van de Pyrrha-ode, een berucht struikelblok voor vertalers, in vier versies volgen. De lezer oordele zelf:
Brevet: Wie, blonde Pyrrha, is die slanke jongeman, die met een overvloed van geuren en van rozen, je naloopt om zich met je in een hoekje te verpozen?
Voor wie is het, dat je je gouden lokken samenbindt als een onschuldig en behaagziek kind?
Van de Laar: Wie is die slanke jongen, die in veelheid van rozen, in reukwater gebaad, je nazit Pyrrha, in de beschutting van een grot? Voor wie vlecht je het blonde haar
in schone eenvoud?
Claes: Wie is die schrale jongen op dat rozenveld die klam van geur jou in je lustspelonk omknelt? Voor wie heb jij je blonde lokken, Pyrrha, opgebonden
in stille weelde?
Schrijvers: Welke tengere knaap overgoten met geur poogt in het tuinprieel onder de rozenhaag, Pyrrha, jou te belagen? Voor wie vlecht je het blonde haar,
argeloos prachtvertoon?
De vertaling wordt voorafgegaan door een voortreffelijke inleiding. Het enige bezwaar dat men tegen dit boek zou kunnen hebben, is dat de annotatie wel erg summier is. Maar laten we niet zeuren: 'Waarom nemen we niet onder een hoge plataan/ of bij deze pijnboom, domweg gelukkig,/ met ons grijze haar geurend naar rozen/ en Syrische nardus, een glaasje samen,/ zolang het kan?’