Houden van zwarte mannen

Iets zit me dwars aan die film, Paradies: Liebe, maar ik weet niet wat. Ik loop er nu al dagen over na te denken, en heb er zelfs van gedroomd. Ik ging erheen met mijn dochter en een vriendin van haar, allebei begin twintig. De bioscoopzaal zat afgeladen vol, met overwegend vrouwen, wij konden nog net naast elkaar zitten op de eerste rij.

Vanaf de openingsbeelden van de film, een stel mongolen in botsautootjes, kwijlend en schreeuwend, met de hoofdpersoon die aan de kant staat, en kennelijk als begeleidster van hen de boel in de gaten houdt, was het duidelijk: deze vrouw heeft een treurig bestaan. Zie haar sjokken met haar plastic tasjes naar haar akelige woonkazerne, waar haar bokkige puberdochter met haar schoenen aan in bed ligt te snoepen en niks te doen. Als ze haar boodschappen opruimt en de salami in de ijskast legt, stopt ze in een automatisme nog even snel een plakje in haar mond. Ze is niet alleen zielig, ze is ook nog eens een vraatzuchtig monster.

Waar kan zo’n vrouw aan haar trekken komen, voorzover er nog een libido in haar schuilgaat? Natuurlijk, in donker Afrika. Ze staan er opgesteld in rijen van drie, mooie gespierde jonge zwarte mannen, klaar om alle mogelijke kunstjes te doen voor westerse vrouwen op leeftijd die als aangespoelde potvissen op het strand liggen te blakeren. Alle kunstjes, behalve één, zo zal blijken uit een van de laatste scènes van de film. Een scène die in potentie iets ultiem vernederends heeft, ware het niet dat ik tegen die tijd lamgeslagen ben door alle pijnlijke confrontaties tussen wit en zwart vlees.

Tegelijkertijd heb ik moeite om erbij te blijven, en niet aan van alles te gaan denken. Aan de vriendin die ik nu al te lang niet gezien heb en die me vertelde dat er niets boven een groot zwart dijbeen gaat dat zich om je heen vouwt. Aan de man die me die ochtend op het Amstelstation ‘een gezegend nieuw jaar schatje’ had toegewenst, met brede grijns en scherpe s. Aan de verhouding tussen klusjesman Daniel Craig en de moeder van diens vriendin in The Mother. Aan de film Vers le Sud die ik een paar jaar geleden in de bioscoop zag, met in de hoofdrol Charlotte Rampling die haar minnaars zocht op Haïti. Hoe zij in de branding stond met haar vaste vriendje, achterover hing in zijn sterke armen. Hij wilde niet dat ze met haar hoofd onder water ging, omdat ze er dan uitzag als een geplukte kip, en zij deed het pesterig toch. Hoe ze er toen inderdaad opeens rimpelig en oud uitzag, de tol van dunne vrouwen.

Vers le Sud begon overigens met de beelden van een dertigster, Parisienne, die haar Haïtiaanse minnaar van het jaar ervoor niet had kunnen vergeten en opnieuw afreisde naar het resort van toen. Zoekend liep ze over het strand, tot ze hem weer zag, slapende in de schaduw van een boom. Complicatie: hij bleek inmiddels van Rampling te zijn.

Het was niet echt een denderende film, Vers le Sud, omdat hij halverwege kantelde naar een politiek statement over de toestand op Haïti, maar wel een film die tot nadenken stemde over macht en afhankelijkheid, en vooral over het niet te stillen verlangen te begeren en begeerd te worden. Anders dan in Paradies: Liebe waren de hoofdpersonages niet bij voorbaat houellebecqiaans hopeloos en belachelijk. Daardoor bleef het diffuus wat vrouwen eigenlijk willen, en waarom ze dat denken te kunnen vinden bij zwarte mannen. Het leken wel echte vrouwen, zoals ik ze ook al mijn leven lang ken, vrolijk afreizend naar zuidelijke oorden met een goed boek en een rugzak vol condooms. Begin jaren negentig had sociologe Agnes Sommer een onverwachte bestseller met het boek Houden van Afrikanen, waarin ze tussen de regels door aan het taboe raakte van de intellectuele vrouw op zoek naar een ‘echte’ (lees: zwarte) man.

De zwarte man die ondertussen in Paradies: Liebe een strikje krijgt omgeknoopt. Terwijl de vrouwelijke lust almaar openlijker wordt botgevierd, wordt er in de bioscoopzaal harder gelachen, gegierd, gebruld. Pal naast me hoor ik alleen maar gegaap.

‘Snap jij waarom die mensen zo lachen?’ sis ik in het oor van mijn dochter. Ik denk dat ik ‘wijven’ zeg in plaats van ‘mensen’.

Met een klap sluiten de kaken van m’n dochter zich.

‘Ongemak’, zegt ze.

Ik voel ook ongemak, en ergernis. Als de aftiteling begint en het licht aangaat, kijken dochter, vriendin en ik elkaar aan. We kunnen wel wat gebruiken ja. In het café zegt vriendin: ‘Ik zie wel dat soort vrouwen op het strand. Met zo’n hoedje.’ ‘Ja’, zegt dochter. ‘En met zo’n sjaal omgeknoopt.’

‘Maar wie is nu de verliezer?’ vraag ik. ‘Moeten we nu medelijden krijgen met een van de partijen? Is de filmer er niet op uit iedereen voor gek te zetten?’

Ik hap naar adem. ‘Wat is jullie het meest bijgebleven?’ vraag ik.

Mijn dochter en vriendin kijken me aan. Alsof ze het hebben afgesproken zeggen ze: ‘Nooit dik worden.’