‘hou het licht’

Na de oorlog werd hij directeur van De Arbeiderspers. Bijna twintig jaar leidde hij Querido. ‘Als ik geen poëzie had kunnen doen, had (ik geen uitgever willen zijn.’ De eeuw van Reinold Kuipers.

AAN DE TELEFOON bromt hij over journalisten die hun huiswerk niet hebben gedaan, hem citeren in een taal die onmogelijk de zijne kan zijn en dan ook nog namen verkeerd spellen. Hij hoeft hopelijk niet voor de zoveelste keer te vertellen hoe hij de uitgever werd van Annie Schmidt, Louis Paul Boon of, zoals hij zelf zegt, ‘de jongens van Barbarber’. En ik begrijp toch dat géén van zijn uitspraken een dierbare mag kwetsen? Nou ja, vooruit, dan moest ik maar komen.
Reinold Kuipers is een rijzige, hoffelijke heer van vijfentachtig, Groninger en uitgever in ruste. In zijn werkzame leven was hij afwisselend dan wel gelijktijdig dichter, typograaf en zondagsdrukker, verzamelaar van het werk van Richard Minne, Nelly Bodenheim en Noel Coward, liefhebber van brandewijn en sigaren, van Ierland, Erik Satie en Danny Kaye. Gravend in zijn geheugen naar de precieze informatie rondom personen en gebeurtenissen presenteert hij afwezig een kaneelbeschuitje bij de thee en vraagt permissie zijn schoenen uit te doen. Een voet doet pijn vanwege de ouderdomssuiker.
Van 1946 tot 1960 was hij directeur van De Arbeiderspers, van 1960 tot 1979 leidde hij samen met zijn vrouw Tine van Buul Querido. Dagelijks komen er nog vier kranten hun huis binnen en zondagochtend rijden ze naar Amsterdam voor de Engelse zondagsbladen. Na zijn pensionering kwam Kuipers aan de vaderlandse literatuur weinig meer toe. Wel is hij eindelijk eens écht Dickens gaan lezen, voor wiens genialiteit hij woorden te kort komt. Dat het in het vak allemaal zo veel minder zou zijn geworden, daar wil hij niets van weten: 'Uitgevers die kiezen op kwaliteit en met een boek het avontuur aangaan, bestaan nog steeds. Die gaan dóór met een auteur ook als hij niet zo goed verkocht wordt. Ze zijn in de minderheid, maar in mijn tijd was dat net zo. Het typografische niveau van het literaire boek is de afgelopen vijftig jaar enorm gestegen. Vroeger werden daar geen boekverzorgers bij betrokken. Dan moest de drukker er maar iets moois van maken. Alleen bij heel bijzondere gelegenheden werd De Roos ingeschakeld of Van Krimpen. Pas na de oorlog kwamen de uitgeverijtypografen.’
Een van hen was Wim Mol. Sinds zijn pensionering werkt hij wekelijks met Kuipers in de privé-drukkerij, waar een mens zich tussen de persen, de kasten en stapels boeken en papieren door moet wringen. Daar verschijnen de voornaam aandoende uitgaafjes van de Zondagsdrukkers te Amstelveen, in oplagen van dertig exemplaren. Bij de recente oogst zijn een vel met een nagelaten gedicht van J.C. Bloem, een handgekleurde centsprent van Mance Post bij een versje over brandewijn en een ongepubliceerd verhaal van Simon Carmiggelt. In het colofon lezen we tot op de millimeter precies over de herkomst van het pa pier, de gebruikte letter, de inkt, de lijm en het garen.
Het bestaan van de 'private press’ berust naar Kuipers’ idee op nostalgie en op de drang om helemaal zelf iets te maken. 'Vanaf het eind van de vorige eeuw had je van die privé-drukkerijtjes. Die waren altijd van rijke mensen en ik leefde met de gedachte dat je je dat als eenvoudige burgerjongen nooit kon permitteren. In 1953 was ik op een PEN-congres in Dublin, waarvan ik me voornamelijk herinner dat ik Willy Corsari in haar loodzware bontjas hielp. Ik dwaalde door Dublin en vond in een kunstnijverheidswinkeltje mooie boekjes, gemaakt door Liam Miller van The Dolmen Press. Ik zocht hem op en hij bleek gewoon bouwkundig tekenaar, met thuis een pers en wat letters. Terug in Amsterdam vertelde ik dat aan Carmiggelt en die zei, dat kunnen wij ook. Hij kende drukkerij Jesse goed, waar in de oorlog Het Parool was gemaakt en waar Simon had leren zetten. Daar mochten wij op zaterdagochtend aan de slag. In 1954 begonnen we met Twinset, een bundeltje gedichten van hem en mij. Later heb ik mijn eigen pers gekregen en is Simon ermee gestopt.’
('EIGENLIJK BEN IK toch het meeste typograaf’, vat Kuipers aan het eind onze gesprekken samen. Letters hebben hem zijn leven lang gefascineerd. 'Ik moet drie geweest zijn en kon uiteraard nog niet lezen, toen ik met mijn ouders op reis ging. Op het station hingen van die geëmailleerde reclameborden en een daarvan wees ik aan: daar staat Haagsche Post. Mijn vader had een abonnement en ik had de letter - de Columbia, met van die afgeronde schreven - herkend. In de begintijd met Tine overhoorde ik haar naar aanleiding van de gebruikte letter op de menukaart en ik heb zelfs nog eens een kunstvervalser helpen ontmaskeren. Een vriendje kon een collage van Kurt Schwitters kopen voor een mooi prijsje en vroeg mijn advies. Het werk was gedateerd op 1923. Van de letter op één van de gebruikte papiersnippers was ik bijna zeker dat die toen nog niet bestond. Ik heb alles geprobeerd, professor Ovink geconsulteerd en het Gutenbergmuseum in Mainz. Tevergeefs, tot ik hem bladerend in een letterproef tegenkwam: een variant op de Gill, van na 1927!’
Tijdens zijn uitgeversperiode bemoeide Kuipers zich intensief met het uiterlijk van zijn fonds. Regelmatig kon je zijn naam aantreffen bij de in het Stedelijk Museum tentoongestelde Vijftig best verzorgde boeken van het jaar. 'Een van de eerste dingen die ik bij De Arbeiderspers heb gedaan is de dubbele aanhalingstekens vervangen door enkele. Die gaven veel te veel gedoe op de pagina. Toen ik bij Querido kwam werd daar bij alinea’s niet ingesprongen. Dat was nog een overblijfsel van de Nieuwe Kunst-typografie: mooie rechthoeken maken. Ik onderscheid zetterstypografie en beeldende-kunstenaarstypografie. De laatsten staan als het ware achter hun ezel en vullen een vlak. Soms laten ze een tekst zelfs helemaal achter elkaar doorlopen. Dat is niet alleen hinderlijk om te lezen, maar het doet ook afbreuk aan de structuur van het geschrevene. Een tekst is van de schrijver en moet naar de lezer en niemand moet daartussenin kunsten gaan uithalen. Daar ben ik verdomd fel op. De kern van die visie heb ik te danken aan de Duitse emigrant Henri Friedlaender. Die heeft mij gevoed met alles wat hij wist, wat hij kon en met wat hij mooi en waardevol vond. Als het bij mij ooit enig niveau heeft gekregen dan is het door hem.’
Kuipers’ eerste baan, vers van de hbs, was assistent van de bedrijfsleider bij drukkerij Hoitsema: om half acht beginnen en vijftig gulden in de maand. De zetterijchef leerde hem in de avonduren het handwerk en daarnaast bezocht hij de avondschool van de Akademie Minerva, waar de tekenlessen werden gegeven door Ploeglid Jan Altink. Kuipers: 'Studeren, dat deden jongens van mijn klasse niet en bovendien moest ik geld verdienen. Toen ik vier was stierf mijn vader aan de Spaanse griep en mijn moeder moest kamers gaan verhuren. Ik was een artistiek bevlogen puber, met een passie voor dichten en tekenen. Mijn moeder heeft dat zeker niet aangemoedigd. Eigenlijk was ze bang voor het kunstenaarschap, want zoals toen werd gezegd: daar verdien je het zout niet mee in de soep'nbrij. Ik zat ’s avonds laat nog driftig te dichten en dan deed zij na elven het licht uit. Dat kostte geld én ik moest vroeg weer op.
In 1935 solliciteerde ik bij een reclamebureau als copywriter. Het was voor het eerst van mijn leven dat ik dat woord las. De directeur kwam thuis voor een gesprek en ik liet hem trots mijn gedichten in Forum zien, waarin ik het jaar daarvoor had gedebuteerd. Zo ging ik schrijven over Fongers-fietsen en King-pepermunt. Daarnaast zat ik bijna dagelijks in de leeszaal met mijn neus in de literaire tijdschriften, op zoek naar de nieuwe stemmen. De enige andere bezoeker was Hendrik de Vries, die was even gretig als ik. Zo las ik de eerste gedichten van Vasalis en van Bertus Aafjes en dan dacht ik, ja dat is wel weer iemand.
Met vrienden zaten we te bomen in de lunchroom. Een van hen introduceerde mij bij Hoogterp, leraar Frans en privaatdocent in het middeleeuws Latijn. Die liet me ruiken aan de Franse avantgarde en heeft me ontzettend veel laten lezen, Colette en Franse dichters als Tristan Derème. Hij was homoseksueel en was daar heel open over, wat voor die tijd nogal bijzonder was. Waarschijnlijk vond hij mij wel een mooie jongen, maar dat leidde nooit tot iets, bovendien was ik toen driftig verliefd. Hij was een van de sleutelfiguren in mijn leven, net als Hendrik de Vries.
Toen ik van school af was, heb ik daar met mijn schriftjes aangebeld. Hij was een engel van een man, leefde helemaal in de poëzie en of je nou een grote of een kleine was, je was dichter en dus welkom. Hij introduceerde me in een dichterskring met Ab Visser, Sjoerd Leiker en Dirk Verèl. Eens per maand kwamen we bij elkaar om ons nieuwe werk voor te lezen en soms was er een gast. Theun de Vries bijvoorbeeld hield woeste betogen: eens zullen hier in de straten de mitrailleurs van de revolutie klinken! Die christelijke heren moeten zich doodgeschrokken zijn. Toen P.H. Ritter junior eens na een lezing langskwam werd hem op typisch Groningse wijze gevraagd of het waar was dat uitgevers hem betaalden voor zijn recensies op zondagmiddag bij de Avro. Waarop Ritter met die een beetje bekakte stem antwoordde: “Heren, mijn bordeel moet toch ook lopen!” Later hoorde ik hoe het werkelijk ging. Ritter kwam met een plan voor een boek, kreeg een voorschot, waarna het boek nooit werd geschreven.’
NA WISSELENDE banen in drukkerij, uitgeverij en reclame werd Kuipers op 1 mei 1946 aangenomen als hoofd uitgeverij van De Arbeiderpers, een bedrijf met zo'n duizend werknemers dat gedeeld eigendom was van de partij en de NVV. De uitgeverij vormde maar een klein onderdeel: aan het Amsterdamse Hekelveld werd in de eerste plaats Het Vrije Volk uitgegeven. Kuipers: 'Ik wist veel van literatuur en ook hoe ik een boek gemaakt wilde hebben, maar ik had nauwelijks uitgeefervaring. Maar ik was nu eenmaal aangenomen voor die functie en dus oefende ik die uit. Zo simpel is het leven. Ik heb keihard gewerkt, de Arbo-serie en de AP-Jeugdserie weer opgepakt. Lezers abonneerden zich via de bezorgers van Het Vrije Volk en betaalden zo de helft - dat was toen 2,45 - van de boekhandelsprijs. Tijdens opruimingen in socialistische bejaardenhuizen komen die boeken nog bij stapels te voorschijn. Callenbach had de Nobelreeks, die werd uitgevent door de koster.
De signatuur van de uitgeverij bepaalde mede wat wij uitbrachten. Soms waren dat dodelijk saaie boeken over socialistische onderwerpen. Ik had regelmatig contact met Den Uyl, de toenmalige directeur van de Wiardi Beckmanstichting en ik ben nog thuis geweest bij de oude Drees. Die wilde een boekje met de karikaturen van hemzelf als minister-president. Van tevoren al onder de indruk belde ik aan bij een Haags rijtjeshuis, met zo'n klein voortuintje. Een zoon deed open en liet mij in een kamer met van die houten rookstoelen en kastjes met glazen deurtjes. Toen stapte Drees door de suitedeuren met een plakboek on der zijn arm en deden wij ons werk bij een kopje thee en een biscuitje. Die werkelijke eenvoud vond ik indrukwekkend. Zelf ben ik altijd lid van de partij geweest en van een Bond van het NVV. Ik heb nog een tienjarenspeldje.
Literair gezien heb ik mooie dingen kunnen doen bij De Arbeiderspers: Annie Schmidt, Louis Paul Boon, Willem van Toorn, C.O. Jellema en Remco Camperts eerste proza. Boon werd een vriend voor het leven en in die tien jaar dat ik weg was en de fusie tussen De Arbeiderspers en Querido nog geen feit was, bleef hij aandringen dat hij naar mij toe wilde. Dat was moeilijk, want ik vond dat wat bij De Arbeiderspers zat van de uitgeverij was en niet van mij. Annie Schmidt heb ik zo ook tien jaar afgehouden. Misschien was het niet commercieel, maar zo hoort dat. In 1971 stelde de toenmalige uitgever voor om Pieter Daens gemeenschappelijk uit te geven en daarna hebben we alles van Boon samen gedaan. In hetzelfde jaar kwam Annie met Pluk van de Petteflet bij Querido. Voor De Arbeiderspers zou dat veel te duur worden, met al die kleurenplaten van Fiep. Toen bleek dat de Nederlandse Boekenclub er wel tienduizend wilde, hebben we er dertigduizend opgelegd en de sprong gewaagd. Het was het begin van het kin derboekenfonds, waar we nooit spijt van hebben gehad.
Carmiggelt heeft het op een andere manier opgelost. Hij had voor mijn tijd in 1940 gedebuteerd met Vijftig dwaasheden en kwam na de oorlog terug met Honderd dwaasheden. Dat was een ongelooflijk succes. Ik hield erg van zijn werk en hij werd een van mijn beste vrienden. Hij was buitengewoon verstandig. Als ik met een probleem zat, legde ik hem dat vaak voor en dan sprak hij wijze en relativerende woorden. Simon is zijn uitgeverij trouw gebleven. Daar was hij nu eenmaal begonnen en hij was sociaal-democraat in hart en nieren. Maar wanneer er een nieuwe bundel moest komen liet hij mij eerst zijn Parool-knipsels lezen, die ik voorzag van plus-min, plus of plus-plus. Plus-min kwam niet in de bundel. Tot aan zijn dood is dat zo gegaan.’
OVER DE BEWERING dat een uitgever een soort vader voor zijn auteurs zou zijn, moet Kuipers lang nadenken: 'Natuurlijk is het voor een schrijver belangrijk dat zijn kwaliteiten herkend worden, maar ik draai het wel eens om. Een auteur heeft een jaar of langer aan een boek gewerkt. Dat is zijn kind en iemand anders gaat daar lief voor zijn, maar een moeder verdraagt dat moeilijk. Het lijkt een beetje op het verschijnsel schoonmoeder. Als auteur en uitgever zitten te kibbelen gaat het diep daaronder altijd over dat probleem, over de vraag van wie dat kind is. Een uitgever moet niet tegenover de wereld beweren dat het zijn boeken zijn, want dat zijn ze niet.’
Dat hij de 'Vader van Barbarber’ werd genoemd, is nog tot daar aan toe: 'Toen Bernlef, Schippers en Brands met hun tijdschriftje begonnen en elk omslag eigenhandig met viltstift maakten, waren het twintigers. En ik was diep in de veertig! Dan word je toch een beetje als bejaard gezien. We hebben heel veel met elkaar verkeerd, vreemde expedities naar Parijs ondernomen en ontzettend gelachen. Toen ze eens in een hotel in Noordwijk zaten, troffen ze daar een automaat waarin je een munt met eigen randschrift kon slaan. Zo kreeg ik een zinken munt, met als tekst: M. Duchamp et R. Kuipers, nos pères. Die bewaar ik zorgvuldig. Het was vooral de geest die mij aansprak. Het ironiseren van de werkelijkheid en het oog voor het kleine. Ik was een Forum-adept, heb een reuze hekel aan pathetiek, in alles. Mijn lijfboek vroeger was Bram Bliek op kostschool van drs. B. Polak. Dat heb ik misschien wel dertig keer gelezen en altijd moest ik weer even hard lachen. In de schoolbloemlezing op de hbs was Piet Paaltjens mijn dierbaarste dichter. Ik heb een voorkeur voor het niet-zware. Dat hoeft geen innerlijke lichtheid te betekenen, als het maar licht overkomt. Dat is kenmerkend voor veel wat ik heb uitgegeven.
Als ik geen poëzie had kunnen doen, had ik geen uitgever willen zijn. Voor de literatuur betekent het het zout in de pap. Het heeft ongetwijfeld ook iets met mijn eigen stappen op het poëtische pad te maken. Ik blijf altijd een soort dichter, maar een kleine, laten we daar heel kalm over zijn. Het is toch tekenend dat ik er niet mee door ben gegaan. Een echte dichter zet zijn hele leven op het spel voor dat dichterschap. Denk aan Achterberg. Ik heb in de jaren zestig nog wel eens wat geschreven, maar dat waren gelegenheidsgedichten. Voor Het Vrije Volk bijvoorbeeld, bij de 1(mei-viering. Weinig verzen zullen zo'n brede verspreiding hebben gekend, want de krant had toen een oplage van zo'n 350.000! Een paar weken geleden heb ik nog een ietwat lullig versje voor iemands pensionering geschreven. Rijmen kan ik nog wel. Uiteraard werd ik geremd door alle poëtische kwaliteit waar ik middenin zat. Hetzelfde gold voor de typografie. Ik kon aardig letters tekenen, maar Van Krimpen was er al en Helmut Salden zag je opkomen en toen dacht ik, dat haal ik toch nooit. Ik heb mijn talenten meer gebruikt om anderen de ruimte te geven dan om zelf wat te maken. Zo was het ook met uitgeven. Ik heb mensen gebracht omdat ik ze bewonderde en dan hoefde ik zelf niet meer.’
DIE BEWONDERING geldt eerst en vooral J.C. Noordstar en N.E.M. Pareau, vooroorlogse Groninger studentendichters, die hun eigen uitgeverijtje Ebenhaëzer exploiteerden. Kuipers bezit iedere mogelijke snipper van en over de onderneming. In de woonkamer hangt een melancholiek portret van de jonge Arnold Tammes - alias de dichter Noordstar - gemaakt door Ploeg-lid Jan Wiegers. Naast de pick-up prijkt een chocoladevorm voor een brave bolle beer, afkomstig uit de chocoladefabriek van de familie Tammes. Toen Kuipers zestien was schafte hij zich voor vijfennegentig cents De zwanen van Noordstar aan en was voor het leven verkocht: 'Het was een overweldigend debuut en ik was er gek mee. De toon was ironisch en melan choliek en hij schreef een soort parlando, dat hier volstrekt ongekend was. Alle poëzie was toen zangerig en sonoor. Mijn eerste uitgeversdaad ooit was het verzorgen van Pareau’s XXVIII Sonnetten, die in 1941 bij Balkema van het Huis aan de Drie Grachten verschenen. Later heb ik ze bij Querido gebracht, waar in 1967 ook De zwanen is herdrukt. Noordstar was erg afhoudend. Ik kwam wel eens bij hem thuis en begon erover, maar hij had al jaren afstand genomen van dat werk. Hij was hoogleraar internationaal recht geworden en beschouwde die verzen min of meer als een jeugdzonde. Uiteindelijk heeft de componist Rudolf Esscher, die een oude vriend was, hem overgehaald. Onder geen beding mocht dat boek ooit in de ramsj belanden. Ik was daar zo aan gehecht. Daarvoor word je uiteindelijk uitgever, om iets te kunnen maken wat zo dicht aan je eigen hart ligt. Nu heb ik, voor zover bekend, het fonds van dat uitgeverijtje Ebenhaëzer bijeengebracht, bibliografieën van de auteurs gemaakt en de geschiedenis geschreven. Het manuscript ligt sinds kort bij Querido. Ik hoop de verschijning nog mee te mogen maken.’
Aarzelend geeft hij toe dat hier misschien wel lijnen lopen naar zijn geboortestad en oorsprong: 'Die ligt toevallig daar, het had ook Leeuwarden kunnen zijn. Het gaat om de plek waar je jong bent geweest. Als wij van hier richting Groningen gaan zegt Tine altijd dat na Zwolle mijn ogen helder worden. Ik rijd ook graag even de provincie in. Zo via het Reitdiep, richting Leens, langs het geboortehuis van Werkman. Daar is het mij eigen, daar ligt mijn geschiedenis.’
Wanneer hij mij in mijn jas helpt, zegt hij nog dringend: 'Je moet het wel licht houden, hoor.’