Het postmodernisme als zondebok

Houden ijskristallen van Haydn?

Een groeiend aantal mensen ervaart in onze versnipperde samenleving een verlies van heelheid. Zo hebben de alt-right-denkers het postmodernisme, dat zo’n ‘eenheid’ verdacht vindt, als vijand aangewezen. Ten onrechte.

Medium groene postmodernisme

‘De ideologie van het postmodernisme is mijlenver verwijderd van die van Trump, maar het intellectuele vandalisme van concepten als “waarheid” en “feit” is gelijksoortig’, schreven filosoof Maarten Boudry en historicus Steije Hofhuis eind oktober in NRC Handelsblad. Wetenschappers en politici die over de gebrekkige waarheidsliefde bij Trump klagen, zouden de verkruimeling van de waarheid zelf in de hand hebben gewerkt toen ze vanaf de jaren zestig van de twintigste eeuw het postmodernisme omarmden. In de ogen van Boudry en Hofhuis is het postmodernisme een politieke ideologie: links, met een overdreven sympathie voor de onderdrukten in de samenleving en met de intentie om machtsstructuren te ontmantelen.

Hun opvatting is allerminst nieuw. Het idee dat het postmodernisme de waarheid in een oneindig aantal waardeloze splinters heeft stukgeslagen, is al sinds de jaren tachtig te horen. Wat wel nieuw is, is de populariteit van deze these en de politieke woede die erbij komt kijken. En dan zijn Boudry en Hofhuis nog gematigd in hun opvatting. Zowel het Amerikaanse alt-right als een groeiende stroom van Nederlandse conservatieven wijst het postmodernisme aan als de ideologische wortel van het kwaad.

Zo zijn er op The Post Online (tpo) allerlei artikelen te vinden waarin het postmodernisme de vreselijkste dingen in de schoenen krijgt geschoven. Vooral schrijfster Sietske Bergsma zit met de postmodernen in haar maag. Ze noemt ze ‘hypocriet’ of ‘gekkies’ en schrijft: ‘Postmodernisten, van Social Justice Warriors tot feministen, tot serieuze, meestal linkse wegkijkers, geloven nergens in, behalve in het politieke activisme dat de gevolgen (onderdrukking van vrouwen en minderheden) van waarheidsclaims desnoods met geweld ongedaan moet maken.’

Zo komen debatten over de etnisch afgebakende staat, de rol van de vrouw in de samenleving, de genderneutrale wc en de opkomst van Sylvana Simons allemaal in de toonaard van het postmodernisme te staan. Ook binnen het Forum voor Democratie is het postmodernisme inmiddels als vijand ontdekt. Fractievoorzitter Thierry Baudet kwam er in zijn proefschrift al tegen in het geweer, en geeft het postmodernisme in vrijwel iedere lezing een tuchtiging.

Wie zoveel ellende signaleert en bovendien zo’n evidente oorzaak kan aanwijzen, kan niet anders dan verzet organiseren. Dat is er dan ook: eind vorige week sprak de Canadese psycholoog Jordan B. Peterson op het evenement van De Nederlandse Leeuw, volgens de organisatoren een ‘brainstormsessie over immigratie’, maar in de praktijk vooral een podium voor denkers uit het alternatief-rechtse circuit. Peterson groeide het afgelopen jaar uit tot het boegbeeld van het internationale verzet tegen het postmodernisme. Op radio, tv en in talloze YouTube-filmpjes vertelt hij over het postmodernisme als het intellectuele neefje van het ‘cultuurmarxisme’, dat in De Groene Amsterdammer eerder als een complottheorie werd gefileerd.

Peterson is boos, zegt hij zelf, omdat het postmodernisme met zijn relativistische houding de ruggengraat uit de traditionele samenleving trekt. Dat gebeurt volgens hem via een ingenieus politiek project dat als voortzetting van het marxisme moet worden gezien. Het marxisme beschouwt hij als een strijd voor absolute gelijkheid. Dat die strijd tot miljoenen doden leidde, heeft de marxisten niet afgeschrikt. Integendeel, ze hebben zich na het mislukken van hun project als postmodernen weer onder de bevolking gemengd om de strijd met andere middelen voort te zetten. Waar het marxisme mensen op economische kenmerken identificeerde, doen postmodernen dat op grond van ras, seksuele geaardheid of gender, aldus Peterson.

Dat ging niet vanzelf. Eerst liet het postmodernisme met taalfilosofie zien dat alle waarheden slechts sociale en talige constructies zijn. Vervolgens probeerde het de samenleving in identitaire groepjes met hun eigen waarheden op te delen: vrouw, man, zwart, wit, homo, transseksueel en ga zo maar door. Op deze manier creëerden de postmodernen een ‘groepsrelativisme’ waarin de waarheid per groep anders is en niemand nog universele waarheden kan claimen. Dat talige en sociale relativisme resulteert in een samenleving waarin enkel machtsrelaties er nog toe doen. Degenen met de meeste macht – man, wit, hetero – dringen hun waarheid op aan anderen. Om die tendens te breken, voeren de postmodernen een politieke strijd die de sterkeren en de zwakkeren gelijkstelt.

Jordan Peterson is niet de eerste die deze wonderlijke theorie over het postmodernisme ontvouwt. In 2004 verscheen het boek Explaining Postmodernism waarin de filosoof Stephen Hicks een vergelijkbaar exposé presenteerde. Hicks beschrijft de geschiedenis van de westerse filosofie van Kant tot Derrida als een moedwillige poging om de objectiviteit op politieke gronden om zeep te helpen. Ook hij ziet het postmodernisme als een variant op het marxisme, al houdt hij daarvan, net als Peterson, een curieuze interpretatie op na. Zo worden Stalin en Lenin als de voornaamste vertegenwoordigers van het marxisme gepresenteerd en zegt Hicks dat ‘het verschil tussen nationaal-socialisme en communisme neerkomt op de keuze tussen een dictatuur van het volk of de dictatuur van het proletariaat’. Vervolgens stelt hij communisme gelijk aan marxisme om dat daarna postmodernisme te noemen.

De Romantici vonden hun idyllische paradijs in de Middeleeuwen, een tijdperk van draken, prinsessen en dappere ridders

Het zijn interpretaties waarin vooral iedere welwillendheid om de zaak goed te begrijpen ontbreekt. Want natuurlijk zijn er ‘linkse’ of zelfs ‘(neo)marxistische’ denkers die het postmodernisme proberen te incorporeren – denk aan Chantal Mouffe en Ernesto Laclau – maar dat betekent nog niet dat het postmodernisme een soort marxisme-in-vermomming is. Bovendien zijn er zat (neo)marxisten die niets van het postmodernisme moeten weten en juist vinden dat ‘links’ de politieke economie uit het oog is verloren door een te grote focus op sociaal-culturele thema’s. Het zijn nuances waar Hicks en Peterson zich niet om bekommeren. Dat komt mede doordat hun sociaal-politieke uitleg van het postmodernisme, voorzichtig uitgedrukt, nogal impressionistisch is. Derrida is ‘the central villain’, zoveel is duidelijk, maar ze hebben het verder consequent over ‘de postmodernisten’, zonder enige nuance aan te brengen tussen de vele filosofische, politieke en sociale stromingen die ze bespreken.

Een andere evidente zwakte van hun betoog is hun bewering dat velen het postmodernisme massaal, maar onbewust aanhangen. Ook al noemt niemand zichzelf postmodern, door indoctrinatie zijn we allemaal een beetje zo gaan denken. De vraag wie ‘de postmodernen’ van vandaag dan zijn, wordt doorgaans beantwoord met: mensen die actief zijn in emancipatiebewegingen, in de genderstudies, de cultuurstudies en andere Social Justice Warriors. Interessant, maar het is onwaarschijnlijk dat zij de hele wereld in een klemmende greep houden. Dat riekt naar een complottheorie, waarbij ‘het postmodernisme’ een invulling krijgt die weinig meer van doen heeft met de eigenlijke betekenis.

***

De term ‘postmodernisme’ raakt ongeveer halverwege de vorige eeuw in omloop op diverse terreinen, waaronder de literatuur, de kunst en de architectuur. De wetenschappelijk-filosofische stroming die vandaag zo heftig wordt betwist, wordt echter gevormd in het Frankrijk van de jaren zeventig en tachtig. Wie ‘post’ zegt, zegt ‘na’ en veronderstelt daarom misschien dat ‘post’-modernisme primair een periodisering is, maar zo simpel is het niet. Het postmodernisme verhoudt zich nogal paradoxaal tot de moderniteit: het radicaliseert het moderne denken terwijl het diens belofte van universele vooruitgang bekritiseert. De postmoderne filosofen corrigeren het tot dan toe gangbare optimisme dat de universele rede van de moderne wetenschap en technologie de onverstoorbare motor zou vormen voor de noodzakelijke emancipatie van de mens.

In het licht van de holocaust, de Koude Oorlog, de ecologische crisis en dekolonisatie-oorlogen konden de postmodernen niet met droge ogen beweren dat de geschiedenis in een strakke lijn omhoog liep. Het moderne vooruitgangsverhaal over de wetenschap, die natuur en cultuur in al hun objectieve en bevrijdende waarheid kon ontsluieren, bleek een metafysisch sprookje. Dat kwam niet in de laatste plaats door ontwikkelingen in de wetenschap zelf. Zo wezen bijvoorbeeld de kwantummechanica en complexiteitstheorie op het belang van andere waarden, zoals paradoxaliteit, particulariteit en toevalligheid.

In deze context van metafysische sprookjes moeten we ook Jean-François Lyotards beroemde stelling over ‘het einde van de grote verhalen’ duiden. Ideologische verhalen over de universele emancipatie van de mens bleken om theoretische en politieke redenen onhoudbaar geworden. Met het ineenstorten van de Sovjet-Unie en het verraad van de Communistische Partij na ’68 bleek ook het grote verhaal van de geschiedenis als emancipatie van de arbeider nog weinig geloofwaardig. Sterker nog: het grote verhaal van emancipatie was zelf bron van onderdrukking geworden. Zelfs de emancipatoir bedoelde waarden van het marxisme konden de basis vormen voor totalitaire regimes indien deze werden verabsoluteerd in een Groot Verhaal.

Lyotard bekritiseert daarom de ideologische overmoed van het vulgair marxisme, dat dogmatisch was in z’n geloof aan een noodzakelijk verloop van een universele emancipatoire geschiedenis. Dit is belangrijk, want terwijl Peterson het postmodernisme ziet als de ideologische opvolger van het marxisme blijkt het postmodernisme juist als de antithese op een overdaad aan ideologische zekerheid geformuleerd te zijn.

***

Antimoderne relativisten zijn de postmodernen ook al niet. Volgens de postmodernen is de moderne rede juist niet modern genoeg, niet kritisch genoeg op zichzelf. De modernen hadden de rede zelf tot een nieuw dogma gemaakt, een ultieme heelheid die vastigheid bood voor rationeel weten en redelijk handelen. Wat in plaats daarvan nodig is, aldus de Franse filosoof Michel Foucault, is een ‘permanente kritiek’, een kritiek die erkent dat ze nooit klaar kan zijn.

De Amerikaanse filosoof Richard Rorty formuleert het adagium van het postmodernisme zo: ‘We hope to do to Nature, Reason, and Truth what the eighteenth century did to God.’ Hij spelt ‘Natuur’, ‘Rede’ en ‘Waarheid’ niet zomaar met hoofdletters. Het gaat hem om onwrikbare filosofische concepties van natuur, rede en waarheid, niet om waarheden in het algemeen. Deze slagzin is – in tegenstelling tot wat Peterson beweert – dus geen antiwetenschappelijke houding, geen relativisme en geen nietsontziend nihilisme. Rorty bedoelt dat je nog wel feiten te berde kunt brengen in een aanspraak op de waarheid, maar dat die feiten en die waarheid niet meer in de hemelen geschreven staan. Feiten zijn nuttige en soms zelfs onontbeerlijke gereedschappen, onder meer in onze democratie, maar je moet ze steeds bevragen en ze mogen geen dogma’s worden.

Steeds is het thema bij Baudet: ‘Eens was er heelheid, nu rest ons de scherven’. Een totaliteits­theorie van het goede leven

Daar kun je zeker te ver in gaan. Zelfs de mensen die het postmodernisme willen verdedigen, maken er helaas geregeld een karikatuur van. Dat blijkt bijvoorbeeld uit een stuk van Rob Wijnberg, waarin hij uit Rorty’s kritiek op een te stellige notie van feiten afleidt dat fact checks een ‘heilloze weg’ zijn. Nu kan het best zijn dat fact checks weinig impact hebben op mensen, maar dat heeft weinig met Rorty’s filosofie te maken. Een secuur en serieus postmodern denken is nimmer een vrijbrief voor de executie van de waarheid of de feitelijkheid, het is veeleer de erkenning van de complexiteit en ongrijpbaarheid waarin veel waarheden – maar lang niet alle – zich aandienen. Tegelijkertijd bewijst het bestaan van een vulgair postmodernisme, of slechte wetenschap überhaupt, niet de verregaande stellingen van Peterson of Boudry dat het postmodernisme intentioneel kwaadaardig en alomtegenwoordig is.

***

Maar als dit het postmodernisme is, waarom moeten mensen als Peterson het totalitarisme er dan steeds met de haren bij slepen? En waar komt hun obsessieve connectie tussen Social Justice Warriors en postmodernisme vandaan? En waarom presenteren zij het postmodernisme louter als ideologisch project? Onze these is de volgende: het postmodernisme durft de gebrokenheid en fragmentatie van de moderniteit ten volste te accepteren en er een omgang mee te vinden. En precies deze gebrokenheid is wat een groeiend aantal mensen in onze samenleving steeds slechter kan verkroppen. Iedere vorm van linkse identiteitspolitiek, iedere minderheid die een stem krijgt, appelleert bij hen aan een gevoel van verlies aan heelheid. Het postmoderne denken dat deze gebrokenheid omarmt, is dan vooral een makkelijke zondebok.

De roep om heelheid die tegenwoordig steeds klinkt, is een echo van een verlangen uit de Romantiek, de internationale stroming die reageerde op de onttovering en ontworteling die de moderne wetenschappen en het kapitalisme met zich hadden meegebracht. Ook de Romantici waren nostalgisch naar een tijd waarin de wereld nog heel was. Zij stelden al hun verbeelding in het werk om die heelheid nog eenmaal voor de geest te roepen. Hun idyllische paradijs vonden ze in de Middeleeuwen, een tijdperk van draken, prinsessen en dappere ridders.

Historicus Peter Raedts laat in zijn Ontdekking van de Middeleeuwen overtuigend zien hoe de Romantici naar middeleeuwse literatuur verwezen om hun ideeën over authenticiteit en eigenheid te legitimeren. Maar Raedts toont ook dat deze authenticiteit uiteindelijk een idée-fixe was. Het mooiste voorbeeld daarvan is ‘Ossian’, een legendarische middeleeuwse bard uit wiens epische dichtkunst de puurheid van de Schotse ziel zou spreken. In werkelijkheid bleek dit geliefde symbool van authenticiteit niet meer dan het verzinsel van de achttiende-eeuwse Schot MacPherson. Het illustreert treffend hoe het object van de Romantische nostalgie moest worden verzonnen, voordat het kon worden aanbeden.

De zo verloren middeleeuwse authenticiteit werd overigens niet alleen in de literatuur ‘ontdekt’. Romantici meenden dat ook de middeleeuwse gemeenschapszin was vermorzeld door het zielloze individualisme en universalisme van het moderne samenleven. De Frühromantiker Johann Herder ‘ontdekte’ tijdens een reis door Europa plotsklaps dat onder de moderne samenleving een veelheid aan authentieke volkeren schuilging, elk met zijn eigen, organisch gegroeide ‘Volksgeest’. Deze volkeren, met hun eigen literaire en muzikale culturen, zouden idealiter de basis vormen van een oorspronkelijke en ongekunstelde sociale samenhang: de natiestaat.

***

Zo worden de parallellen langzaam zichtbaar. Thierry Baudet van het Forum voor Democratie stelde in een interview met Vrij Nederland: ‘Het project van mijn leven bestaat eruit dat ik de heelheid in de wereld wil herstellen: de heelheid die er nog voor de Eerste Wereldoorlog was.’ Deze heelheid kan niet groot genoeg worden opgevat. Hier klinkt niet alleen een zucht naar de echte, edele en eigene natiestaat. Er wordt zelfs een appèl gedaan op een kosmische eenheid waarin een politieke, morele en esthetische stratificatie kan worden aangebracht.

Veelzeggend is de uitspraak van Baudet dat ijskristallen bij het horen van de muziek van Haydn ogenblikkelijk in een schitterende formatie springen, terwijl ze bij minder welluidende klanken in chaos vervallen. De muzikale voorkeur van het ijskristal moet de natuurwetenschappelijke bevestiging geven van een theorie die zinspeelt op het bestaan van een onwrikbare morele en esthetische ordening der dingen. Of het nu gaat om de universalistische Europese Unie, de kille moderne architectuur of de strijd tegen de ‘verwijving’ van de samenleving: steeds is het thema ‘Eens was er heelheid, nu rest ons de scherven’. Een totaliteitstheorie van het goede leven, aangejaagd vanuit de peilloze diepte van een gevoel van verlies.

De Duitse filosoof Rüdiger Safranski liet zijn Romantik: Eine deutsche Affäre niet voor niets met een zeereis beginnen. De clichématige romanticus kijkt over de golven en mijmert in een rechtstreekse dialoog met de eeuwigheid. Nu is er in principe weinig mis met zulk romantisch gedweep, totdat het de basis van een politiek program wordt. Als de prevelende oceaanstaarder symbool moet zijn voor alle mensen, als houten schepen op kunststof doeken achter politieke leiders verschijnen en een expliciet beroep gedaan wordt op een heelheidsmythe, dan is het goed om nog eens na te denken. Want wie werkelijk in die heelheid gelooft, zou tot de conclusie kunnen komen dat alle goede dingen in de samenleving een uitdrukking van de volksgeest moeten zijn. Dat betekent bijvoorbeeld dat ook instituties, zoals de rechtspraak, de publieke omroep, de universiteiten en zelfs de kunst, de volksgeest zouden moeten verbeelden.

Als heelheid op zulke momenten een serieus criterium wordt, leidt dat tot een wereldbeeld dat je ‘totalitair’ kunt noemen. Totalitarisme leidt niet meteen tot oorlogen en verschrikkingen, maar in eerste instantie tot kinderachtige uitsluitingsmechanismen waarbij pluralistische instituties – zoals de ‘linkse npo’, ‘d66-rechters’ of ‘postmoderne universiteiten’ – verdacht worden gemaakt. Nee, wie de moderne liberale democratie accepteert, kan niet anders dan vertrekken vanuit het idee van versnippering. Dat is nu precies waar de postmodernen op wijzen. Niet omdat zij een kant-en-klaar politiek programma presenteren, maar wel omdat zij steeds blijven doorvragen op monolitische wereldbeelden.

Dat uit zich in een filosofische kritiek op verabsoluteerde noties als Rede, Natuur en Waarheid, maar ook in een politieke achterdocht tegenover Grote Verhalen, zoals dat van het marxisme van destijds en de alt-right van nu. De filosofen van het postmodernisme waren in eerste instantie helemaal niet in gesprek met de alt-right, want dat bestond nog niet toen het postmodernisme vorm kreeg. Maar nu de alt-right-denkers in hun angstschreeuw uitgerekend de postmodernen – een stroming wars van kosmische verzinsels als legitimering van een zucht naar politieke eenheid – als vijand hebben aangewezen, ontmaskeren zij vooral zichzelf als de totalitaire tegenhanger van het postmoderne denken.


Adriaan van Veldhuizen is als universitair docent theorie van de geschiedenis verbonden aan de Universiteit Leiden en is redacteur van De Gids. Jan Overwijk is promovendus in de sociale filosofie aan de UvA