Essay Parijs: monotheïsme en geweld

Houwt in op hun nekken

De leus ‘Allah is groot’ waaronder de terroristen in Parijs burgers vermoordden, is slechts een voorwendsel, denken wij. Het gaat om een strategie van IS, om pogingen van jongeren om aan een uitzichtloos bestaan te ontsnappen. Toch moeten we het religieuze motief serieus nemen.

Medium stf 20251916

Elk jaar kijk ik uit naar het volgende deel van Guus Kuijers De bijbel voor ongelovigen. De manier waarop Kuijer de religieuze motieven uit de oudtestamentische verhalen zowel recht doet als er afstand van neemt, vind ik fascinerend. Toch lijkt hem dat in het vierde deel, dat ik onlangs weer met veel plezier las, bij één verhaal niet helemaal te lukken. De religieuze strekking vindt hij hier kennelijk te shockerend om, zelfs binnen de bijbelse context, geloofwaardig te zijn.

Het gaat om een geschiedenis uit het tweede boek Samuel, hoofdstuk 21. In het rijk van koning David heerst al drie jaar een hongersnood. Dat blijkt een straf van God te zijn. In zijn ijver om in opdracht van God alle vreemde volken in het land Kanaän uit te roeien, is Saul, Davids voorganger, te ver gegaan. Volgens een oude vergeten belofte had hij de inwoners van de stad Gibeon moeten sparen. God en de Gibeonieten kunnen verzoend worden wanneer zeven zonen en kleinzonen van Saul geofferd zullen worden.

In het aangrijpende verhaal dat Kuijer hierover vertelt, suggereert hij dat David de religie hier misbruikte voor harde machtspolitiek. Hij zou gewoon bang zijn geweest dat de familie van Saul zijn troon nog kon bedreigen. Een verwijzing naar een goddelijke opdracht kwam hem handig uit.

Het lijkt of Kuijer hier terugschrikt voor de religieuze legitimatie van een extreme gewelddaad tegen onschuldigen. Zo erg kan godsdienst toch niet uitpakken. Hier moet sprake zijn van misbruik van de religie. Dit lijkt mij niet het geval. Als moderne geseculariseerde mensen nemen wij, ook als we ons nog met het christendom verbonden voelen, de godsdienst in haar gewelddadige aspecten niet meer serieus. Achter religieuze beweegredenen zoeken wij andere motieven. De God van de liefde van het christendom kan toch niet de afgrijselijke moordenaar zijn die het bijbelverhaal ons toont.

Kuijer had beter kunnen weten. De oudtestamentische God die hier verschijnt beantwoordt precies aan de karakterisering die hij van zichzelf geeft in een grondtekst van jodendom en christendom, die ik onlangs met Maarten van Buuren in Erfenis zonder testament bestudeerd heb: de tien geboden. Daarin maakt hij zich kenbaar als ‘een na-ijverig God, die de ongerechtigheid van de vaderen bezoekt aan de kinderen tot in het derde en vierde geslacht’. Natuurlijk moeten zijn dienaren dit uitvoeren. Dit is precies wat David doet. Hij komt op voor zijn God.

Het lijkt absurd om koning David met de terroristen in Parijs, die onder de leus ‘Allah is groot’ hun kalasjnikovs op ongewapende mensen leegschoten, te vergelijken. Die leus is alleen maar een voorwendsel, denken wij. Het gaat om andere zaken: maatschappelijke discriminatie, een slimme strategie van IS om een natie die haar bombardeert thuis in het hart te treffen, pogingen van jongeren om aan een uitzichtloos leven te ontsnappen, om zingeving dus. Zo kunnen we nog wel even doorgaan met het bedenken van ‘echte’ motieven. Zonder die allemaal te verwerpen, denk ik toch dat we het religieuze motief serieus moeten nemen. In Erfenis zonder testament probeer ik het nauwe verband tussen monotheïsme en geweld te begrijpen. Met deze achtergrond moeten we zeker ook rekening houden wanneer we als moderne a-religieuze mensen ons tot het moslimterrorisme verhouden. De hoofdlijn van mijn overwegingen geef ik hier kort door.

***

We kunnen er niet omheen, het monotheïsme wordt aanvankelijk als een nieuwe vorm van religie met geweld opgelegd. De bijbeltekst is hierover duidelijk. Wanneer we de belangrijkste afkondiging van het monotheïsme in de tien geboden uit het Oude Testament mogen situeren – ‘Ik ben de Here uw God. Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben’ – wordt dit verband tussen monotheïsme en geweld al direct goed zichtbaar.

Omdat Mozes lang op de berg vertoeft om de twee stenen tafelen met de geboden van God te ontvangen, wordt het volk Israël angstig en vraagt het aan Aäron, de broer van Mozes, om een kalf als een andere, zichtbare god voor hen te maken. ‘De toorn des Heren’ ontbrandt en Mozes roept na zijn terugkeer in de legerplaats de weinige getrouwen op om de afgodendienaars onder hun broeders en verwanten met het zwaard te doden. ‘Er vielen van het volk op die dag ongeveer drieduizend man’ (Exodus 32, vers 28).

Mozes roept na zijn terugkeer de weinige getrouwen op om de afgoden­dienaars onder hun broeders en verwanten met het zwaard te doden

Dat het in dit verhaal ongetwijfeld niet om een historische gebeurtenis gaat, is voor de thematiek van de relatie tussen monotheïsme en geweld niet van belang. Het gaat hier om de intentie van de auteur, die onderstreept dat de nieuwe goddelijke wet krachtdadig moet worden opgelegd. Het overtreden van de geboden wordt daarom ook steeds met de dood bestraft. Net boven de geciteerde passage lezen we bijvoorbeeld in Exodus 31 twee keer dat ieder die op de rustdag, de sabbat, werk verricht ‘zeker ter dood gebracht zal worden’.

Van meet af aan lijkt de relatie tussen monotheïsme en geweld onontkoombaar. Vandaag de dag worden we er in het moslimterrorisme en de onthoofdingen door Islamitische Staat nog steeds mee geconfronteerd. Veel verschillende vormen van gewelddadigheid kunnen daarom worden beschouwd als een erfenis van het monotheïsme, dat zich in het eerste van de tien geboden begint te manifesteren in de religiegeschiedenis.

Over de heilige oorlog en religieus gemotiveerd geweld zijn met name recent veel studies verschenen, waaraan ik onmogelijk recht kan doen. Hier wil ik vooral op filosofische wijze de formele structuur van het monotheïsme analyseren om te begrijpen waarom deze nieuwe vorm van religie in de geschiedenis tot heden zoveel geweld heeft gebaard. Mijn leidsman hierbij is Jan Assmann, egyptoloog en godsdienstwetenschapper aan de Universiteit van Heidelberg, die in verschillende boeken de gewelddadige opkomst van het monotheïsme heeft onderzocht.

Misschien moet ik eerst een misverstand voorkomen. Polytheïstische religies zijn over het algemeen toleranter dan het monotheïsme, maar vaak zijn ze ook intrinsiek verbonden met gruwelijke offerrituelen. De onlangs overleden Franse denker René Girard heeft dit soort innige verbintenis tussen Religion and the Sacred in de gelijknamige studie diepgaand onderzocht. De vervolging van en de moord op de zondebok staan hier centraal. Juist aan dit soort religieuze gewelddadigheid hebben jodendom, christendom en islam, de drie grote monotheïstische godsdiensten, een eind willen maken. Ze klaagden de vele varianten van mensenoffers aan en verboden ze. Door deze beschavende campagnes tegen de ‘afgodendienst’ werd echter aan het zicht onttrokken dat er een nieuw soort religieus geweld ontstond.

Binnen het polytheïsme was er sprake van wat Assmann ‘een wederzijdse vertaling’ van goden tussen verschillende groepen noemt. De eigen stam- of staatsgoden vond men onder een andere naam bij vreemdelingen terug. Ook die hadden immers een godin van de liefde en de schoonheid en een god van de oorlog. De Griekse Aphrodite werd zo de Romeinse Venus en Ares was een andere naam voor Mars.

Dit soort voorbeelden uit de klassieke Oudheid gelden tot vandaag de dag. De Indiase premier Narendra Modi staat bekend als een zeer gelovige en actieve hindoe. Toch propageert hij in zijn buitenlandse politiek in Azië juist het boeddhisme. Volgens Berthe Jansen, religiewetenschapper aan de Universiteit Leiden, is hier niets vreemds aan: ‘Het hindoeïsme neemt heel makkelijk aspecten van andere religies op, en er zijn heel veel soorten hindoeïsme. Voor veel hindoes is Boeddha de avatar van de god Vishnu, waardoor hij voor hen deel uitmaakt van het hindoeïstische pantheon. Voor Modi’s achterban is diens aandacht voor het boeddhisme dus niet problematisch.’

Volgens Assmann berust het monotheïsme op een nieuw, absoluut waarheidsconcept, dat de traditionele vertaalmogelijkheden tussen de polytheïstische religies uitsluit. In het polytheïsme is er sprake van een zwakke idee van waarheid. Die was verdeeld tussen de verschillende goden die elk hun waarheidsdomein kenden. Het monotheïsme, dat op de openbaring van één enkele, universele godheid berust, maakt hier een einde aan. De andere goden die men aanbidt, bestaan eenvoudigweg niet, ze zijn vals, onwaar; we kunnen ze alleen als afgoden benoemen. Er kan geen vertaling tussen religieuze tradities plaatsvinden, alleen maar bekering tot de ene, ware god. In het joodse geloof, dat zich tot het eigen volk beperkt, wordt deze bekering uitgesteld tot de eindtijd waarin de messias zal verschijnen en alle volkeren God zullen erkennen, in christendom en islam staat de bekering van de heidenen, de afgodendienaars van meet af aan op de agenda.

***

Jan Assmann onderscheidt vijf verschillende soorten geweld. Zijn vijfde soort is het religieuze geweld dat hij definieert als ‘uitgeoefend in naam van God’. Dit geweld verschijnt pas in de geschiedenis met ontstaan en opkomst van het monotheïsme. Maar hoe zit het dan met het traditionele religieuze geweld uit het polytheïsme, waar ik naar verwees? Dat wordt toch ook voltrokken in naam van een godheid?

Er bestaat één enkele waarheid, in naam waarvan men het meest extreme geweld tegen anders­denkenden mag, ja moet uitoefenen

Assmann erkent dit, maar stelt dat het hierbij steeds gaat om een gerichte opdracht van God, die door een priester ritueel wordt opgevolgd. Het uit de Griekse mythologie bekende offer van Iphigeneia vindt bijvoorbeeld plaats om de vertoornde godin Artemis te verzoenen. En het offer van de jonge vrouw in Le sacre du printemps van Strawinsky is onderdeel van een voorjaarsrite die het herleven van de natuur bewerkstelligt en begeleidt. Dit soort geweld is ook in de bijbelteksten, zoals in het verhaal over David, waarmee ik begon, nog wel degelijk zichtbaar. Het nieuwe soort geweld van het monotheïsme is daarentegen algemeen en vaak direct militair van aard. De aanbidders van het gouden kalf worden met het zwaard allen afgeslacht, de niet-joodse volken in het aan Israël door God beloofde land Kanaän worden in hun totaliteit met de ban geslagen en uitgeroeid.

Als egyptoloog maakt Assmann hierbij wel een belangrijk onderscheid tussen inclusief en exclusief monotheïsme. De eerste variant die hij al bij farao Echnaton in 1350 voor Christus signaleert, berust op de idee dat alle godengestalten uiteindelijk tot één enkele terugvertaald kunnen worden, de tweede stelt op grond van een goddelijke openbaring dat er geen andere goden voor het aangezicht van de ene God kunnen bestaan. Het inclusieve monotheïsme vinden we bijvoorbeeld ook in de filosofische leer van de Stoa uit de Grieks-Romeinse oudheid. Het berust niet op een openbaring van de ene, ware God, maar op een denkenderwijs geconstrueerde goddelijke macht, die schuil gaat achter de vele, verschillende manifestaties in de kosmos van goddelijke krachten. Het inclusieve monotheïsme is tolerant, de exclusieve variant vaak extreem gewelddadig naar andersdenkenden.

Het geweld dat zich in naam van de ene, ware God manifesteert kan drie gedaantes aannemen. Het kan in de eerste plaats ook het geweld betreffen dat de gelovigen in naam van hun God ondergaan. Het martelaarschap is een historisch nieuw fenomeen dat in de jongste teksten van het Oude Testament opduikt. Israëlieten die te midden van andere volken de goddelijke wetten onderhielden, moesten dat vaak met hun leven bekopen. Zo legden zij getuigenis af van hun ware God. Natuurlijk wordt in de tweede plaats dit soort religieus geweld vaker uitgeoefend dan ondergaan. Dan hebben we het over de uitroeiing van ongelovigen, waartoe God vaak direct opdracht geeft. In de derde plaats is er het geweld van de bekering. Ook hier gaat het om een historisch nieuw fenomeen. Tot een polytheïstische godsdienst kon je je niet bekeren, in een universalistische, monotheïstische godsdienst staat de opdracht om andersdenkenden tot de waarheid te bekeren centraal. Dat ging in de geschiedenis vaak met dwang en geweld gepaard. De massabekeringen door het zwaard van Friezen en Saksen uit de Nederlandse geschiedenis zijn wat dit betreft berucht.

Assmann stelt dat het waarheidsconcept van het monotheïsme in de moderne geschiedenis buiten de religieuze begrenzingen doorwerkt. Ook expliciet atheïstische ideologieën als het communisme en het nationaal-socialisme gaan uit van het absolute monotheïstische waarheidsbegrip. Er bestaat één enkele waarheid, in naam waarvan men het meest extreme geweld tegen andersdenkenden mag, ja moet uitoefenen.

Misschien laat, net als in de bijbeltekst over de moordpartij na de afkondiging van de tien geboden, de fictie dit het best uitkomen. In het toneelstuk Le diable et le bon dieu rekent Sartre af met het geloof in God en duivel. Die bestaan niet. Er is alleen het rijk van de mens, die de plaats van God moet innemen. Dit nieuwe rijk begint echter net als het monotheïsme in het boek Exodus met een moordpartij. Goetz, Sartre’s hoofdpersoon, spreekt het tot slot uit: ‘Kijk hoe de heerschappij van de mens begint. Een fraaie aanvang. Ik zal beul en slachter zijn.’ De waarheid van de mens kan net zo wreed en gewelddadig zijn als die van de ene God, ook in naam van ‘de mens’ kunnen de meest vreselijke daden tegen andersdenkenden worden gepleegd en gerechtvaardigd.

De fictie wordt ook bij Sartre werkelijkheid. Het communisme betekende voor hem een unieke en universele heilsleer, die ondanks kleine historische vergissingen, uiteindelijk op een absolute waarheid berustte. ‘Iedere anticommunist is een hond’, luidt een bekende uitspraak van de Franse wijsgeer. Net zoals we zullen zien dat dit in de bijbel en de koran gebeurt, worden hier andersdenkenden gedehumaniseerd. Wanneer zij zich niet tot het communisme bekeerden, moesten ze te vuur en te zwaard worden bestreden.

***

Wat Assmann uit de formele structuur van het monotheïsme distilleert, vinden we inhoudelijk inderdaad terug in de heilige boeken van joden, christenen en moslims. In zijn studie Religie en haat heeft Gerrit Manenschijn, emeritus hoogleraar ethiek uit Kampen, gelijk klinkende teksten over haat en vijandschap uit bijbel en koran in nette rubrieken naast elkaar gezet. Ik geef enkele voorbeelden. De oudtestamentische psalmdichter zegt over zijn vijanden: ‘Hun tong is scherp als die van een slang, achter hun lippen schuilt het gif van een adder.’ In het Nieuwe Testament trekt Jezus in een lange scheldrede dit soort vergelijkingen door. Zijn tegenstanders noemt hij ‘slangen en addergebroed’, die de eeuwige hellestraf niet zullen ontlopen. De koran doet hier niet voor onder. Ongelovigen zijn ‘door God vervloekt’ en door hem ‘gemaakt tot apen en zwijnen’. Voor al dit soort gedehumaniseerde schepselen wacht volgens het Nieuwe Testament ‘de uiterste duisternis waar men jammert en tandenknarst’, volgens de koran het vuur van het Gahannam waarin zij eeuwig zullen branden.

Qua goddelijke opdrachten om met de ongelovigen om te gaan, is er volgens Manenschijn ook geen enkel verschil tussen de heilige teksten. ‘In de steden van het land dat de Heer, uw God, u als grondgebied zal geven, mag u geen mens in leven laten’, lezen we in het twintigste hoofdstuk van het boek Deuteronomium. ‘Wanneer u een ontmoeting hebt met hen die ongelovig zijn, houwt dan in op hun nekken’, luidt de opdracht uit Soera 47, die de beulen van Islamitische Staat heden nog als inspiratie dient. Moet ik met Manenschijn, die hier vele pagina’s aan besteedt, doorgaan met dit soort trieste opsommingen? Ze lijken mij duidelijk.

De vreedzame uitspraken van Jezus uit het evangelie werden opzij geschoven toen men anders­denkenden met geweld ging bekeren

Biedt het voldoende tegenwicht dat de grote monotheïstische godsdiensten hiernaast ook een boodschap van vrede en barmhartigheid prediken? In de Bergrede maant Jezus zijn volgelingen om de andere wang toe te keren; in Soera 2 van de koran wordt apodictisch gesteld: ‘In de godsdienst is geen dwang.’

Wat betekenen dit soort tegenstemmen in de religieuze praktijk? Het laatste dat ik hier pretendeer te kunnen doen is om te benoemen wat in de drie grote monotheïstische godsdiensten waar of vals zou zijn. Dat horen we tegenwoordig wel in vele analyses over het moslimterrorisme. President Obama stelt bijvoorbeeld herhaaldelijk dat dit niets met de islam als een in essentie vreedzame religie te maken zou hebben. Het belang van dit soort politieke boodschappen begrijp ik, maar ik onderstreep dat er zo geen recht wordt gedaan aan de ambivalente structuren van het monotheïsme. Gelovigen kunnen zich met recht tegenover buitenstaanders altijd beroepen op de wraak- en vijandteksten uit hun heilige boeken. Fundamentalistische joden, christenen en moslims vinden er genoeg materiaal voor hun aanslagen, kruistochten en jihads.

***

Hoe te begrijpen dat terwijl de heilige boeken van alle drie monotheïstische religies veel explosief materiaal bevatten op dit moment vooral de islam als gewelddadig te boek staat? Misschien mogen we stellen dat jodendom en christendom de genade van hun geschiedenis hebben ervaren. Na het neerslaan van de joodse opstand in 70 na Christus en de verwoesting van de tempel werden de joden in ballingschap door het hele Romeinse Rijk verspreid. Tot in het midden van de vorige eeuw bestond er geen eigen staatsmacht om toe te zien op het naleven van de wetten. Als verliezers van de geschiedenis waren joden overal onderworpen aan vreemde machten.

Ook het christendom is in zekere zin als verliezer zijn geschiedenis begonnen. Christenen werden de eerste eeuwen van onze jaartelling overal onderdrukt. Er was geen sprake van dat zij heidenen met geweld konden bekeren. Pas toen na de vierde eeuw het christendom staatsgodsdienst werd, kregen de gewelddadige aspecten van het monotheïsme ruimschoots de gelegenheid zich te manifesteren. Ketters en heidenen werden al snel vervolgd. ‘Dwingt hen om in te gaan’, schreef de kerkvader Augustinus al vroeg over de Donatisten die volgens hem niet recht in de leer waren. Naar aanleiding van deze ontwikkelingen had de Nederlandse theoloog Gerrit Jan Heering het in de vorige eeuw in een beroemd boek over ‘de zondeval van het christendom’. De vreedzame uitspraken van Jezus uit het evangelie werden opzij geschoven toen men andersdenkenden ging onderdrukken en met geweld bekeren.

Terwijl jodendom en christendom dus lange perioden van al dan niet gedwongen vreedzaamheid en terughoudendheid hebben gekend, waarop men altijd in interpretaties kon teruggrijpen, is de islam van meet af aan een godsdienst van overwinnaars geweest. Mohammed was zowel profeet als legeraanvoerder. De vreedzame teksten uit de koran liggen daarom onder een dikkere historische laag begraven dan dezelfde soort overleveringen uit het Oude en Nieuwe Testament.

Daar komt bij dat jodendom en christendom godsdiensten van de interpretatie zijn. Het gaat in de bijbel van meet af aan altijd om een menselijke interpretatie van de goddelijke boodschap, niet om het woord van God zelf. We hebben bijvoorbeeld twee verschillende versies van de tien geboden en vier evangeliën die op scherp onderscheiden wijze de boodschap en het leven van Jezus weergeven. Zo worden de woorden van God en van Jezus steeds gefilterd door het perspectief van de boodschapper die ze doorgeeft. Dat is in de koran niet het geval. Hier hebben we te maken met het directe woord van Allah dat Mohammed rechtstreeks doorgeeft.

De vroege islam kent nog wel een geschiedenis van koraninterpretatie, maar deze staat minder centraal en is vrij vroeg een halt toegeroepen. In de interpretatie van thora en bijbel werden de gewelddadige aspecten van het monotheïsme vaak verzacht en soms helemaal weggepoetst. Na de Verlichting wordt in het christendom de tekstkritiek, die met Spinoza begon, steeds belangrijker. Teksten moesten in de context van hun ontstaanstijd worden verstaan en niet letterlijk worden toegepast.

Voor de rabbijnse traditie verwijs ik hier tot slot naar een interessante reportage in Trouw van Wilfred van de Poll met de sprekende titel ‘Waarom joden niet stenigen’. De auteur begint ermee een aantal teksten uit de thora die met de doodstraf, vaak door steniging, dreigen kort te vergelijken met gelijkluidende koranteksten. Beide heilige boeken roepen bijvoorbeeld op om een overspelige vrouw te stenigen ‘tot de dood erop volgt’. Waarom gebeurt dit nog wel in moslimlanden en niet in Israël? Judith Frishman, hoogleraar jodendom aan de Universiteit Leiden, legt het aan Van de Poll uit.

Met het verlies van een eigen staat en de vernietiging van de tempel kon er geen sprake meer zijn van uitvoering en naleving van de meeste geboden. ‘De bestudering van de thora werd een doel op zichzelf. De studie van een tekst leverde evenveel religieuze verdiensten op als het uitvoeren van die tekst.’ In de loop van deze interpretatiegeschiedenis werden de vele passages die oproepen tot geweld onschadelijk gemaakt. De doodstraf die op de overtreding van veel wetten stond, werd door de rabbijnen die de teksten interpreteerden min of meer uitgesloten.

Dat machtsstreven en een overwinnaarsmentaliteit de gewelddadige kanten van de joodse religie weer kunnen oproepen, is echter ook duidelijk. De kolonisten op de Westelijke Jordaanoever beroepen zich op de teksten over het door God gegeven heilige land Kanaän bij hun verdrijving van Palestijnen. Baruch Goldstein, die in 1994 een moskee in Hebron binnendrong en 29 moslims doodschoot, wilde deze heilige plaats van de aartsvaders zuiveren van ongelovigen. Frishman wijst er in dit verband op dat vroegere rabbijnen veel soepeler met de thorateksten omgingen dan veel hedendaagse in Israël. Belangrijk lijkt mij tot slot om steeds naar de historische en actuele context te kijken. Waar het monotheïsme wereldse macht kan uitoefenen of naar die macht streeft, dreigt steeds de gewelddadigheid die er als intrinsieke mogelijkheid mee verbonden is de kop op te steken.


Hans Achterhuis is emeritus hoogleraar wijsbegeerte aan de Universiteit Twente. Hij is bekend als publieke intellectueel die zich regelmatig mengt in maatschappelijke discussies. Eind 2008 verscheen zijn magnum opus Met alle geweld. Dit jaar publiceerde hij met Maarten van Buuren Erfenis zonder testament: Filosofische overwegingen bij de tien geboden. Dit essay is gebaseerd op een lezing gegeven op 7 oktober 2015 in het Kaaitheater (Brussel), naar aanleiding van de tiende verjaardag van Music Fund (musicfund.eu)

Beeld: Mohammed en zijn gevolg in discussie met soldaten, gedateerd tussen 570 en 632. Gouache op papier (Bridg eman Art Library / HH)