Ons ijdele brein

Hou jezelf voor de gek

We vinden onszelf in bijna alles beter dan gemiddeld, leert psychologisch onderzoek. Verwerpelijke hoogmoed? Zelfbedrog kan best nuttig zijn.

Medium zelfbedrog2

‘Ik functioneerde redelijk’, zei de gewezen neuroloog Ernst Jansen Steur toen hij begin november voor het Medisch Tuchtcollege moest verschijnen. Zijn medicijnverslaving was een ‘diepe persoonlijke crisis’ geweest. Maar zijn patiënten, die hij ten onrechte voorhield dat ze invalide zouden worden of leden aan de ziekte van Alzheimer, had hij naar eigen zeggen nooit laten zitten. ‘Ik was er altijd als het nodig was voor jullie. Ook na werktijd.’ Catastrofale diagnoses? ‘Ik zou dat zo weer doen.’ Bovendien waren ze bij zijn collega’s echt niet beter af geweest. Dat waren ‘domme mensen’ die behoorden tot ‘de middelmaat’. Die ontsteeg Jansen Steur ruimschoots, met zijn zelf aangemeten professorstitel en dubbele achternaam.

Grootheidswaan, zelfbedrog en het verlangen de werkelijkheid een beetje op te poetsen zijn niet voorbehouden aan narcistische meesteroplichters en despoten. We lijden er tot op zekere hoogte bijna allemaal aan. De manieren waarop we onszelf voor de gek houden zijn even talrijk als hardnekkig, blijkt uit psychologisch onderzoek (zie kader). We denken dat we slimmer zijn dan anderen, gevoeliger ook, veelzijdiger en unieker. Wij zijn bovendien betrouwbaarder chauffeurs en betere minnaars. Onrealistisch optimisme tekent ook ons beeld van de toekomst. Natuurlijk vinden we een goede baan en kopen we een huis waar we oud in worden. Verongelukken of aan de drank raken is meer iets voor anderen. Gelukkig zijn we ook beter dan anderen in staat de valkuilen van onze illusies te omzeilen, menen we.

De ironie is dat we met al die bijzondere gedachten over onszelf behoorlijk gewoontjes zijn. Bijna iedereen denkt namelijk in bijna alles beter dan gemiddeld te zijn. Op groepsniveau is dat logischerwijs een onhoudbare stelling. Ook als zelfevaluaties van studenten vergeleken worden met hun testscores blijkt dat ze een wel erg rooskleurig zelfbeeld hebben. Het better than average-effect is een voorbeeld van wat psychologen ‘positieve illusies’ noemen: onrealistische gedachten die voortkomen uit denkbeeldige superioriteit. Vooral in individualistische westerse culturen, waarin eigenwaarde geput moet worden uit persoonlijke kwaliteiten, is de vertekening wetenschappelijk rijk gedocumenteerd.

Volgens evolutiebioloog Robert Trivers heeft onze hoogmoed een evolutionaire oorsprong. In The Folly of Fools: The Logic of Deceit and Self-Deception in Human Life (2011) beschrijft hij hoe bravoure in het dierenrijk rivalen kan afschrikken in de strijd om felbegeerde paringspartners. Het is een zichzelf waarmakende voorspelling: door onszelf te overbluffen, bluffen we anderen af. We houden de illusie van onze superioriteit bovendien in stand door succes toe te schrijven aan eigen kunnen. Als iets niet lukt, geven we liever de omstandigheden of de ander de schuld.

Vooral incompetente mensen onderschatten hun eigen incompetentie, zo toonden de psychologen David Dunning en Justin Kruger aan. Het ontbreekt de minder begaafden aan ‘metacognities’, het vermogen te reflecteren op eigen kunnen. Curieus genoeg doet iets soortgelijks zich voor aan het andere uiteinde van het spectrum, waar zelfoverschatting toeneemt naarmate mensen deskundiger menen te zijn. Zo beschrijft Nobelprijswinnaar en psycholoog Daniel Kahneman in zijn boek Thinking, Fast and Slow (2011) dat de voorspellingen van financiële topmannen over koersontwikkelingen negatief correleren met de werkelijkheid: als ze voorspelden dat koersen zouden stijgen, kelderden ze juist. Nog een voorbeeld: onder professoren vindt niet minder dan 94 procent zichzelf een beter dan gemiddelde hoogleraar.

Medium zeldbedrog1

Stelselmatige overschatting van het eigen kunnen wordt doorgaans beschouwd als een anomalie. Dat heeft ongetwijfeld morele wortels. Superbia (hoogmoed) is een van de zeven hoofdzonden, terwijl zelfinzicht een deugd is. Het aforisme ‘ken uzelf’ is niet voor niets toegeschreven aan Griekse wijsgeren als Heraclitus, Pythagoras en Socrates. Ook in de wetenschappelijke psychologie was het lange tijd een gangbare aanname dat een accuraat zelfbeeld bijdraagt aan een goede mentale gezondheid. Een gezond mens leeft in harmonie met de realiteit, was het adagium van de mastodont Abraham Maslow. Hij schreef: ‘Our healthy individuals find it possible to accept themselves and their own nature without chagrin or complaint. They can accept their own human nature with all of its discrepancies from the ideal image without feeling real concern.’ Mensen met een vertroebelde blik op zichzelf zouden kwetsbaar zijn voor geestesziekten – als ze daar al niet aan leden.

In 1988 durfden de psychologen Shelly Taylor en Jonathon Brown voor het eerst deze wijdverbreide opvatting te betwisten. In hun artikel Illusion and Well-Being: A Social Psychological Perspective on Mental Health stelde het Amerikaanse tweetal dat een overmatig positief zelfbeeld juist voordelen biedt. Een hoge eigendunk, misplaatste gevoelens van beheersing en onrealistisch optimisme verhogen ons geluksgevoel, zo concludeerden ze. Het maakt ons bovendien productiever in ons werk en weerbaarder tegen kritiek en tegenslag.

Brown en Taylor baseerden hun stelling mede op onderzoek dat het spiegelbeeld had aangetoond: mensen met weinig eigenwaarde en depressieve klachten bleken juist een erg realistisch zelfbeeld te hebben. ‘Deprimerend realisme’ noemen psychologen dat – de waarheid kan hard zijn.

Een zekere mate van zelfoverschatting is dus functionele fictie. Toch hebben tal van affaires in de financiële sector, de medische wereld, het wetenschappelijk bedrijf en de politiek de afgelopen jaren het anekdotische bewijs geleverd dat megalomanie vaak een spoor van vernieling achterlaat. Bernard Madoff, Diederik Stapel, Ton Hooijmaijers en voormalig Vestia-bestuurder Erik Staal kunnen erover meepraten. Overdreven optimisme kan nuttig zijn, stelt Nobelprijswinnaar Kahneman, maar het is ook een koppig brouwsel dat mensen ertoe brengt onverantwoorde risico’s te nemen. Psychologen wijten de excessen aan persoonlijkheidsstoornissen. Vooral met narcisme vormt zelfoverschatting een beruchte cocktail.

Het geeft hoogmoed een januskop: een te accuraat zelfbeeld is deprimerend, terwijl een al te hoge pet op hebben van jezelf haast niet anders dan ontluisterend kan uitpakken. Uiteindelijk gaat het om de bandbreedte, om wat hoogleraar psychologie Roy Baumeister heeft omschreven als ‘the optimal margin of illusion’. Zelfs Diederik Stapel was daarvan doordrongen toen hij zijn eigen onderzoeksresultaten verzon, vertelde hij in een interview in The New York Times. De data moesten niet te mooi zijn om waar te zijn. Dat geldt ook voor zelfbedrog. Het is best nuttig, maar je moet wel een beetje realistisch blijven.


Zo houden we onszelf voor de gek

1. Denkbeeldige superioriteit
Oftewel het better than average-effect. Als we onszelf vergelijken met anderen dichten we onszelf meer positieve eigenschappen en minder negatieve eigenschappen toe. De neiging tot zelfverheerlijking betreft (cognitieve) vaardigheden, levensomstandigheden, de kwaliteit van onze relaties en persoonlijkheidskenmerken. Zo vonden studenten in een experiment dat ze eerlijker, origineler en vasthoudender waren dan hun klasgenoten, en minder onredelijk, minder vijandig en – opmerkelijk genoeg – minder ijdel.

2. De zelffelicitatie
Zelfs als onze hoogmoed regelmatig gelogenstraft wordt door de realiteit blijven we in zelfoverschatting volharden. De reden hiervoor is dat we succes graag toeschrijven aan eigen kunnen. Als iets mislukt geven we graag de omstandigheden of een ander de schuld.

3. Het gevoelige ik
We voelen ons niet alleen beter, maar ook gevoeliger dan anderen. Toen deelnemers aan een experiment gevraagd werd zich in te beelden hoe zijzelf, een goede vriend en een vage bekende zouden reageren op een heftige gebeurtenis, meenden ze dat zijzelf intenser zouden meeleven maar daar minder mee te koop zouden lopen.

4. Het veelzijdige ik
We vinden onszelf toch al rijke persoonlijkheden. Dat blijkt uit experimenten waarin mensen gevraagd wordt een aantal persoonlijkheidskenmerken aan zichzelf toe te schrijven. Participanten rapporteren stelselmatig over meer eigenschappen te beschikken dan anderen.

5. Bedrieglijk uniek
Ondertussen zijn we natuurlijk wel uniek. Als we menen over een bepaalde eigenschap of vaardigheid te beschikken, denken we dat de meeste anderen die niet hebben. Zo blinken we vooral zelf uit in het vertonen van gezond gedrag en denken mensen die last hebben van paniekaanvallen dat die stoornis uitzonderlijk is. Als de groep iets onverstandigs doet, waren wij vaak de enige die daar bij voorbaat op tegen was.

6. Ik ben de ander niet
In het algemeen vinden we trouwens dat we minder op anderen lijken dan zij op ons. Ook als het om onbenullige zaken gaat, zoals lichaamslengte of haarkleur.

7. Het Barnum-effect
Tegelijkertijd hebben we het gevoel dat van alles vooral op ons van toepassing is. Universele persoonlijkheidsbeschrijvingen bijvoorbeeld: precies ik! Zoals de reclameslogan voor het circus van de negentiende-eeuwse Amerikaanse showman P.T. Barnum beloofde: ‘We hebben iets kleins voor iedereen.’

8. Bedrieglijke eensgezindheid
Gelukkig miskennen anderen onze superioriteit niet. Als we een bepaalde mening hebben, schatten we het aantal anderen dat die mening deelt doorgaans in op hoger dan vijftig procent. Dat geldt ook voor vaardigheden waar we onszelf minder bekwaam in achten: daar hebben meer mensen last van.

9. Onrealistisch optimisme
Ondanks deze misvattingen en tegenstrijdigheden blijven we optimistisch. Zo is de kans dat ons iets ergs overkomt (zoals een ongeluk of overval) kleiner dan dat het noodlot anderen treft. Daartegenover staat dat de kans groter is dat wij naar belangwekkende oorden reizen of een uitermate begaafd kind krijgen.

10. De blinde vlek-blinde vlek
Niettemin zijn we erg op onze hoede voor al dit zelfbedrog. We zijn namelijk minder vatbaar voor cognitieve vertekeningen dan anderen. Als je het ons vraagt, tenminste.