Houd het luchtig

De wereld van de straat, het uitgaansleven, de media en de commercie is vlot, vrolijk en vluchtig. Iedereen staat 24 uur per etmaal met iedereen in verbinding om de eredienst van de communicatie te celebreren, het aantal verlokkingen waaraan men permanent bloot staat is adembenemend. Achter iedere klik, iedere straathoek bevindt zich mogelijk een nieuw en opwindend event. Maar het is een horizontale wereld, want diepte en hoogte ontbreken.

Medium wesseling

In zijn debuutbundel Focus (2006), die werd bekroond met de Buddingh’-prijs, liet Bernard Wesseling (1978) met vaart en humor zien de tijdgeest feilloos aan te voelen, maar tussen de regels leek hij er ook afstand van te nemen. Elementen van weemoed en satire waren onmiskenbaar. In zijn tweede bundel verkent hij de verticale dimensie. Naar de daken is een queeste naar het rijk van de doden, maar tevens een poging in contact te treden met een goddelijke instantie waarvan het bestaan in twijfel wordt getrokken. Als Aeneas in Vergilius’ Aeneis hoopt Wesseling zijn overleden vader nog eens te spreken, als Dante zoekt hij een gids om hem rond te leiden in mythische domeinen. In Leidsman draagt de spreker de kleren van zijn vader:

Voorlopig zit het hem in de snit:

een leerling zonder meester draag ik zijn kleren af,

de kleren van een afgelegde.

Hij buigt diep ‘voor het onbekende’ en koestert het vermoeden dat zijn eigen rusteloosheid het de ziel van zijn vader onmogelijk maakt vrede te vinden, al beseft hij dat dit een vorm van projectie is:

Noem het gebrek aan inzicht in de aard van een schim.

Vergelijk Vergilius. Door hem verder te verzinnen

kon Dante zijn eigen leidsman zijn,

kon hij zichzelf de hel uit wijzen en zich tegelijk

door haar laten afleiden.

Het zoeken naar verdieping en verheffing vindt in deze poëzie een onnadrukkelijke verwoording, waarbij een zekere zelfspot nooit ver weg is. In het eerste gedicht kijkt de spreker ’s nachts uit het raam, waar hij de maan ‘uit de kindertijd’ ziet verschijnen: ‘pips maar bont gemutst’. Van mysterie is geen sprake: ‘Had ik al gezegd dat ik geen ondragelijk geheim heb?’ Toch overweegt hij de mogelijkheid een speelbal in handen van goden te zijn. Maar hoe kom je erachter of dat zo is? De oplossing is praktisch en prozaïsch: je moet het dak op en wachten tot de morgen aanbreekt. Wie weet schept de dageraad helderheid.

Dat Wesseling zijn protagonist als een dolende ziel beschouwt, blijkt uit de herhaalde verwijzing naar nomaden, zigeuners en piraten. De dichter is te nuchter om een Rimbaud of een Slauerhoff te worden, maar het bestaan van zwervers en ontheemden fascineert hem bijzonder. Zij die geen anker hebben, beschikken wellicht over speciale wijsheid, bovendien bieden zij de mogelijkheid aan de dreigende verstikking van een burgermansleven te ontkomen. Je wordt echter niet zomaar een vagebond: ‘Piraat word je pas/ als je de dood omver hebt gestaard/ in de ogen van een levensgrote hoer,/ de moeder van alle wezen.’ Verder moet je drinken ‘tot het donker in je uitvaart’. En als je dan nog weet wie je vijanden waren, ‘zijn ze het waard’.

Het gewicht van Wesselings thematiek komt met lichtheid tot uitdrukking in ontmoetingen met de schimmen van twee van zijn inspiratiebronnen. Waar de burgerman Nescio de melancholie en de ironie, maar ook de schittering van het Hollandse landschap aandraagt, vertegenwoordigt Bukowski de wereld van de onaangepasten, die altijd uitzien naar het volgende exces. Wesseling komt de laatste tegen in een supermarkt, ‘bij de zuivel’. Desgevraagd antwoordt de morsige Amerikaan:

Natuurlijk hou ik van mijn leven. Ik moet wel.

Het is míjn leven godverdomme.’

De melk liep langs zijn pokdalige kin zijn baard in

Groots en meeslepend leven heeft kennelijk ook nadelen. In een gedicht dat op een kermis is gesitueerd evalueert de dichter terloops zijn ambities. Ik die de luchten afzocht naar ruiters, zegt hij, ‘aanbidder van het letterlijke,/ wierp de tekens als ketens naast me in het stof’. In de microkosmos van de kermis vervult ieder zijn rol. De verhalenverteller vertelt verhalen, en ‘de vuur­spuwer is een vriend van me, die vrijaf neemt’. Pas wanneer de nacht valt heeft vuurspuwen weer zin. Aan ‘Maud van het cabaret’ vertelt de dichter ‘dat poëzie nergens goed voor is, nee – maar wel allemaal/ iets tofs op je grafsteen’. Wesseling heeft gelijk: elk gedicht is een grafschrift. We schrijven om dat wat ons ontsnapt te betrappen en nog even vast te houden.

In Gebod uit den vreemde sluit iemand zich aan bij een karavaan van bedoeïenen, die begrijpen dat alles het zand toebehoort. Na vele jaren, het ‘sediment van oude sentimenten af gestuwd’, aanschouw je op een keer in een poel ‘hoe je halsreikend naar jezelf uitkijkt’. Je eigen identiteit is al even ongrijpbaar als de gestorvene naar wiens aanwezigheid je verlangt.

Sterker nog, het verschil tussen leven en dood lijkt in deze bundel hoogstens gradueel te zijn. Ook wie sterft dient zijn rol met verve te spelen, aldus de ‘etiquette voor een stervende’. Laatste woorden moeten vooral niet te gewichtig zijn. Zing liever ‘een mopje uit de kindertijd, maar let erop/ dat de woorden zonder context blijven. Houd het luchtig’. Luchtigheid is een opgave. Wesseling zelf is er te zwaarmoedig voor.


De hartenboer werd ik genoemd

Ik droomde dat ik tussen de zigeuners wandelde.

Zij hadden hun verhalen en een oude chirurgijn

_tegen de ergste pijn. _

Uit een woonwagen leefde ik

voor het dobbelspel en de accordeon

_terwijl ik een bok mijn hok liet trekken. _

De gevallen kinderen met hun tronies

toonden mij hun potten vol glimwormen.

Het wonder gedoofd, vertelde ik ze

_van de afgod schaamte. _

Ik doorleefde mijn driften en was niet langer

_vrekkig met het levenslied. _

Langs de weg verschenen alle beesten

uit de zodiak,

om ons roerloos aan te zien.

Uit: Bernard Wesseling, Naar de daken


Bernard Wesseling, Naar de daken. Querido, 64 blz., € 17,95

Bernard Wesseling, Naar de daken. Querido, 64 blz., € 17,95 (e-book)