TONEEL

Hormonenslapstick

Staal

Kijkend naar de productie Staal met als ondertitel ‘een fysieke montagevoorstelling met jongens in de schijnwerpers’ sloeg mijn ingebouwde tijdmachine spontaan terug naar de jaren zeventig: hoe zou hier veertig jaar geleden op zijn gereageerd? Zou er een radicaal-feministische meidengroep voor het theater hebben gestaan met spandoeken tegen het veronderstelde vrouwonvriendelijke karakter van de productie? Was het Roze Flikker Front uit pak ’m beet Groningen pamfletten komen uitdelen tegen de clichés van homo’s, die in Staal weliswaar niet voorkomen, maar die ze er wel in projecteerden, zoals er veertig jaar geleden wat af-geprojecteerd werd? Ik weet nog dat ik me rot schrok toen een briesende COC'er van het postuur Henk Krol me in 1969 een pamflet in handen drukte terwijl ik de Kleine Komedie verliet waar Toneelgroep Centrum de nichtenklucht Jongens onder elkaar had gespeeld, met als ik me goed herinner Hans Dagelet als doorgeef-jongenshoer. The times they are a changin’. Vandaag de dag valt de herenliefde onder de protectie van types als Hero Brinkman, een griezel naast wie ik nog niet afgetuigd gevonden wens te worden.
Ter zake! De jongens uit Staal! Het zijn er zeven. Ze hebben om te beginnen een toffe ome Joop meegenomen, een aan de blues verslaafde oudere jongere, zo'n gozer die ze in het vroegere voetbal een 'ausputzer’ noemden, een vrije verdediger die alles al heeft gezien en die je niks meer hoeft wijs te maken. Hier heet hij Joop van Brakel, een gelauwerd musicus en componist, een geniale 'geluiden-maker’, die ter plekke in zijn door hem beschermde en bevrijde territorium een muzikaal tapijt, eigenlijk een muzikale judomat, onder de voorstelling legt. Verder zingt hij een aantal sfeervolle liederen over grootgroeien, over meisjes en over vaders. Hij is de spil van deze voorstelling, hij speelt een superieure rol in de authenticiteit ervan. Dé jongens zijn tussen de achttien en 33, de jaren waarin je je nog met recht en reden 'jongen’ mag noemen, hoewel sommigen in je Umwelt het bij het klimmen der jaren al voorzichtig met 'vent’, 'kerel’ of in het ergste geval met 'pik’ of 'gozer’ proberen.
Het verhaal (dat ze níet lineair vertellen maar op de vloer laten 'ontstaan’) is in vijven geknipt: na een proloog waarin ze zich voorstellen is er een deel over het kneden van het jongenslijf; dan eentje over die grootgegroeide jongen binnen in iedere jongensjongen, namelijk de (al dan niet afwezige) vader; middenin zit een deel over de meiden, inclusief een geestige cursus verleiden, tot slot is er een epiloog over leidersjongens, omvallende helden en hinkstapspringende identiteiten. Je merkt niks van die delen, omdat ze slim en uitbundig door elkaar heen zijn gemonteerd: Staal is op een meanderend-improviserende manier 'gescript’, wat de authenticiteit van ook de meligste grappen in stand houdt, de sterkere grappen en vondsten zijn zonder meer voltreffers. En het was al werkende weg goed met elkaar toeven, dat zie je, dat voel je tussen die zeven zinderen, dat is het lekkere aan de voorstelling, die haar sappigheid voorts ontleent aan een reeks sterke staaltjes martiale vechtsport, acrobatiek, fysiek acteren op hoog niveau, spicy hormonenslapstick, en die de onthufterde humaniteit treft in een aantal korte, sterke en vooral ontroerende scènes, waarin duidelijk wordt dat ze elkaar en het onderwerp niet hebben gespaard. Moniek Merkx, de moeder van Theatergroep Max, heeft kortom met haar zeven jochies en haar vaste muzikale rechter-duizendpoot Van Brakel in Staal een van de beste Nederlandse jongerenvoorstellingen van de afgelopen jaren gemaakt.

Theatergroep Max speelt Staal t/m 1 december overal in het land, www.tgmax.nl