De vrijheid van (haatzaaiende) meningsuiting

Houdt het dan nooit op?

In een vrijzinnige democratie moet verbaal geweld anders dan fysiek geweld knarsetandend worden getolereerd, en tegelijkertijd op inhoudelijke gronden fel worden bestreden. En moeten vergelijkingen met Hitler altijd taboe zijn?

DE TWEEDE WERELDOORLOG duurt maar voort in Nederland: 1939-2009. Als we niet uitkijken wordt het een tweede Tachtigjarige Oorlog. Hitler-vergelijkingen zijn aan de orde van de dag, de haatlabels van extreem-rechts, racisme en nazisme worden verontwaardigd rondgestrooid en iedereen wil iedereen aanklagen en vervolgen om wat hij of zij nu weer heeft gezegd. Geert Wilders vergelijkt de Koran met Hitlers Mein Kampf, zonder dat boek te hebben gelezen: het is voor hem slechts de naam voor het absolute Kwaad. Zijn linkse tegenstanders noemen Wilders op hun beurt een racist of fascist. Het Amsterdamse Hof vindt nu dat hij moet worden vervolgd omdat hij bij de Nederlandse bevolking ‘conflictueuze tweespalt’ zaait en haar beweegt tot ‘discriminatie, intolerantie, minachting en vijandschap’ jegens de islamitische bevolkingsgroep.
Opvallend is dat celebrity-advocaat Gerard Spong, dezelfde die de demoniseerders van Pim Fortuyn volgens diens eigen postume instructie wilde ‘vervolgen tot in de hel’, nu Wilders aanklaagt vanwege diens vergelijking tussen Hitler en Mohammed. Dat Fortuyn de islam had gehekeld als een ‘achterlijke cultuur’ was volgens Spong geen vorm van haat zaaien, maar een pittige opinie over een geloof die binnen de grenzen van de wet bleef. Maar met de nazivergelijking werd een absolute beschavingsgrens overschreden. Ook nu is Spongs motief voor de aanklacht tegen Wilders dat moslims niet ‘op de schroothoop van het nazisme’ mogen worden gegooid. Even opvallend is dat collega Bram Moszkowicz Wilders verdedigt, terwijl dezelfde advocaat aangifte heeft gedaan tegen het SP-Kamerlid Harry van Bommel omdat deze niet is weggelopen uit een demonstratie waarin antisemitische leuzen werden geroepen.
Sinds jaar en dag wordt het F-woord gehanteerd om anderen te demoniseren en de mond te snoeren. De Tweede Wereldoorlog en de holocaust zijn voor velen een uniek cultuurbezit en een feilloos inburgeringscriterium: je bent geen goede Nederlander als je niet ten diepste beseft en respecteert wat er toen voor verschrikkelijks is gebeurd. De genocide op de joden is het radicale kwaad: uniek, onherhaalbaar en met niets te vergelijken. Ontkenning van de holocaust en antisemitisme zijn de ergste opiniedelicten die men kan begaan. ‘Nooit meer Auschwitz’ is onze erfzonde en als zodanig de bottom line van onze cultuur.
Maar we moeten eindelijk eens ophouden met die demonisering van het fascisme. De historische tragedie is dat de rassenmoord op de joden heel goed te vergelijken is met andere vormen van volkerenmoord. Het is nog steeds minder erg om iemand een stalinist of maoïst te noemen dan een fascist, terwijl de terreur van Stalin twintig miljoen en die van Mao 35 miljoen slachtoffers heeft geëist. Ontkenning van de Goelag is niet strafbaar, ontkenning van de holocaust wel. De verzamelde werken van Stalin en Mao zijn anders dan Mein Kampf vrij verkrijgbaar. Het wordt nog steeds kwalijker gevonden om extreem rechts te zijn dan extreem links. Die asymmetrie werd bevestigd door de affaire-Duyvendak, hoewel rechtse revanchisten hun uiterste best deden om de balans in evenwicht te brengen.
Het is noch de omvang noch de systematiek van hun vernietiging die het slachtofferschap van de joden uniek maakt. Ook na 1945 zijn etnische zuiveringen, rassenmoord en genocide met grote regelmaat gepleegd, zoals de verschrikkingen in voormalig Joegoslavië, Rwanda en Darfur laten zien. Het radicale kwaad heeft vele gezichten. Uniek is de jodenmoord wellicht alleen omdat zij ‘ons’ is overkomen, omdat het ‘onze rotjoden’ betrof, omdat het op onze bodem heeft plaatsgevonden, en omdat ‘wij’ het grotendeels ook hebben laten gebeuren. Wij lijden kortom aan slachtofferarrogantie: een soort etnocentrisme van het leed en de herinnering.
De ‘revisionistische’ herwaardering van het fascistische en nationaal-socialistische gedachtegoed en dito politieke praktijk in kringen van historici (zoals Ernst Nolte, Joachim Fest, A.J. Gregor, Roger Eatwell of Zeev Sternhell) is nog steeds niet doorgedrongen tot het publieke forum. In ons land deed Jacques van Doorn onlangs in zijn Duits socialisme (2007) nog een poging om het nationaal-socialisme te herinterpreteren als een authentieke meritocratische revolutie, die als zodanig succesvol kon concurreren met de sociaal-democratie.
Weinig mensen weten overigens dat Pim Fortuyn in een artikel uit 1983, ‘Het sociale element in het nationaal-socialisme’ (en in navolging van een stuk van één onzer uit het jaar daarvoor getiteld ‘De redelijkheid van het fascisme’) ervoor pleitte om de ideologische, zelfs idealistische motieven van de nationaal-socialisten serieuzer te nemen en niet te blijven steken ‘op het niveau van afkeer c.q. verwerping van het fascisme’. Het is dan ook pikant dat de latere politicus Fortuyn niets meer moest hebben van enige historische nuancering van fascisme en nationaal-socialisme en elke vergelijking met vertegenwoordigers van dit gedachtegoed verontwaardigd afwees als een vorm van demonisering en karaktermoord.
Nog steeds wordt het F-woord vooral gehanteerd als vloek, scheldwoord en dooddoener. Men is nog nauwelijks in staat om de fascistische revolutie te historiseren: zij blijft een unieke kapstok voor absolute oordelen over goed en fout. Ook de Historikerstreit van de jaren tachtig in Duitsland liet zien dat een grotere wetenschappelijke onbevangenheid tegenover de herinnering aan het Derde Rijk nog een brug te ver was. Juist de revisionistische twijfel aan de Einzigartigkeit van de jodenmoord was voor het linkse establishment indertijd de voornaamste steen des aanstoots. Het werd hierin geholpen door overdrijvingen als die van Nolte, die stelde dat de holocaust een radicaal gesystematiseerde kopie was van het origineel: de genocide die had plaatsgevonden in het spoor van de Russische Revolutie. Maar waar Nolte terecht op wees, was dat de demonisering van het Derde Rijk als eenmalig Duivelsrijk niet langer houdbaar was.

IN ZIJN PAMFLET Hitler in de polder & Vrij van God stoort ook Joost Zwagerman zich hevig aan het misbruik van het F-woord en H-vergelijkingen met als doel anderen de mond te snoeren. Maar zijn verontwaardiging is uiterst selectief. Het is vooral de ‘linkse kerk’ die het bij hem moet ontgelden, die onder het aanroepen van de holocaust karaktermoord zou hebben gepleegd op islamcritici als Bolkestein, Fortuyn en Hirsi Ali. De ‘lelieblanke culturele elite’ lijdt in zijn ogen aan een dubbele moraal, omdat zij kritiek op het christendom van harte toejuicht, terwijl zij kritiek op de islam hekelt als een nieuwe vorm van racisme.
Zwagerman vergeet voor het polemisch gemak dat die demoniserende vergelijkingen links en rechts door alle partijen worden gehanteerd. Zijn favoriete boosdoeners zijn vooral de twee heren op leeftijd Hugo Brandt Corstius en Jan Blokker; maar deze zogenaamde ‘boegbeelden van weldenkend links Nederland’ worden door niemand ter linkerzijde nog serieus genomen. Zwagerman ‘vergeet’ daarbij een hele reeks publicisten ter linkerzijde die niet terugschrikken voor kritiek op religie in het algemeen en op de islam in het bijzonder, zoals Elsbeth Etty, Eddy Terstall en beide ondergetekenden, alsmede politici als Femke Halsema, die Ayaan Hirsi Ali altijd principieel heeft verdedigd.
Ook bestaat er een veel manifestere alliantie tussen moslims en traditionele christenen dan de alliantie die Zwagerman ontwaart. Denk aan Piet Hein Donner, Tiny Muskens, Doekle Terpstra, het staatshoofd, Jan Peter Balkenende en Wim van den Donk. Het zijn deze en andere gelovigen die islamkritiek veel frequenter en systematischer afkeuren dan de door Zwagerman bij elkaar geharkte linkse voorhoede.
In plaats van afstand te nemen van het oer-Hollandse gezelschapsspel van de demonisering doet Zwagerman er in feite vrolijk aan mee. Blijkbaar zijn Hitler en de holocaust ook voor hem niet veel anders dan het gepersonifieerde Kwaad. Maar waarom zijn zakelijke historische vergelijkingen taboe? Zelfs Wilders meent dat hij met Fitna simpelweg de rauwe werkelijkheid laat zien, en er is op voorhand geen reden om hem niet op zijn woord te geloven. De door moslimterroristen gepleegde gruweldaden zijn echt gebeurd, dus als moslims zich daardoor beledigd voelen, worden ze ‘beledigd door de waarheid’ (de Volkskrant, 28 maart 2008).
Het gelijk van Wilders is dat er inderdaad terreurdaden zijn gepleegd en worden aangekondigd door moslims die zich beroepen op de Koran. Het is dan ook onzinnig om te blijven volhouden dat islam en terreur niets met elkaar te maken hebben. Maar het is even onzinnig om de islam zonder meer gelijk te stellen aan geweld en terreur. Wilders bedrijft de klassieke pars pro toto-retoriek van de populistische propaganda: de hele moslimgemeenschap krijgt de schuld van het geweld dat wordt gepleegd door het kleinste deel ervan. Bovendien wordt de ontevreden blanke minderheid gelijkgesteld aan de meerderheid van de gewone Nederlanders en daarmee verheven tot de ‘stem van het volk’.
Maar Zwagerman is door zijn alles-of-niets-logica gedwongen om alle vormen van kritiek op de islam in bescherming te nemen. Natuurlijk mogen afvallige moslims tekeergaan, maar dat betekent niet dat we ze, zoals in het geval van Ayaan Hirsi Ali, heilig moeten verklaren en hun uitingen zonder meer als voorbeeldig en navolgbaar moeten zien. De islam-bashers vervallen regelmatig in dezelfde fundamentalistische retoriek die islambeschermers het racismeverwijt ingeeft. Het is dan ook aandoenlijk om te zien hoe Zwagerman de ‘onbesuisde puber’ Ehsan Jami tegen de linkse ‘karaktermoord’ in bescherming neemt. Hij zegt zelf niet veel op te hebben met Jami’s ‘kabaal’ en ‘wispelturige strapatsen’ en vindt diens filmpje over Mohammed ‘een beetje mal’. Maar slechte smaak en luidruchtigheid zijn niet strafbaar, en de critici gingen met opzet voorbij aan de ‘verbroederende portee’ ervan. Wij volgen hier liever het oordeel van enkele moslimorganisaties, die Jami the Movie afdeden als ‘een krachteloos niemendalletje’ en hem verder veel succes wensten in zijn carrière als filmmaker.
Die genuanceerde, gematigde opstelling vindt men bij moslimvertegenwoordigers steeds vaker. Kopstukken als Ahmed Aboutaleb en Ahmed Marcouch zijn het slachtofferschap ver voorbij en schromen niet om fel te waarschuwen tegen de radikalinski’s in hun eigen gemeenschap. Evenmin schromen zij om hysterische imams als Fawaz Jneid openlijk de les te lezen, wanneer zij van hun kant de etnisch-religieuze zuiverheid prediken, in een perfect spiegelbeeld van het enge Nederlandse cultuurnationalisme van Wilders. Steeds minder vaak schuiven moslims de schuldvraag van zich af – ‘Wat heb ik met Mohammed Bouyeri te maken? Dat is trouwens helemaal geen echte moslim maar een gevaarlijke idioot’ – om zelf verantwoordelijkheid te nemen voor het feit dat islam en geweld iets (niet alles!) met elkaar te maken hebben.
Zwagerman wil niet weten dat er zoiets bestaat als Verlichtingsfundamentalisme: dat is in zijn ogen alleen maar links cynisme. Fundamentalist ben je blijkbaar ‘als je ergens hartstochtelijk in gelooft’. Nee Joost, fundamentalist ben je als je de waarheid zodanig in pacht meent te hebben dat je je overgeeft aan totaliserende redeneringen van het slag islam = geweld. Dat kan ook verdedigers van de Verlichting overkomen, zodra zij gaan zwelgen in hun eigen gelijk, de rede aanbidden als een nieuwe afgod, en geloofsafval prediken als de exclusieve shortcut naar de democratie en de moderniteit. Zwagerman heeft gelijk dat religiekritiek en dus ook islamkritiek te belangrijk zijn om aan Wilders over te laten. Maar hij is zo geobsedeerd door zijn epische gevecht tegen linkse windmolens dat hij geen tijd heeft om aan te geven hoe die meer genuanceerde islamkritiek er dan uit zou moeten zien.

DE ROL VAN provocateurs in het publieke debat is dubbelzinnig. We hebben ze nodig om de grenzen van het denkbare en zegbare te kunnen verleggen. Maar we hoeven hun uitingen niet voorbeeldig te vinden, of van ze te houden vanwege de zogenaamde soevereiniteit van het vrije woord. Provocateurs zijn vaak gefrustreerde, gedreven naturen die de provocatie bewust zoeken en er belang bij hebben. Hun kracht is tegelijkertijd hun zwakte. De moed om te zeggen wat je denkt, tegen de stroom in, vergt een hoeveelheid emotionele energie die niet iedereen gegeven is. Provocateurs zoeken met vilein genoegen de pijnpunten op waar zij anderen hard kunnen raken, bij wijze van shocktherapie. Zij plegen uit volle overtuiging verbaal geweld.
Die zuiverende agressie wordt echter meestal ingekleed als het ‘zeggen van de waarheid’ (die ze immers in pacht menen te hebben). Hun ‘waarheidswoede’ is daarmee te vergelijken met die van andere, bijvoorbeeld religieuze fundamentalisten. Bedreigingen zijn daarmee deels hun ‘eigen schuld’, een reactie op hun eigen beledigende toon. De voornaamste schuld ligt natuurlijk bij hun bedreigers, maar waarom is de gedachte taboe dat provocateurs zelf altijd een kleinere of grotere bijdrage leveren aan het oplopende conflict? Is het te genuanceerd of te gecompliceerd om te erkennen dat religiekritiek belangrijk is, maar dat sommige religiecritici vallen in de categorie van mediabeluste aandachttrekkers? Jacques van Doorn haalde zich als columnist de woede op de hals van de ‘vrienden van Theo/Ayaan/Ehsan’ door te suggereren dat hun agressieve islamkritiek wortelde in een soort renegatensyndroom. In totale verwerping van hun eigen verleden zochten zij een even totaal gelijk, en gaven zich daardoor over aan roekeloze provocaties, die ze zelf verkochten als bewijzen van morele zuiverheid en onverzettelijkheid. Nu deed Van Doorn op zijn beurt islamkritiek wel heel gemakkelijk af als ‘religieuze discriminatie’. Zelf was hij natuurlijk een vileine polemist die niet vies was van overdrijving. Maar dat wil niet zeggen dat hij er met zijn inzicht in de morele dubbelzinnigheid van de provocateur naast zat, ook al paste hij dit inzicht niet op zichzelf toe.
De zaak-Wilders laat zien dat de vrijheid van meningsuiting in onze grondwet te beperkt is geformuleerd. De tendens die wordt weerspiegeld in de recente uitspraak van het Amsterdamse Hof om gelovigen meer bescherming tegen belediging te bieden dan bijvoorbeeld politici is alarmerend. Wilders heeft gelijk door te wijzen op haat zaaiende passages in de Koran. Maar moet dat boek daarom net als Mein Kampf worden verboden? Het is beter om beide boeken gewoon te verkopen en hun boodschap te tolereren, zolang radicale nationalisten of radicale moslims er geen directe aanleiding in zien om geweld te gebruiken tegen andersdenkenden, andersgeaarden of andersgeborenen.
Zolang het niet gaat om daadwerkelijke bedreiging of ophitsing tot geweld moet iedereen vrijuit kunnen spreken. Daarnaast moet iedereen kwetsing en belediging accepteren als een betreurenswaardig maar helaas onvermijdelijk gevolg hiervan. Tolerantie betekent niet dat we elkaar moeten respecteren, maar dat we de afwezigheid van respect zo goed mogelijk moeten zien uit te houden. De democratie moet juist het gebrek aan eerbied voor andermans opvattingen in vreedzame banen leiden.
Discriminerende, racistische, fascistische en andere haat zaaiende meningen moeten worden getolereerd zolang ze niet feitelijk oproepen tot geweld. Maar dat wil niet zeggen dat wij onze eigen mening daarover onder stoelen of banken moeten steken. De voltaireaanse opvatting van de vrijheid van meningsuiting (‘Ik vind uw ideeën volstrekt weerzinwekkend, maar ik ben bereid mijn leven te riskeren voor uw vrijheid die te uiten’) heeft immers twee kanten. We beschermen Wilders tegen bedreiging en geweld, ook al wil hij vrijheidsrechten voor anderen schrappen, bijvoorbeeld door de Koran te verbieden. Maar deze uitingsvrijheid voor weerzinwekkende, ondemocratische en discriminerende ideeën houdt ook de vrijheid (zelfs de plicht) in om die ideeën als zodanig te benoemen en te hekelen.
Tekortschietende democraten als Wilders kunnen en moeten harder worden aangepakt en scherper van repliek worden gediend. Etiketten als fascisme en racisme zijn in dit debat geenszins taboe, mits ze zakelijk en op goede historische gronden worden gehanteerd en niet met het doel om mensen de mond te snoeren. In een vrijzinnige democratie moet verbaal geweld anders dan fysiek geweld knarsetandend worden getolereerd, en tegelijkertijd op inhoudelijke gronden fel worden bestreden. En Joost Zwagerman moet net als wij allen eindelijk ophouden met het voeren van de vorige oorlog. Houdt het dan nooit op? zoals Carice van Houten uitschreeuwt in Zwartboek.

Dick Pels schreef onder meer het boek De geest van Pim, over Pim Fortuyn. Vorig jaar publiceerde hij Opium van het volk: Over religie en politiek in seculier Nederland. Van August Hans den Boef verscheen in 2008 God als hype: Dwarse notities over religieus Nederland