Tussen presidentiële leugens en nepnieuws

‘Houd het bij de werkelijkheid, die is bizar genoeg’

Donald Trump heeft de oorlog verklaard aan ‘de media’, volgens hem ‘zeer oneerlijke mensen’. Wat betekent dit vijandige klimaat voor de Amerikaanse journalistiek?

‘Een totalitair of dictatoriaal regime kan aan de macht komen als mensen niet goed geïnformeerd zijn; hoe kun je een mening hebben als je niet geïnformeerd bent?’ zei de Amerikaanse filosofe Hannah Arendt in 1974 tegen schrijfster Mary McCarthy in The New York Review of Books. Het blad circuleerde dit oude interview afgelopen week opnieuw via sociale media – en het laat zich raden waarom: veel van wat Arendt ruim veertig jaar geleden zei, lijkt volgens de redactie van het blad van toepassing op Amerika onder Trump.

‘Als iedereen altijd tegen je liegt, is het gevolg niet zozeer dat je de leugens gelooft maar dat op een zeker moment niemand elkaar nog gelooft’, vervolgde Arendt. ‘Dit komt doordat leugens per definitie continu moeten worden gewijzigd en een liegende overheid dus steeds haar geschiedenis moet herschrijven.’

De gevolgen van dit mechanisme zijn overweldigend voor het publiek, legde ze uit. ‘Je krijgt niet slechts één leugen te verwerken – een leugen waarmee je de rest van je leven vooruit kunt – maar je krijgt een enorm aantal leugens te verstouwen, afhankelijk van hoe de politieke wind waait. En een volk dat niets meer kan geloven, kan geen keuzes maken. Het heeft niet alleen het vermogen verloren om te handelen, maar ook om te denken en te oordelen. Met zo’n volk kun je doen wat je goeddunkt.’

Deze woorden zouden aanzienlijk minder onheilspellend hebben geklonken als ik niet bewust – bij wijze van prelude – de allereerste zin uit bovenstaande citaten had weggelaten. Die luidde namelijk: ‘Op het moment dat we geen vrije pers meer hebben, kan alles gebeuren.’

Amerika heeft natuurlijk wel een vrije pers. Journalisten kunnen in de regel ongestoord hun werk doen, men mag schrijven en uitzenden wat men wil – en dat gebeurt ook. Wat heet, van deze vrijheid wordt zo uitbundig gebruik gemaakt dat een medialandschap is ontstaan waarin voor bijna elke versie van de waarheid een tegenversie lijkt te bestaan. Voeg daarbij dat Amerika geen gezaghebbende publieke media heeft – geen bbc of nos – en een president die naar eigen zeggen ‘in aanhoudende oorlog’ met de traditionele media verkeert, en het wordt voor journalisten steeds moeilijker om – in de woorden van mediacriticus Norman Solomon – ‘in onwerkelijke tijden te proberen de werkelijkheid te beschrijven’.

Hoe onwerkelijk deze tijden zijn illustreert Solomon, die verbonden is aan de mediawaakhond Fairness & Accuracy In Reporting (fair), met enkele voorbeelden die voor het Amerikaanse publiek al niet meer onwerkelijk zijn: de speciale adviseur van de president is Steve Bannon, een blanke nationalist die voorheen baas was van de alt-rechtse nieuwswebsite Breitbart News; fastfoodbaas Andrew Puzder is voorgedragen om het ministerie van Arbeid te leiden; Rick Perry, de oud-gouverneur van Texas die in 2008 tijdens zijn campagne voor het presidentschap beloofde het ministerie van Energie op te heffen, is genomineerd om datzelfde ministerie te leiden. ‘Zo wordt het makkelijk om steeds meer ongelooflijke dingen te geloven’, constateert Solomon.

Medium hh 62088298
© Thomas Dworzak / Magnum / HH

Een aspect van het Trump-tijdperk dat volgens Solomon echter niet nieuw is, is de ‘oorlog’ tussen het Witte Huis en de pers. ‘Dat was begin jaren zeventig precies zo. Toen was het alleen vice-president Spiro Agnew, niet president Richard Nixon zelf, die de strijd aanging. Maar ook toen heette het dat The New York Times en The Washington Post elitair en propagandistisch waren, en de grote nationale tv-zenders onbetrouwbaar.’

Destijds werd die strijd in het voordeel van de pers beslecht toen Bob Woodward en Carl Bernstein in de Post het Watergate-schandaal aan het licht brachten. Solomon: ‘Niet dat daarmee meteen het pleit beslecht was. Het was in die tijd not done om zo hard de president van je eigen land aan te pakken. Pas toen ook andere media en kopstukken uit academia, politiek en rechterlijke macht stelling namen, ging het publiek om.’

Hoe bereik je de Amerikanen die zeker weten dat klimaat­verandering een linkse hoax is en Obama in Kenia is geboren?

Het woord ‘Watergate’ viel ook meermalen tijdens een evenement op New York University (nyu) twee weken geleden, waar de hoofdredacteuren van The New Yorker, Slate, Huffington Post en Univision (een Spaanstalige zender) debatteerden over het thema ‘Not the new normal: how the media should cover the Trump presidency’. Ook hier werd Watergate steeds aangehaald als voorbeeld van hoe de journalistiek weerstand kan overwinnen door te doen wat ze hoort te doen: de macht controleren door de waarheid boven tafel te brengen. ‘Laat je niet kisten’, hield David Remnick van The New Yorker zijn toehoorders meermalen voor. Om daaraan bijna dreigend toe te voegen: ‘Als je je als journalist in deze tijd niet gemotiveerd voelt om extra vroeg op te staan en langer door te werken, dan kun je beter boekhouder worden.’

Er was ook ruimte voor zelfkritiek. ‘Trump is good for business’, zei bijvoorbeeld Lydia Polgreen van de HuffPo, die daarmee impliceerde dat redactionele beslissingen soms daardoor beïnvloed worden. Algemeen werd erkend dat als de journalistiek vaker ‘het land in was gegaan’, de overwinning van Trump een minder grote verrassing was geweest.

Maar de steeds terugkerende hamvraag van de avond, zowel in het debat als in de publieksvragen, bleef onbeantwoord: hoe bereik je de Amerikanen die dagelijks een geheel ander nieuwsmenu tot zich nemen? De mensen die vertrouwen op Fox News, Breitbart en RedState.org? Die zeker weten dat klimaatverandering een linkse hoax is en Obama in Kenia is geboren? En die ervan overtuigd zijn dat wat The New York Times schrijft linkse propaganda is?

Hoe belangrijk het antwoord op die vraag is, bleek bijvoorbeeld maandag, toen The New York Times in een lang hoofdartikel de eerste twee weken van Trump in het Witte Huis beschreef. De krant had naar eigen zeggen tientallen ingewijden gesproken, waarvan een deel om anonimiteit had verzocht. Het artikel schetste een beeld van chaos en verwarring, en bevatte een scoop: Trump zou het presidentiële decreet (‘executive order’) waarmee hij Steve Bannon benoemde tot lid van de National Security Council niet goed hebben gelezen. Diezelfde Bannon kwam in het stuk naar voren als de functionaris met, na de president, de meeste macht.

Twitter had het er die ochtend uiteraard druk mee, maar opmerkelijk genoeg maakten de rechtse accounts die ik volg – waaronder Fox, Breitbart en de National Review – er simpelweg geen melding van. Voor hun lezers leek het alsof het artikel nooit was gepubliceerd. Dat veranderde pas toen Trump zich er in de loop van de dag over uitliet, uitaard via Twitter: ‘I call my own shots, largely based on an accumulation of data, and everyone knows it. Some FAKE NEWS media, in order to marginalize, lies!’

Later die dag gaf Trump een speech op een militaire basis in Florida, waarin hij een serie door ‘radicale islamitische terroristen’ uitgevoerde aanslagen opsomde – van 9/11 tot de recente aanslagen in Parijs en Nice. ‘Het is op het punt aanbeland dat er niet eens meer over wordt bericht’, zei Trump. ‘In veel gevallen wil de zeer, zeer onbetrouwbare pers er niet eens over berichten. Daar hebben ze hun redenen voor en dat begrijpt u.’

Er zijn grofweg twee gangbare verwachtingen onder journalisten over het lot van hun beroep onder Trump, schreef onlangs de commentator Ross Douthat, samen met David Brooks de ‘huisconservatief’ van de opiniepagina’s van The New York Times. Volgens de eerste verwachting wordt dit een tijdperk van ‘maximale inperking van de persvrijheid, waarin Trumps oorlog tegen kranten en netwerken zal escaleren van tweets tot erdoganiaanse onderdrukking en waarin waarlijk onafhankelijke journalistiek gemarginaliseerd wordt, terwijl het Witte Huis een schoothondjespers creëert’.

De tweede verwachting die Douthat observeert, is dat de journalistiek juist voor een ‘gouden tijdperk’ staat, waarin ‘reporters zich kunnen ontworstelen aan toegangsjournalistiek en het slijmen bij bronnen en zich eindelijk volledig kunnen toeleggen op hun werk, terwijl ze in een Trump-vrezend land het publiek vinden voor de serieuze onderzoeksjournalistiek waarvan velen geloofden dat die met de opkomst van het internet was verdwenen.

‘Er is een groot en angstig publiek dat bevestiging zoekt van zijn donkerste angsten over elke stap die Trump zet’

Zelf ziet Douthat echter een heel ander scenario opdoemen: ‘De mainstream journalistiek is in dit vreemde tijdperk vrijer dan de angstigen voorzagen, maar ze is niet beter dan de optimisten verwachtten. In plaats daarvan zou de pers kunnen worden verleid – en rijkelijk beloond worden voor – een soort hysterisch antagonisme, een weerspiegeling van Trumps eigen tabloidstijl en minachting voor de waarheid.’

Dat was volgens Douthat in ieder geval duidelijk in de berichtgeving rondom de mogelijke banden tussen ‘Trumpworld’ en Rusland, en de mogelijke Russische pogingen om de Amerikaanse verkiezingen in zijn voordeel te beïnvloeden. ‘Dit is een ongelooflijk serieuze zaak’, schreef Douthat, ‘maar het heeft geen ongelooflijk serieuze journalistiek voortgebracht.’ Wel bracht het de nodige dubieuze claims voort, variërend van een geheime server die Trump Tower met een Russische bank zou verbinden tot zwaar overdreven verhalen over Russische inmenging in het elektriciteitsnet in de staat Vermont. Ook pijnlijk was het Washington Post-verhaal dat zonder de bron te checken beschuldigingen overnam dat bepaalde publicaties van ‘pionnen van het Kremlin’ waren.

Net als met het nepnieuws dat pro-Trump-trollen verspreiden is het probleem met dergelijk ‘alarmistische’ journalistiek dat er commerciële imperatieven achter zitten, vervolgt Douthat. ‘Er is een groot en angstig publiek dat bevestiging zoekt van zijn donkerste angsten over elke stap die Trump en zijn regering zetten. Deze mensen vertrouwen erop dat liberaal-neigende mainstream publicaties hen de waarheid vertellen. Maar hun clicks en shares belonen deze publicaties wanneer ze geruchten als zekerheden presenteren, of als ze de werkelijkheid alarmerender presenteren dan ze is.’

Oftewel: houd het bij de werkelijkheid, die is bizar genoeg. De nieuwe president veroorzaakte in zijn tweede ambtsweek namelijk echt een diplomatieke crisis met Australië, toen hij de premier van dat land beledigde in een telefoongesprek over een vluchtelingenverdrag. Het is waar dat het Witte Huis het voor elkaar kreeg om de joden niet te vermelden in zijn verklaring over de herdenking van de holocaust – een fout die het in de daaropvolgende dagen weigerde te erkennen. Ook waargebeurd: de nieuwe president creëerde tijdens zijn speech ter gelegenheid van het National Prayer Breakfast een vete met Arnold Schwarzenegger over diens in Trumps ogen teleurstellende kijkcijfers voor The Apprentice, het tv-programma waarvan de president ‘executive producer’ is.

Maar het is nooit genoeg: dergelijke berichten doen het publiek naar meer verlangen – een fenomeen dat overigens onder nieuwsconsumenten van alle politieke gezindten opgeld doet. Zo verspreidden conservatieven in de aanloop naar de presidentsverkiezingen de wildste nieuwsverhalen via sociale media, die steeds onder de noemer ‘wishful thinking’ vielen: de paus had zijn voorkeur voor Trump boven Clinton uitgesproken, Trump had zijn privé-vliegtuig ingezet om tweehonderd honger lijdende mariniers te redden.

Sinds Trumps inauguratie vindt het omgekeerde plaats onder progressieven. Zo gaan de tweets van niet-geverifieerde Twitter-accounts van ontevreden overheidsofficials – zoals @AltNatParSer of @RogueNASA – erin als zoete koek. De behoefte aan anti-Trump-nieuws is zo groot dat zelfs het satirisch bedoelde – en pertinent onware – bericht de ronde deed dat koningin Elizabeth gezegd had dat ze Trump met een zwaard wil vermoorden. Het Amerikaanse politieke leven is aan de rafelranden altijd al gedomineerd geweest door hyperbolen en bizarre theorieën, zie The Paranoid Style in American Politics (1965) van de historicus Richard Hofstadter, maar voortgejaagd door sociale media volgen de rariteiten elkaar wel erg snel op.

Iemand die de ganse dag speurt naar dergelijke apenkool is Brooke Binkowski van Snopes, een website gespecialiseerd in het ontkrachten van online verspreide geruchten. In een interview over nepnieuws met The Atlantic haalde ze het boek The Gift of Fear van Gavin de Becker aan, waarin de auteur uitlegt waarom mensen altijd langzamer gaan rijden als op de andere rijbaan een auto-ongeluk heeft plaatsgevonden: omdat mensen altijd willen leren. ‘Zelfs mensen die dit soort complete onzinverhalen rondsturen, zijn meer geïnteresseerd in echt nieuws dan in complottheorieën’, zei Binkowski. ‘Het enige antwoord op nepnieuws is het te overspoelen met echt nieuws. Dat spoort mensen aan tot doorzoeken naar informatie. En wat ze zullen vinden is controleerbare, genuanceerde, contextuele en diepgravende informatie.’

Dit is natuurlijk precies wat Woodward en Bernstein met hun graafwerk rond Watergate deden: ze legden een onweerlegbaar web van leugens en corruptie bloot. Toen het publiek eenmaal overtuigd was, was er voor Nixon geen houden meer aan. Hij probeerde het tij nog te keren door zijn inmiddels wegens corruptie aangeklaagde vice-president Agnew in 1973 te vervangen door Gerald Ford, maar stapte in 1974 zelf op om een zekere afzetting te voorkomen.

Op de eerder aangehaalde avond op nyu spraken verschillende hoofdredacteuren de verwachting uit dat Trump een vergelijkbaar lot wacht. Nog nooit had een enkele Amerikaanse president zoveel belangenverstrengelingen als Trump, was een van de argumenten. Nu Trump zichzelf niet heeft losgesneden van zijn zakenimperium kan hij zichzelf middels het presidentschap verrijken en buitenlandse regeringen kunnen hem paaien door zijn bedrijven te bevoordelen. Veelzeggend: de organisatie Citizens for Responsibility and Ethics heeft de nieuwe president nu al aangeklaagd vanwege schending van de ‘emolumentenclausule’ in de Amerikaanse grondwet, die het federale overheidsdienaren verbiedt om gunsten van buitenlandse staten in ontvangst te nemen.

Trump legt het tot dusver echter allemaal achteloos terzijde, zoals hij ook simpelweg weigert zijn belastingaangiften openbaar te maken – iets wat sinds Nixon elke presidentskandidaat van een van de twee grote partijen vóór Trump wel heeft gedaan (behalve Ford, die verschafte in 1976 alleen een samenvatting). ‘Het is duidelijk dat hij denkt dat het zijn aanhang niets kan schelen’, schreef James Surowiecki in The New Yorker over Trumps belangenverstrengelingen. ‘De kiezers hebben Trump naar Washington gestuurd om de boel op te schudden. Beschuldigingen dat hij zich niet aan de regels houdt, zijn voor hen alleen maar bevestiging dat hij de juiste man voor de baan is.’

Dat gegeven is voor de journalistiek extra reden om te blijven graven, impliceert Surowiecki, hoewel niet eens per se naar concreet bewijs van corruptie of ander strafbaar gedrag. ‘Met Trump is de echte vraag of hij in staat zal blijken te leveren wat zijn kiezers verwachten, zodat ze kunnen blijven geloven dat hij aan hun kant staat.’ Die vraag overtuigend en op feitelijke wijze beantwoorden zal in het huidige mediaklimaat moeilijk genoeg blijken. Er is immers altijd concurrentie van alternatieve feiten.