Van bioscoop naar huiskamer

Horror is hip

Angst en weerzin zijn kernthema’s in zowel de nieuwsmedia als het horrorgenre. Beide werelden vloeien in elkaar over. Horror heeft de tijdgeest mee.

Een paar seconden in Throne of Blood bevatten de essentie van het horrorgenre. In Akira Kurosawa’s versie van Shakespeares Macbeth verschijnt een tovenaar in het bos voor een samoeraiheerser, gespeeld door Toshiro Mifune. Dood je meester en grijp de macht, beveelt de magiër. Later beschrijft Mifune het incident aan zijn vrouw, de actrice Izuzu Yamada. Deze «Lady Macbeth» vertrekt geen spier van haar gezicht. Terwijl ze in het niets staart, zegt ze dat het advies van de tovenaar klopt. Immers, prevelt ze, wie weet, mijn man, is je meester op dit moment bezig jouw moord te plannen. Beter is hem een stapje voor te zijn. En geen grotere Macbeth dan Toshiro Mifune, die als een waanzinnige reageert. Hoe durf je dat te zeggen! Mijn meester is een goede meester en ik ben een getrouwe onderdaan!

Het mocht niet baten. Het zaadje is gezaaid; het kleine vrouwtje in de kimono staat met minimale lichaamsbeweging op. Ze beweegt in de richting van een schijnbaar onzichtbare kamer. Schuifelend, doch doelgericht. De camera volgt haar. Ze is geen mens van vlees en bloed meer. Ze glijdt over de vloer, als een geest. Ze zweeft de donkere kamer in — en dan verdwijnt ze. Een, twee, drie seconden. De deuropening is zwart. Terug in beeld beweegt ze, met in haar handen een kommetje gif, bedoeld voor veiligheidswachten die de slaapkamer van de meester bewaken. Dan, geweld: dode wachten, een meester met een doorboord hart en zwart-wit bloed aan de handen van vrouwe Yamada en haar man. De film is zo weergaloos geschoten dat je tijdens het kijken het kleverige bloed, ongetwijfeld knalrood, aan je eigen handen kunt voelen.

Throne of Blood (1952) is een meesterwerk én het is horror ten voeten uit. Er is een reden waarom deze film nog steeds angstwekkend en actueel is: het horrorgenre bloeit op. Wie dezer dagen een willekeurig multiplex in een willekeurig land op aarde bezoekt, kan zich verkneukelen over Cabin Fever, een herverfilming van het klassieke The Texas Chain Saw Massacre, Freddy (van A Nightmare on Elm Street) vs Jason (van Friday the 13th), de zoveelste Halloween, het onverwacht leuke Jason X, de regisseursversie van Alien en straks Alien vs Predator.

Niet alleen op het witte doek leeft horror. Het genre overheerst de hitlijsten van populaire fictie, met bekende namen als Stephen King, Peter Straub, V.C. Andrews, Anne Rice en Dean Koontz. In toenemende mate erkent het literaire establishment de waarde van horror. Onlangs kreeg King, de koning van literaire horror, een prestigieuze oeuvreprijs van de National Book Foundation.

Het genre heeft de tijdgeest mee. Net als in horrorfictie en -films zijn angst en weerzin hoofdthema’s in de moderne nieuwsmedia. Het is alsof er een scheur zit in het dunne weefsel dat verbeelding en werkelijkheid scheidt, zodat elementen van beide werelden door elkaar vloeien. Wat volgt zijn geen fragmenten uit romans of filmscripts, maar is een willekeurige greep uit het nieuws van de afgelopen twee weken:

BERLIJN (Reuters) — De Duitse politie bekijkt thuisvideo’s gemaakt door een sekskannibaal die klaarblijkelijk een laatste avondmaal bestaande uit geflambeerde penis had gedeeld met zijn gewillige slachtoffer voordat hij hem had opgesneden en ingevroren, zodat hij hem later kon opeten.

PEKING (ANP) — In China is dinsdag een seriemoordenaar ter dood veroordeeld die zeker zeventien jongens om het leven heeft gebracht. Tienduizenden mensen hadden zich verzameld rond de rechtbank in Pingyu om rechtstreeks getuige te zijn van de uitspraak. Dat meldden Chinese media.

WASHINGTON (USA Today) — De waarschuwingstekens schreeuwen het uit: een dodelijk, besmettelijk griepvirus ligt op de loer, zeggen experts, en de wereld is er niet klaar voor.

Twee dingen overheersen in deze berichten: angst voor het virus en voor de killer in China en weerzin vanwege de daden van Armin Meiwes, de 42-jarige computerexpert en «sekskannibaal» die volgens zijn advocaat «absoluut geen monster» is. Dat is Meiwes natuurlijk wel, wat de reden is waarom zijn daden walging oproepen. Maar zoals in de beste horrorfilms veroorzaken die daden ook verwondering. Internetgebruikers verslinden de berichtgeving rond Armin. Dat doen ze ook met de zaak van de 29-jarige Chinese killer Huang Yong.

Zo vreemd is de obsessie met het gruwelijke ook weer niet. Wie leest er niet graag een goed griezelig griepverhaal in de krant? Bewust of onbewust denkend aan virusangstnarratieven die over vele generaties het collectieve onderbewustzijn binnen zijn gestroomd? Het nieuwste voorbeeld: 28 Days Later van de Britse regisseur Danny Boyle. Met zijn verhaal over geïnfecteerde zombies die heel Engeland bevolken, speelt Boyle ge raffineerd in op virusangst, politieke corruptie en het gevaar van militaire dictatuur. Het is een van de beste films van het afgelopen jaar. Dat is tekenend. Want horror is leuk, horror is hip, horror is deel van het leven.

In horror zijn de interessantste verklaringen psychologisch van aard, met een vleugje geslachtspolitiek. De setting voor Kurosawa’s Throne of Blood is namelijk mannelijk: de Sengoku Jidai, of «Tijdperk van een land in oorlog». Dat dan juist een vrouw, de Lady Macbeth-figuur, de aanzet geeft tot moord en doodslag is hoogst subversief. Samoerai Mifune is simpelweg doodsbang voor zijn echtgenote. De scène waarin zij zich ontpopt als een bovennatuurlijk wezen illustreert datgene wat Barbara Creed het «monstrueus-feminiene» noemt, verwijzend naar de mythologie rond de vagina dentata en het tegenovergestelde hiervan, de fallische moeder. Ook relevant is het door Freud beschreven hoofd van Medusa dat, in de woorden van de dokter zelf, de man «stijf van angst» maakt. Welnu, vraagt Creed zich ondeugend af, gebeurt hetzelfde met de man die naar een horrorfilm kijkt? Wordt die ook «stijf»?

De relatie die Creed legt tussen mannelij ke angst en de horrorfilm is belangrijk. Zij keert terug in het standaardwerk The Powers of Horror van de Franse filosofe Julia Kristeva. Kristeva onderzocht twintig jaar geleden angst en weerzin als hoofdelementen van horrorfictie. Centraal in haar werk staat de term «abjectie» oftewel «verachtelijkheid». In navolging van Jacques Lacan stelt Kristeva dat abjectie zich voor het eerst manifesteert op het moment van scheiding met de moeder. In dat proces verandert de moeder in iets abjects, in een monster. Behalve in Throne of Blood treedt het moedermonster ook naar voren in bijvoorbeeld Psycho en The Birds van Hitchcock en Carrie van Brian de Palma. Innerlijk wordt de man verscheurd tussen twee dingen: zijn begeerte weg te breken van de moeder én zijn behoefte bij haar te blijven. Gevolg: geweld ingegeven door castratieangst. In de horrorfilm symboliseert het aan flarden snijden van het lichaam van de vrouw deze angst. Het abjecte is dus ambigu: enerzijds angst voor de vrouw, anderzijds het weerzinwekkende idee van haar gescheiden te zijn.

Kristeva’s grote waarde ligt hierin dat ze abjectie ziet als iets wat de vorming van identiteit in gevaar brengt. Het abjecte heeft te maken met slechte smaak, met horror: incest, menselijk slachtofferschap, excrement, bloed, de dood, de halfdood, kannibalisme, moord, moreel verval en seksuele perversiteit.

In de horrorfilm staat de mens oog in oog met deze dingen, gepersonifieerd door figuren als Hannibal Lecter, Norman Bates, Freddy en Jason, Dracula, Frankensteins Monster of het amfibische creatuur van de Black Lagoon. Het «doel» van de horrorfilm is het afschudden van het abjecte, zodat de mens een «normale» staat kan bereiken. De betekenis van horror is daarom ook te vinden in W.B. Yeats’ gedicht The Second Coming, waarin de dichter voorspelt dat gruwelijk heden als «A shape with lion body/ And the head of a man» op komst zijn.

De horror in Yeats’ werk heeft met anarchie te maken. De angst voor de algehele wetteloosheid is de basis van een van de populairste horrorsubgenres, de zombiefilm, wat ook Kurosawa’s Throne of Blood in zekere zin is. Na de «bloody business», zoals Shake speares Macbeth de moorden noemt, zit samoerai Mifune op de troon. Maar hij wordt geteisterd door angst voor de onbekende vijand. Angst gaat over in waanzin. In zijn kasteel krijgt hij bericht dat er iets aan de hand is in de omliggende bossen. Een blik over de muur leert dat zijn nachtmerrie waarheid wordt: in beeld verschijnen in mist gehulde bewegende bomen. Het zijn aanvallers die in de richting van het kasteel sluipen, als onstuitbare ondoden in de nacht.

Het meest abjecte van alle menselijke daden is kannibalisme. Niets is zo vernederend en weerzinwekkend als het opeten van de eigen soort. Daarom is kannibalisme een van de pijlers van de horrorfilm, ook van de horrorfilm die dezer dagen draait in Kassel, Duitsland. Afgelopen week heeft Armin Meiwes, inmiddels bekend als de Homo seksuele Internet Sekskannibaal, tegenover de rechter verklaard dat hij na de dood van zijn eerste slachtoffer op zoek was gegaan naar een ander. Want «het vlees is alles».

Qua muzikaliteit en ritme roept de nieuwe cyberkoosnaam voor Meiwes herinneringen op aan filmtitels als Mountain of the Cannibal God. De mens Meiwes is nu veranderd in een film. Dat is ironisch, want Meiwes zegt zelf door horrorfilms geïnspireerd te zijn. Onbekend is welke films hij bedoelt. Misschien het werk van de Canadese cineast David Cronenberg. In het oeuvre van Cronenberg zijn de personages geobsedeerd door body horror, door de curieuze werking van «het vlees». Het is heel goed denkbaar dat Meiwes en Cronenberg bezig waren met dezelfde problematiek, namelijk het oplossen van het probleem van mortaliteit. Angst voor de dood leeft juist bij kannibalen, bijvoorbeeld bij de antieke Tan-Tangata, de bewoners van Paas eiland, die dachten dat gestorven familieleden voortleefden wanneer hun lichamen werden opgegeten.

Het culturele belang van Meiwes en van het gedroomde kannibalisme is enorm. Beide bieden inzicht in de menselijke conditie door het doorbreken van taboes. Dat deed de beatschrijver William S. Burroughs eind jaren vijftig met zijn meesterwerk Naked Lunch. Aan het begin van het boek verwoordt hij als het ware de symbolische betekenis van kannibalisme in het horrorgenre: wie «naakt eet», ziet letterlijk de «naakte waarheid». Met andere woorden, in de geordende wereld van de burgerman is kannibalisme dermate shockerend dat alle pretentie wegvalt en de waarheid overblijft.

Zo radicaal als het boek is de filmversie van Naked Lunch niet. Regisseur David Cronenberg (wie anders?) heeft er wel een klassieke horrorfilm van gemaakt. Bij hem gaat het om het soort horror waar Julia Kristeva over schrijft: horror als abnormaliteit, als domein waar betekenis verbrokkelt en de heersende krachten aan het wankelen raken. In de film zegt het hoofdpersonage, Bill Lee: «Vernietig alle rationele denken. Dat is mijn conclusie.» Niets is zo ondermijnend als het wegvallen van het redelijke. De mens vreest datgene wat hij niet kan verklaren, meer dan wat ook.

Ook Cronenberg vreest dat. Hij is geobsedeerd door ogenschijnlijk onverklaarbare reacties en processen in het menselijk lichaam. In zijn film ligt het abjecte in de seksuele lichaamsfunctie, in het bijzonder de homoseksualiteit. De angst van Bill voor zijn eigen homoseksualiteit heeft te maken met zijn angst voor castratie, die in deze context gekoppeld is aan het schrijversblok, vandaar de monstrueuze schrijfmachine met een pratende anus. Bepalend is de onzekerheid over de vraag of de herenseks hereniging met de moeder, als symbool van het abjecte, mogelijk kan maken. Repressie en seksuele ambivalentie zijn het gevolg. Een vrouw stroopt haar huid af; daaronder verschijnt een man. Het laatste restje rationeel denken valt vervolgens weg: in een vogelkooi klampt een wezen met schubben en buisachtige tentakels zich vast aan de rug van een mooie jongen. De voelers van het wezen zijn scherp. Ze zijn de slapen van de jongen binnengedrongen, zodat bloed over zijn gezicht stroomt.

«Cruel are the times» — dat zijn de woorden die Ross in Shakespeares Macbeth spreekt vlak voor de moord op Lady Macduff en haar zoon. Het zijn profetische woorden, toepasbaar op Kurosawa’s Throne of Blood, het horrorgenre en de werkelijkheid van nu.

Het voelt steeds meer alsof de huidige tijd, net als die van de beatgeneratie, een wrede tijd is die schreeuwt om «naakte lunches», om in de sfeer van Burroughs te blijven. En Burroughs’ gif was sterk. Als hij protesteert tegen de doodstraf, doet hij dat door middel van geweldspornografie. Hij schrijft: «Laat hen (de machthebbers) zien wat ze waarlijk eten en drinken… the lunch as always is naked.»

Derhalve verlang je bij het volgen van het nieuws in de gecontroleerde mediamaatschappij naar de horror van een Burroughs, die zegt waar het op staat. Vooral als Jan Peter Balkenende oreert over «normen en waarden», de houding jegens buitenlanders in Nederland een nieuw dieptepunt bereikt of de oorlog tegen onschuldigen in Afghanistan en Irak een volgende, huiveringwekkende fase ingaat. Iedere dag opnieuw zie je het onuitsprekelijke, het vernederende, het angstwekkend politiek correcte. En je verlangt naar een poging de waanzin te stoppen, naar een proteststem, naar het uitdrijven van het abjecte. Naar normaliteit.

Het is niettemin de vraag of «normaliteit» mogelijk is. En of zij überhaupt gewenst is. Die vraag stelde ik toen ik de beste horrorfilm aller tijden opnieuw zag: The Texas Chain Saw Massacre (1974) van Tobe Hooper. Het is het verhaal van het monster Leatherface en zijn mensenvlees etende en vampiristische vader, broer en opa. Na een nacht van bloed en angst ontsnapt de laatste overlevende, een blond meisje, uit het slachthuis. Achtervolgd door Leatherface, met zijn snorrende kettingzaag, bereikt ze een snelweg. Ze weet achter op een vrachtauto te springen, zodat Leatherface alleen op de weg achterblijft. Dan een wijd shot: Leatherface, met vrouwelijke pruik, een gezicht van mensenhuid en in zwart pak, zwaait met zijn zaag tegen de achtergrond van de rode opkomende zon. Ik heb deze scène nooit werkelijk ervaren als een loutering. Immers, het monster is levend en wel, zodat niets wordt opgelost. Maar nu… op een vreemde manier hebben zijn bewegingen iets prachtigs, iets gracieus.

Dat is horror: keer op keer terugkeren naar de wereld van angst, ’s ochtends bij het lezen van de krant, maar vooral ook in de donkere nacht, na de vorige donkere nacht. Ik heb Hoopers film in twintig jaar tientallen keren gezien. Iedere keer weer was ik doodsbang, was mijn lunch met deze monsters naakt. Na de bizarre openingsscène met de omgekeerde armadillo bevond ik me keer op keer midden in de anarchistische nachtmerrie van seksuele ambiguïteit, staarde ik één uur en 22 minuten lang het verwerpelijke en het vernederende in het gezicht. En nu? Nu ben ik er klaar mee, nu houd ik van Leatherface. Psychoanalytici zullen zeggen: dat is een stap in het proces van het uitdrijven van het abjecte, een stap in de richting van normaliteit. En het vreemde is dat ik dat vreselijk vind.