Gerry van der Linden

Hou van mij

Mannelijke schrijvers verhouden zich in hun werk tot de wereld, vrouwelijke schrijvers tot zichzelf. Gerry van der Linden beschrijft in ‘Dolk’ een queeste naar het geluk. Weer een verhaal in de traditie ‘Blijf-nu-dan-ook-maar-voorgoed-weg-miezerige-lafaard-die-je-bent’.

HET MOGE fataal zijn voor iedereen die schrijft om aan zijn sekse te denken, zoals Virginia Woolf dat zo elegant verwoordt in A Room of One’s Own (1929), voor het grootste deel van de literaire productie geldt dat de sekse van de auteur evident is. De roman over de suffragette avant la lettre Etta Palm, Het zesde bedrijf van F. Thomése, had niet door een vrouw geschreven kunnen worden, evenmin als het relaas van de verliefdheid van een man op leeftijd, Dooi van Rascha Peper, aan de verbeelding van een mannelijke auteur ontsproten had kunnen zijn, om maar twee recente voorbeelden uit de Nederlandse literatuur te noemen.


Waar dat ’m in zit? Niet in de stijl of in de vorm waarin een geschiedenis wordt verteld, niet in de thematiek, maar in de wijze waarop de schrijver zijn of haar personages inzet om een verhaal te vertellen en het gewenste effect te bereiken.


Mannelijke schrijvers verhouden zich in hun werk tot de wereld, vrouwelijke schrijvers tot zichzelf. Thomése gebruikt zijn vrouwelijke hoofdpersonage om iemand af te schilderen die het dubbelzinnige midden houdt tussen een kip zonder kop en een tragische heldin, en maakt door middel van haar jammerlijke nastrevingen de eeuwig gapende kloof tussen droom en daad, illusie en desillusie aanschouwelijk. Pepers novelle gaat over diezelfde kloof, maar is diffuser, op het mystieke af, omdat haar mannelijke personage een zoeker is en blijft met een groot vermogen tot ‘indirect’ leven. Thomése onderzoekt de werkelijkheid door die te ironiseren, Peper door erin ten onder te gaan.


Het een is niet beter dan het ander, maar voor wie is groot geworden in de mannelijke literaire traditie klinkt Woolfs redeneergang over literatuur met een grote en kleinere L in A Room of One’s Own wel erg sjiek. Die luidt dat een (vrouwelijke) auteur pas echt ‘vrij’ is als zij de gemeenschappelijke huiskamer ontvlucht ‘en de menselijke wezens niet altijd in hun verhouding tot elkaar, maar in hun verhouding tot de werkelijkheid ziet, en de hemel en de bomen en wat het ook moge zijn in zichzelf’.


Ondertussen staat de literatuurgeschiedenis bol van de romans en verhalen waarin geen voorwerp ‘in zichzelf’ onder de loep wordt genomen, maar waarin rekeningen worden vereffend, op de vierkante millimeter hoogst particuliere obsessies worden uitgemeten en in figuurlijke zin moordaanslagen worden gepleegd. Romans waarin de integriteit van de schrijver wordt vertroebeld door behaagzucht, wrok, verongelijktheid en onmacht. Lukt het sommige mannelijke auteurs om zich al schuimbekkend naar een hoger plan te vechten, vrouwelijke auteurs gaan voortijdig roemloos ten onder in hun eigen tranendal. Zolang de wereld is als die is, zal het vrouwen, tenzij ze lesbisch of krankzinnig zijn, ook niet gegeven zijn anders dan vanuit hun horige positie in zekere zin beklagenswaardig proza af te leveren.



EEN LANGE INLEIDING om de nieuwe novelle van Gerry van der Linden, toepasselijk Dolk geheten, in het naar mijn idee meest vruchtbare perspectief te kunnen beschouwen. Want meer dan een mooi of lelijk, goed of slecht boek is dit een boek waarin de vrouwelijke literaire stem klinkt.


In vier delen, voorafgegaan door een proloog en uitgeluid door een soort epiloog, volgen we Nicky bij haar queeste naar geluk. Dat haar boek niet daadwerkelijk ‘Nicky zoekt het geluk’ als titel heeft gekregen, heeft Van der Linden te danken aan haar schrijfstijl. Die is puntig, eigenzinnig en even vaak grappig als larmoyant. Er is iets in haar toonzetting dat mij, medehorige, beroert. Neem haar scherpe verbeelding van de laffe aard van de man op wie zij ooit al haar kaarten zette. ‘Hij was een amateur. En een ui. Naarmate hij verder gepeld werd, welden de krokodillentranen op. Laag voor laag, en toen er gehakt moest worden, rolde hij weg. Naar een ander aanrecht. Met minder scherpe messen.’ In dit soort beelden verraadt zich de dichteres die Van der Linden ooit was, en misschien nog is.


Die ui van een vent heet Sigi in dit boek, maar de aanwijzingen naar een buitenliterair bestaan zijn zo talrijk dat het voor de iets oudere cliëntèle van Athenaeum Boekhandel in Amsterdam niet moeilijk zal zijn te gissen wie deze Sigi ‘in werkelijkheid’ is. Evenmin vereist het veel psychologisch inzicht om Dolk te lezen als één grote dolkstoot in zijn rug, al is dan slechts het eerste deel naar hem genoemd. Wat hij haar misdaan heeft? En wat zij überhaupt ooit in hem gezien heeft? Dat is een geschiedenis die al vaker is verteld. Lisette Lewin gaf een tijd geleden in een interview te kennen dat zij nooit over zaken als driehoeksrelaties en overspel zou durven schrijven, want ‘zie daar nog maar eens origineel vorm aan te geven’.


Inderdaad bevat Dolk niet meer dan het aloude verhaal van de boze, verlaten vrouw die bij vlagen wanhopig en manmoedig is. En ligt de noodkreet ‘hou van mij, begeer mij, vind me mooi’ dicht onder het oppervlak van het relaas van een type dat zichzelf liever definieert als meid-van-de-wereld dan als vrouw-op-leeftijd-met-volwassen-wordende-zoon. ‘Kijk, daar loopt Nicky met een blauwe hoed op. Staat haar goed. Ze loopt snel, met wiegende tred. You look beautiful, zegt een neger met een helrode muts.’ Wat zouden vrouwen moeten zonder negers die altijd wel ergens opduiken om hen bij nacht en ontij complimentjes toe te sissen? Zich over een asielzoeker ontfermen, en ook dat doet Nicky. ‘Toen ik je voor de eerste keer zag, leek het alsof je van heinde en verre was gekomen om mij gerust te stellen dat je geen vreemdeling was.’ De eerlijkheid waarmee Van der Linden vervolgens haar Nicky op deze Sindbad doet stuklopen, geeft Dolk de intensiteit die een dergelijk verhaal draaglijk maakt. In navolging van de schrijfster denk ik: ‘Wanhoop ontroert me, zij het gestileerd.’



DIE GESTILEERDHEID weet de schrijfster vol te houden, totdat zij in haar epiloogachtige slothoofdstuk, ‘Een ander verhaal’, zelf naar buiten treedt. Hierin tekent de kwestie van het schrijven als middel om de troebele werkelijkheid van alledag te kunnen beteugelen zich eens en te meer duidelijk af. ‘Zolang ik aan mijn schrijftafel zit, is er de wereld op papier. (…) Zolang de wereld op papier er is, is al het andere hanteerbaar.’


Aldus opgevat is de pen het wapen der machtelozen en de wereld één groot dagboek van Bridget Jones, in plaats van een middel tot verbeelding en de wereld een schouwtoneel. Gerry van der Linden plaatst zich met haar hartekreet Dolk in de literaire traditie die eindeloos voortborduurt op de boodschap: Blijf-nu-dan-ook-maar-voorgoed-weg-miezerige-lafaard-die-je-bent. Wegbereidster op dit gebied was Carry van Bruggen, die in Een coquette vrouw begin vorige eeuw huwelijk met en scheiding van de journalist Kees van Bruggen verwerkte. In haar kielzog stileerden onder anderen Emmy van Lokhorst (De toren van Babel is een sleutelroman over haar affaire met Martinus Nijhoff), Renate Rubinstein (Niets te verliezen en toch bang) en Barber van de Pol (Er was wat met Meneer Maker en Mevrouw Maker) hun woede en wanhoop. Het zijn niet de minsten, maar met woolfiaans ‘vrij’ schrijven heeft hun werk niet veel van doen. Daarvoor doen zij net iets te hartstochtelijk hun beklag.



Gerry van der Linden, Dolk. Uitg. L.J. Veen, 127 blz., ƒ26,90