Hurenkamp

Horige

Wordt het ooit wat met het burgerschap van de Nederlanders? Anders dan in Frankrijk of Amerika is het begrip burgerschap in Nederland mondjesmaat ingeburgerd. Het betekent eenvoudig dat de overheid benoemd is door ons en dat we haar vertegenwoordigers kunnen wegjagen als ze het slecht doen. Maar in Nederland heet er spruitjeslucht om burgerschap te hangen – het doet denken aan de kleinburger die we niet willen zijn, en daarom praten we er maar niet over. Burgerschap is daardoor eerder onbekend dan onbemind. Toch zijn de afgelopen jaren zo veel plannen over burgerschap gemaakt, in het onderwijs, in allerlei probleemwijkaanpakken, dat de gemiddelde burger niet meer terugdeinst wanneer het woord valt.
Maar gaat het de goede kant op met de inhoud van dat burgerschap? De regering werkt al een tijdje aan een Handvest Burgerschap, dat als doel lijkt te hebben vast te leggen dat de burger verantwoordelijkheden heeft. Met twee woorden spreken, de buurvrouw helpen – de opvattingen van André Rouvoet, die al in 2005 pleitte voor zo’n Handvest, klinken duidelijk in de plannen door. Vandaar vermoedelijk ook dat de PvdA-bewindslieden op de departementen waar het handvest gemaakt moet worden, geen haast maken om het op papier te zetten. Burgerschap teert in deze opvatting vooralsnog op het thema dat de burger niet deugt, dat hij een lastpak is waar je stevig tegen op moet treden, dat hij ‘calculerend’ (Pim Fortuyn), ‘veeleisend’ (Bram Peper), ‘verwend’ (Hans Dijkstal) is en niet bereid bij te dragen aan het al-gemeen belang. Flink wat daadkracht van de kant van de politiek krijgt hem vanzelf weer in het gareel. Allemaal verplicht inburgeren, bij iedereen achter de voordeur kijken zodra er problemen lijken te zijn in het gezin, contracten sluiten met buurten, opdat iedereen zich daar aan de regels houdt – en dan maar afwachten tot die moderne horige weer zijn gemak houdt.
Duh.
Het net verschenen jaarverslag 2007 van de Nationale Ombudsman legt uit dat deze benadering van de burger als horige niet handig is. Het begint met de stelling dat 98 procent van de burgers ‘deugt’, want niet in aanraking is gekomen met het Openbaar Ministerie. Natuurlijk meppen ze hun buurman eens bij wijze van overleg over diens barbecuefrequentie en brengen ze niet elke mobiele telefoon die ze op straat vinden plankgas naar ‘gevonden voorwerpen’. Maar daarmee richten ze de maatschappij niet te gronde – integendeel. Het is de onvermijdelijke wrijving die je krijgt als je veel mensen bij elkaar stopt die allemaal gelukkig willen worden. Het zijn natuurlijk wel mondige mopperaars, die burgers, en dáár is de overheid bang voor. Door de dienstverlening efficiënter te maken of zelfs te privatiseren, hoopt de overheid hen tevreden te krijgen. Maar die burgers ervaren dat ambtenaren (‘frontsoldaten’) zich daar-door harder jegens hen opstellen. De beleidsmatige focus op resultaten (in het onderwijs of de zorg) en handhaving (bij de politie) maken dat de burger aan het loket lang niet altijd denkt: fijn, ik word snel geholpen, maar: verdomme, ik word gedrild. Waarop hij kribbig naar een of andere radicale partij aan de rand van het politieke spectrum snelt.
Een overheid die burgerschap wil, moet investeren in publiek ethos en niet in tevreden burgers. Dienstverlening aan burgers moet draaien om het idee dat deze het resultaat is van democratische belangenafweging, niet van vraag en aanbod. Burgers die niet happy zijn, moet je serieus nemen door naar ze te luisteren en ze waar nodig tegen te spreken. Burgerschap is georganiseerde ruzie, geen lijfeigenschap.