Kallimachos van Kyrene

Houd de muze slank

Kallimachos, Geen zang vol luid gedreun. Een keuze uit de poëzie van Kallimachos van Kyrene. Inleiding, vertaling en commentaar Annette Harder.
Uitg. Styx Publications, 112 blz., ƒ35,-

Waartoe dient poëzie? Die vraag is in de loop der millennia op verschillende manieren beantwoord. Verbazingwekkend is dat niet, want gedichten zijn artefacten die de maker aan zijn eigen wensen kan aanpassen. Zoals men het wiel kan gebruiken om potten te vormen, een Harley Davidson te construeren of een schurk te radbraken, kan het gedicht voor een grote hoeveelheid doelen worden aangewend. Het wezen van de poëzie bestaat niet. Zo hoort men sommige dichters wel mompelen dat zij de tijd tot stilstand willen brengen of het onzegbare willen uitdrukken: tamelijk vruchteloze ondernemingen, lijkt me, maar ze kunnen rustig hun gang gaan. Er is geen wet die het verbiedt. Ook zijn er nogal wat schoolmeesters die menen dat gedichten geen ander doel hebben dan illustratiemateriaal te zijn bij allerlei taalkundige en stilistische exercities. In die optiek is de gehele Ilias een hulpmiddel bij het leren van Griekse grammatica en geldt het oeuvre van J.C. Bloem als corpus van voorbeeldzinnetjes die laten zien wat jamben, metaforen en chiasmen zijn. En ten slotte zijn er dichters die geloven dat poëzie geen enkel doel dient. Zij streven er dan ook naar hun werk zo onleesbaar te maken dat niemand er meer iets mee te maken wil hebben. Marc Kregting is in dat opzicht een extreem geval. Persoonlijk geloof ik dat men, als het de bedoeling is iedere communicatie bij voorbaat uit te sluiten, er beter van zou kunnen afzien gedichten te schrijven. Dat lijkt me minder omslachtig.Als we onderzoeken op welke manier de poëzie en het denken erover in de loop der eeuwen veranderd zijn, geeft de klassieke Oudheid een aantal duidelijke ontwikkelingen te zien die misschien exemplarisch zijn voor wat er in andere tijden en culturen is gebeurd. Juist het werk van Kallimachos van Kyrene (derde eeuw voor Christus), van wie nu enkele gedichten in vertaling verschenen zijn, is interessant, omdat zijn methoden en opvattingen een bijna postmodernistische inslag hebben, hetgeen bepalend is geweest voor zijn betrekkelijk geringe populariteit in latere eeuwen. In Het schandaal van de poëzie, een boeiend zij het topzwaar essay dat vorig jaar verscheen, heeft Jan de Roder geprobeerd aannemelijk te maken dat poëzie in een rituele context ontstaan is uit betekenisloze mantra’s, wat zou verklaren waarom het voorlezen en memoriseren van gedichten tot op de dag van vandaag een magische en rustgevende werking kan hebben. Gedichten slagen er met hun gebruik van ritme en klank in de hoorder of lezer in een aan hypnose grenzende toestand te brengen, waarin de betekenis van de woorden van secundair belang blijkt. Ofschoon De Roder deze kant van poëzie wel erg sterk benadrukt, vestigt hij de aandacht op een wezenlijk aspect dat in de meeste moderne theorieën over poëzie-interpretatie onderbelicht is. Hoe het ook zij, het lijkt geen onaardige gedachte dat de eerste gedichten inderdaad vrijwel betekenisloze kinderliedjes, toverformules en worksongs waren.De eerste gedichten in het Grieks die overgeleverd zijn, vertellen verhalen. De Ilias en de Odysseia komen voort uit een orale traditie van rondreizende dichter-zangers, die tot taak hadden de geschiedenis te hoeden en de normen en waarden van de samenleving te bevestigen. Hoewel Homeros, als hij werkelijk de dichter van die enorme epen is, al enigszins afstand neemt van de aristocratische wereld die hij beschrijft, behoort zijn poëzie onmiskenbaar tot het collectieve geheugen. Hij schreef niet voor zichzelf, hij vertegenwoordigde een manier van leven waaraan Grieken uit alle windstreken zich generaties lang spiegelden. In dezelfde tijd componeerde Hesiodos zijn leerdicht over landbouw, een wonderlijk geheel van persoonlijke adviezen, praktische tips en oeroude agrarische wijsheden.Ook de meeste lyrische poëzie vertolkte de moraal en gevoelens van de gemeenschap. Pindaros (vijfde eeuw voor Christus) is in zijn lofliederen op Olympische kampioenen een duidelijk herkenbare persoonlijkheid, toch schreef hij in opdracht en werd hij geacht de vigerende waarden te onderstrepen. In dat opzicht was hij een betere Dichter des Vaderlands dan Gerrit Komrij ooit zal worden.Deze tweede, nog collectieve fase van de poëzie loopt over in een fase waarin individuele dichters poëzie gaan gebruiken om hun persoonlijke gevoelens en opvattingen aan de man te brengen. Archilochos, Sappho en Alkaios zijn de klassieke voorbeelden. Wat zij doen komt in de buurt van de romantische literatuuropvatting die heden ten dage vooral onder pubers opgeld doet, als zou po ëzie ertoe dienen uiting te geven aan emoties. Het verband tussen tekst en emotie is natuurlijk veel ingewikkelder, maar een feit is dat ook dichters als Rutger Kopland, Leonard Nolens en Jan Eijkelboom het dichten voor een bijna therapeutisch zelfonderzoek gebruiken. Zij willen via de poëzie zichzelf en de werkelijkheid leren kennen. In deze visie komt de persoon van de dichter op de eerste plaats, het gedicht is een bijproduct.De vierde fase begint wanneer men het gedicht als zelfstandig, autonoom object gaat zien: l'art pour l'art, «a poem should not mean but be». Associ ëren we deze opvatting gewoonlijk met dichters als Mallarmé en Faverey, ook in de Oudheid zijn er zulke dichters geweest, zij het minder uitgesproken dan in de laatste anderhalve eeuw. Tot deze categorie behoren enkele in Alexandrië werkende Hellenistische dichters, van wie Kallimachos de belangrijkste, en Lykophron de beruchtste is. Zij legden zich toe op eruditie om de eruditie, schreven poëzie over poëzie, en wensten zich een zo klein mogelijk publiek. Ideaal was, lijkt het soms, dat de gedichten zo ingenieus opgebouwd waren dat slechts één lezer in staat zou zijn het gedicht te doorgronden, en zelfs hij niet helemaal: de dichter zelf. Wie uit deze autonome fase de ultieme consequentie trekt, komt paradoxaal genoeg weer uit bij de oorsprong van de po ëzie, omdat hij betekenisloze taaldingen gaat produceren. Was er in den beginne nog slechts klank die aan alle betekenis voorafging, de laatste poëzie heeft zich zo barstensvol betekenis gepompt dat de betekenis zichzelf om zeep helpt. In die zin is Marc Kregting de exterminator van de poëzie. Bij Kallimachos zijn we nog niet zo ver, al komt hij een heel eind. Van zijn fragmentarisch overgeleverde oeuvre kennen we zes godenhymnen, een zestigtal epigrammen, flarden didactische en epische poëzie (de Aitia en de Hekale), en ten slotte wat jamben en lyriek. Annette Harder, hoogleraar Grieks te Groningen, heeft een representatieve keuze uit Kallimachos’ werk uitgegeven en vertaald, met uitvoerige inleiding en commentaar. Dat werd hoog tijd, want de laatste Kallimachos-vertaling in het Nederlands van enige omvang dateerde van 1808, toen Willem Bilderdijk zijn versie van de hymnen en enige epigrammen publiceerde.Dat uitgebreide toelichting geen overbodige luxe is, wordt duidelijk wanneer we Kallimachos’ beginselprogramma lezen, waarschijnlijk zijn inleiding bij een tweede uitgave van de Aitia. De dichter zet zich af tegen omvangrijke, pompeuze poëzie. «Verwacht van mij geen zang vol luid gedreun», zegt hij, «donderen laat ik liever over aan Zeus.» Apollo zou hem het advies hebben gegeven zijn offerdieren vet te mesten, maar de Muze slank te houden. «Ik zeg u te gaan daar waar het zwaar verkeer/ niet rijdt, uw wagen niet in iemands spoor/ te voeren en niet langs een brede weg, maar langs/ een onbetreden pad, al is ’t ook smal.» Daarom heeft Kallimachos zich aangesloten bij hen die van krekelzang houden en balkende ezels verafschuwen: «Laat anderen maar balken als ’t langorig beest;/ maak mij gevleugeld en subtiel poëet. » Dat deze dichter niet uit is op het produceren van bestsellers is evident. In zijn hymne voor de jachtgodin Artemis leidt dat tot onverteerbare zinnen als deze: «Chitone, rijk aan tempels, steden, meesteres,/ gegroet, bewoonster van Milete: Neleus maakte/ u gids, toen hij Kekropia per schip verliet./ Hoogste vorstin van Chesia, Imbrasia,/ u wijdde Agamemnon in uw tempel ’t roer,/ zoenoffer voor de reis, toen u de winden bond,/ toen Griekse vloot vertrekken zou om Trojes stad/ te kwellen, om Rhamnousisch’ Helena vertoornd.» Zelfs de meest doorgewinterde classicus begrijpt hiervan nog niet de helft. Kallimachos heeft zijn uiterste best gedaan van alle mythen die hij vertelt de meest obscure versie te kiezen, zoveel mogelijk vergezochte geografische adjectieven toe te voegen en bovendien voortdurend toespelingen te maken op filologische kwesties die in zijn kringen actueel waren. Vol lof is hij dan ook over het ongenietbare leerdicht van zijn vriend Aratos, dat hij betitelt als «verfijnde taal, bewijs van weinig slaap». Gelukkig bevat de selectie van Harder ook stukken die voor eenvoudige lezers als u en ik goed verteerbaar zijn. Aardig is het beeld van de kleine Artemis die bij vader Zeus op schoot zit en om exorbitante cadeautjes zeurt: «Geef, pappa, dat ik eeuwig maagd zal zijn; geef mij/ veel namen, opdat Phoibos mij niet overtreft./ Geef mij de rol van maangodin, een knielang hemd/ met bonte rand, een praktisch kledingstuk op jacht. » Het hoogtepunt van de hymnen wordt gevormd door het krankzinnige verhaal van Erysichthon in het lied voor de vegetatiegodin Demeter. De jonge booswicht was met twintig dienaren naar een aan de godin gewijd woud gekomen waar hij de heilige bomen ging omhakken. Demeter neemt de gedaante van haar eigen priesteres aan en waarschuwt de jongens dat ze met vuur spelen, maar Erysichthon antwoordt grimmig: «Ga weg, of ‘k sla mijn grote bijl in jou!/ Dit hout dekt straks een zaal waarin ik steeds diners/ vol overvloed zal geven voor mijn vriendenschaar.» Waarop de godin haar ware gedaante aanneemt en Erysichthon straft met een onverzadigbare honger. Tot zover is het verhaal nog tamelijk traditioneel, zoals je in een godenhymne zou verwachten. Maar wat erop volgt is buitengewoon bizar. Als een Holle Bolle Gijs propt Erysichthon zich vol («Zijn eten maakten twintig man, twaalf schepten wijn»), maar de honger wordt alleen maar erger. Zijn ouders generen zich dood en durven zich nergens meer met hem te vertonen. Ze bedenken de meest opzichtige uitvluchten om maar te voorkomen dat hun vraatzuchtige zoon ergens wordt uitgenodigd: «Een invitatie van de Ormeniden voor/ ’t Itoonse Athena-feest, zijn moeder sloeg het af: 'Niet thuis; ging gisteren naar Krannon, waar een schuld/ van honderd ossen uitstaat.’ Ook Polyxo kwam,/ druk met de bruiloft van haar zoon Aktorion,/ en nodigde Triopas en zijn jongen uit./ Haar zei de diepbedroefde vrouw in tranen dit:/ 'Triopas komt, maar onze zoon, door 'n zwijn gewond/ in Pindos’ dalen, houdt al negen dagen ’t bed.'» Zo teert Erysichthon weg van de honger, terwijl hij de gehele veestapel van zijn familie naar binnen werkt. Wat Kallimachos met het traditionele grafepigram doet, is al even origineel. Zijn epigrammen zijn duidelijk niet bedoeld als teksten die werkelijk op een graf moeten komen, maar als zelfstandige gedichten. Hier vindt bijvoorbeeld een gesprekje plaats tussen een voorbijganger en een dode: Vond onder u soms Charidas zijn rust? «Zoon vanKyreense Arimmas? Zeker, die ligt hier.»Hé, Charidas, hoe is ’t daar? «Zwart. » De weg terug?«Verzinsels!» Pluto? «Fabels!» 'k Ben kapot! «Dát is mijn waar verhaal - de léuke versie luidt: in Hades kost een grote koe een cent!» Het is een ingenieus gedicht, omdat het gesprek natuurlijk alleen maar kan plaatsvinden als het mythische leven na de dood wel bestaat. Verder typeert de laatste opmerking, als zou in de onderwereld alles bijna gratis zijn, de spreker als een teleurgestelde koopjesjager. Er is weinig kans dat Charidas dit epigram werkelijk op zijn grafsteen heeft willen laten beitelen.De vertaling van Harder is niet direct een genot om te lezen. Enerzijds hanteert ze soms een zinsbouw die aan het verwrongen Nederlands van classici uit de jaren vijftig doet denken, anderzijds gebruikt ze allerlei moderne woorden die daarmee botsen, terwijl ze om de haverklap klinkers door een apostrof vervangt. Zinnen als: «Geef twintig nimfen van Amnisos mij als hulp» en: «omdat mijn moeder zonder pijn mij baarde» contrasteren met wendingen als: «druk met 'n groot project» en: «een gretige commissie van ontvangst», de omschrijving: «’t paardenmelkend heir » is van een ander register dan: «gek was de godin daarop» en «mobiele minnaars».Daar staat tegenover dat het vertalen van Kallimachos een heidens karwei is, vooral in de epigrammen, die uitblinken door subtiele grapjes, woordspelingen, onopvallende maar thematisch essentiële woordherhalingen en een idioom dat spreektaal en traditioneel poëtische formules combineert. Letterlijk luidt een van de gedichten als volgt: «Aan u, leeuwwurgende everdodende heer, heeft mij, een eiken knots/ gewijd - 'Wie?’ - Archinos - 'Welke?’ - De Kretenzer - 'Geaccepteerd.'» Archinos de Kretenzer wijdt een eiken knuppel aan Herakles, de knuppel zelf raakt met de god in gesprek. Het contrast tussen de eerste regel, die maar liefst drie sfeervolle adjectieven telt, en de tweede, die een wel erg karige conversatie weergeeft, is enorm. De knots is heel wat beleefder dan Herakles. Dit is wat Harder ervan maakt: Míj - eiken knots - wijdt ú, heer - dood van leeuw en zwijn -, … «Wijdt wíe?» Archinos. «Waar?» Op Kreta. «Best. » Het probleem in de vertaling zit hem in het feit dat de grammaticale functie van «mij», «u» en «wie» niet helder is, dat «dood van leeuw en zwijn» zowel bij «mij» als bij «u» kan horen, en dat de mooie epitheta zijn verdwenen. Vreemd is ook de vraag «Waar?», omdat Herakles - zo stel ik mij voor - die knuppel gewoon zijn tempel ziet binnenkomen. Maar ook al is de vertaling niet helemaal geslaagd, toch is het goed dat dit boekje verschenen is, omdat het een bijzonder en tegenwoordig weinig gelezen dichter een klein beetje toegankelijker maakt.