Ranne Hovius, De eenzaamheid van de waanzin

Houden van iemand die gek is

Van Jan Arends tot Saul Bellow – gekken genoeg in de literatuur. Vaak gaat het niet om hun ziekte maar om hoe de omgeving op hen reageert, en hoe er van ze wordt gehouden.

‘If I am out of my mind, it’s all right with me.’ Saul Bellow legt het zijn titelheld Herzog in de mond, een man die voelt dat hij zijn beste jaren gehad heeft. Zelf beschrijft hij zijn karakter als narcistisch, masochistisch en anachronistisch. Hij zoekt, na een jachtige zwerftocht langs vrienden en bekenden, de eenzaamheid op en duikt in zichzelf en in zijn verleden. En intussen leeft hij zich uit in het dwangmatig schrijven van brieven; meestal zijn de geadresseerden al overleden. Nietzsche bijvoorbeeld of Spinoza. Tegenover de vrouwen die hij en passant het hof maakt gedraagt hij zich als een genotzuchtige stoethaspel. Uit de biografie van Bellow valt op te maken hoezeer Herzogs verhaal met het zijne verweven is. Hoe knap hij zijn eigen sores heeft kunnen verpakken in een boeiende en ontroerende roman.

In het zeer lezenswaardige De eenzaamheid van de waanzin toont Ranne Hovius aan hoe door de jaren heen de waanzin als inspiratiebron heeft gediend voor schrijvers als Goethe, Zola en Thoman Mann. Hoe zij verschillende vormen van gekte als aannemelijk of zelfs onvermijdelijk wisten weer te geven in hun roman­figuren. Oorzaak en gevolg waren verweven met de heersende opvattingen omtrent geestesziektes. Zo worden de lichamelijke zwakte en de afname van verstandelijke vermogens binnen de familie Rougon-Macqart door Zola aan degeneratie geweten: verkeerde partnerkeuze, een zwak gestel en het niet bestand zijn tegen de grote tegenslagen des levens. Wie daar te veel last van heeft kan maar beter opgesloten worden, liefst levenslang. ’Verschrompeling van het verstand’ was de boosdoener en bij vrouwen kwam daar de hysterie nog bij. Zie Jane Eyre van Charlotte Brontë. Krankzinnigheid werd als niet te behandelen en zeker niet te genezen beschouwd.

Hovius vertelt hoe pas eind achttiende eeuw, in het kader van vrijheid, gelijkheid en broederschap, men zich in Frankrijk ging bekommeren om de erbarmelijke omstandigheden waaronder de zieken waren weggezet. ‘Traitement moral’ was het motto waaronder ze werden verlost uit hun donkere kelders en, gewassen en goed gevoed, ondergebracht in mooie, lichte en schone gebouwen, liefst in een parkachtige omgeving. Wie dankzij een op hun persoonlijke wanen afgestemde aanpak was gestopt met gillen of zijn kleding verscheuren of spelen met poep werd als genezen verklaard en uit de inrichting ontslagen. Toen bleek dat ze dan nog steeds geestesziek konden zijn – in het geval van Gérard de Nerval zelfs suïcidaal – ging men streven naar een doeltreffender vorm van behandeling. Er kwamen dossiers en classificaties en er ontstond een nieuwe tak van wetenschap die in 1808 een naam kreeg: psychiatrie.

Intussen was de belangstelling van schrijvers toegenomen. Goethe voert in zijn Wilhelm Meister’s levensjaren een ‘encyclopedie van de waanzin’ op. ‘Hypochondrie, melancholie, hysterie, zwakzinnigheid, manie – alles komt aan de orde.’ De morele behandeling waarmee men bijvoorbeeld de diep gestoorde harpspeler meent te kunnen genezen komt neer op het aanbieden van rust, regelmaat en aandacht voor de nabije omgeving. Een terugblik in zijn verleden waar zich een ongelukkige liefde heeft afgespeeld wordt als heilloos beschouwd.

Met name de degeneratieleer bleek, waarschijnlijk vooral vanwege de continuïteit, een aantrekkelijk gegeven voor romanciers. Behalve Zola met zijn twintigdelige familiekroniek waren het onder anderen Thomas Mann met zijn Buddenbrooks en Couperus met zijn Boeken der kleine zielen die zich uitleefden in het neerzetten van steeds minder geslaagde nazaten van wat eens een gezonde, welvarende familie leek.

En toen was daar Sigmund Freud met zijn Dora, zijn Traumdeutung en zijn sofa. De oorzaak van alle ellende lag in de eerste levens­jaren dus: ‘Vertelt u maar.’ Hij werd aanvankelijk vereerd en nagevolgd maar later ook verguisd. Toch zonden de schrijvers die zich aan hem schatplichtig wisten samen met surrealistische kunstenaars als André Breton en Dali hem voor zijn tachtigste verjaardag een gelukwens die als bedankbrief kan gelden. En inmiddels weet iedereen welke rol het onderbewuste heeft en leren ook leken, mede dankzij de DSM-_handboeken, hoe men een Asperger of een autist kan herkennen, wat een depressie is en wat het betekent om _in therapy te zijn.

De wisselwerking tussen literatuur en psychiatrie wordt door Hovius zeer overtuigend neergezet, maar mij viel op dat er aan de Amerikanen weinig aandacht wordt besteed. Ja, van de dichteressen Ann Sexton en Sylvia Plath wordt verteld hoe ze van hun psychiater het advies kregen om te gaan schrijven. En dat ze, ondanks de baat die ze daarbij vonden en het succes dat ze ermee hadden toch een eind aan hun leven maakten. Ook wijst Hovius op de belangrijke rol van therapie in bekende auto­biografische geschriften als The Bell Jar van Plath en ­Hannah Greens I Never Promised You a Rose Garden. Maar er is zoveel meer.

Wat opvalt in de Amerikaanse romanliteratuur is de vanzelfsprekendheid waarmee geestelijk gestoorden worden opgevoerd. Het gaat dan niet zozeer om hun ziekte als wel om hun omgeving. Hoe de samenleving op hen reageert en vooral hoe er van hen wordt gehouden. Ze zijn dan ook helemaal niet eenzaam, integendeel. Ze worden ook niet zozeer als patiënten beschouwd, maar meer als mensen met een probleem. Ze hadden ook te dik kunnen zijn of failliet of hopeloos verliefd. Voor de psychiater is hooguit een bijrol weggelegd.

Scott Fitzgerald bijvoorbeeld zet hem in Tender Is the Night neer als een loser. Het charismatische echtpaar Dick en Nicole Diver geeft een tuinfeest in hun zomervilla aan de Franse Rivièra. Een van de gasten komt na een bezoek aan de bathroom ademloos terug. Wat ze daarbinnen gehoord heeft! Huisvriend Tommy legt haar het zwijgen op: er wordt niet gepraat over wat zich afspeelt bij de Divers. Het meisje Rosemary, dat zich verliefd heeft op Dick, hoort zo’n tachtig bladzijden verderop vanaf het balkon in een Parijs’ hotel per toeval wat er gebeurd kan zijn. Nicole blijkt te lijden aan schizofrenie en Dick Diver, opgeleid als psychiater, is door haar welgestelde familie aangemoedigd om met haar te trouwen en zo een oogje in het zeil te houden. Nicole is door een schietincident van slag geraakt en wat Rosemary dan te horen krijgt – ‘louder and louder, a verbal inhumanity that penetrated the keyholes and the cracks in the doors’ – doet me terugdenken aan Jan Arends: hoe die schreeuwend en met verdraaide stem tekeer kon gaan, door de telefoon en bijvoorbeeld ook ten overstaan van een ledenvergadering van de Vereniging van Letterkundigen. De vreemdste verwijten die, vervelend genoeg, soms tegen een werkelijkheid aan schuurden. ‘Ik krijg nog geld van je!’, keer op keer met priemende vinger naar Harry Mulisch die de werkbeurs had gekregen waar Arends recht op meende te hebben.

Voor Nicole’s ziektebeeld kon Scott ­Fitzgerald putten uit zijn eigen huwelijk. Zoals Nancy Mitford aantoont in haar mooie biografie Zelda Fitzgerald citeert hij zelfs letterlijk haar brieven als zijnde geschreven door Nicole aan Dick. Maar met een therapeut die zich de liefde van zijn patiënt laat aanleunen en er zelfs gebruik van maakt kan het alleen maar slecht aflopen.

Jan Arends met zijn telefoonterreur drong zich ook aan me op toen ik in The Marriage Plot las van Jeffrey Eugenides (door Jan de Nijs en Gerda Baardman vertaald als Het huwelijk) wat er te melden viel over de charmante, briljante en in elk opzicht aparte Leonard Bankhead. Hij maakt indruk op de welopgevoede, naïeve Madeleine en als ze bij studiegenoten naar hem informeert krijgt ze te horen dat hij erg intens is en heel veel telefoneert, soms wel urenlang. Madeleine gaat hem alleen maar interessanter vinden. Goede gesprekken, opwindende vrijpartijen en wat maakt het dan uit dat het zo’n rotzooi is in zijn studio. Dat hij zulke sombere buien heeft. En dat het er hoe langer hoe meer op gaat lijken dat hij haar eigenlijk niet mag. De ziektegeschiedenis van Leonard – zijn ups en zijn downs, het belang van zijn medicatie en de effecten daarvan, zijn buitensporige gedrag en misdragingen – is hartverscheurend. De wanhoop en het verdriet, van hem zelf en van wie hem lief heeft, vormen het hart van de roman.

Ook in I Know This Much Is True van Wally Lamb (1998) gaat het voornamelijk om het houden van iemand die gek is en het daaruit voortkomende verdriet. Verteller Dominick heeft zijn moeder op haar sterfbed beloofd voor Thomas, zijn identieke tweelingbroer, te zullen blijven zorgen. Dat het om een geesteszieke gaat is op de eerste bladzij al duidelijk: Dominick wordt naar de Public Library geroepen waar Thomas uit religieuze overwegingen zijn rechterhand heeft afgehakt. De vraag is of hij nu terug kan naar zijn vertrouwde instituut – nee, want hij wordt gevaarlijk geacht. Hij wordt opgenomen in een gesloten inrichting waar hij verkommeren zal, dus Dominick gaat een gevecht aan met de autoriteiten en belandt ook zelf in therapie. Allengs komt alles wat erg is aan de orde: de wiegendood van zijn dochtertje, het vertrek van zijn vrouw, vermoedens van incest, hiv, rassendiscriminatie, een grootvader die niet deugde, een stiefvader die met de onhandelbare ­Thomas niet om wist te gaan, de angst dat de ziekte erfelijk is dat hijzelf ook gek zal worden en het schuldgevoel omdat hij diep in zijn hart wel eens verlangt naar het er niet meer zijn van Thomas. Wie denkt dat Vergeef me (in de vertaling van Johannes Jonkers en Inge Heer ruim 740 pagina’s dik) alleen maar tranentrekkende sensatie te bieden heeft, vergist zich. Je leert er ook de normen en waarden door kennen van het Amerika van de jaren zeventig, tachtig en eerder.

Het feit dat genoemde romans stuk voor stuk bekroonde bestsellers zijn en zelfs tot de klassieken worden gerekend, bewijst wel dat de Amerikanen bereid zijn het doen en laten van geestelijk gestoorden voor lief te nemen. Shit happens nu eenmaal, dus vertelt u maar. Liefst waar gebeurd, uit het eigen leven gegrepen.

Ook al wordt dat ontkend. Voor in What I Loved van Siri Hustvedt staat de gebruikelijke bezwering te lezen dat alle personages in het boek verzonnen zijn en dat elke gelijkenis met echte mensen, levend of dood, op toeval berust. Maar iedereen kan weten, mede dankzij internet, dat de afgrijselijke sociopaat die het liegen en bedriegen van jongs af aan niet kan laten en zelfs bij een bizarre moordzaak betrokken raakt, de zoon is van Paul Auster (Hustvedts huidige echtgenoot) en Lydia Davis, zijn eerdere vrouw. Maar ook de lezer die dat niet weet, kan alleen maar medelijden hebben met de personages rondom deze Mark en deelt hun wanhopige pogingen om toch van dat rotjoch te houden.

Dat de eigen ervaringen van de auteur meer bijdragen aan de kwaliteit van het boek dan het vergaren van kennis wordt naar mijn smaak aangetoond in Lowboy. Hovius citeert uit een interview met de schrijver, John Wray, hoe moeilijk hij het vond om zich te verplaatsen in het bewustzijn van een schizofreen. Dus is hij gaan lezen: niet alleen vakliteratuur over de metro en de politie in New York maar ook DSM IV en wat er verder zoal geschreven is over schizofrenie. Met als gevolg dat Lowboy duidelijk een verzonnen jongen is met een ziektegeschiedenis die geheel volgens de boekjes verloopt. Het is dat gemaakte dat voor mij afbreuk doet aan het verhaal. De auteur vergrijpt zich als het ware aan de gedachtewereld van een geesteszieke door hem raar te laten doen en tegelijkertijd mooie, wijze dingen te laten denken. Een soort schmieren: ga je gang maar, het maakt niet uit of het zinnig is of niet. ‘De wereld zit in me’, zegt Lowboy bij zichzelf, ‘en ik zit in de wereld.’

Naar mijn smaak een tegeltjeswijsheid vergeleken bij de authentieke zielennood waaraan Saul Bellow zijn Herzog onderwerpt en hem zich huiverend doet afvragen waarom hij zich zo door de hele wereld terneer laat drukken. En ‘…bijvoorbeeld wat het betekent een man te zijn. In een stad. In een eeuw. In een overgangs­tijdperk. In een massa. Vervormd door wetenschap. Onder georganiseerd gedrag. Onder­worpen aan kolossale krachten…’ Of Herzog gek is of niet: it’s all right with me. Ik geloof in hem en hij is een man om van te houden.


Ranne Hovius, De eenzaamheid van de waanzin, € 19,95

Saul Bellow, Herzog, € 12,50

F. Scott Fitzgerald, Tender is the Night, € 11,95

Eugenides, The Marriage Plot, € 10,95

Huwelijk, € 12,50

e-book, € 7,99

Wally Lamb, Vergeef me, € 10,-