22-01-2007

Hrant Dink

Het goede nieuws uit Turkije is dat de officiële en informele reacties op de moord op de Turks-Armeense journalist Hrant Dink nagenoeg allemaal de goede toon troffen, de juiste prioriteiten stelden en blijk gaven van vastberadenheid om de zaak tot op de bodem uit te zoeken. Nog niet zo lang geleden – toen het Turkse leger en paramilitaire organisaties de alleenheerschappij op veiligheidsgebied hadden – was dat laatste ondenkbaar. Nu toonde zelfde de legerleiding, die zich door Dinks uitlatingen over de genocide op de Armeniërs van 1915 direct aangesproken moet hebben gevoeld, zich gepast geschokt.

Premier Tayyip Erdogan verklaarde dat er ‘een kogel is afgevuurd op de democratie en de vrijheid van meningsuiting, een kogel die voor ons allemaal was bedoeld’ en beloofde plechtig de ‘provocateurs’ die erachter zaten tot de laatste man te zullen vervolgen. De vermoedelijke dader, een werkloze schoolverlater uit Trabzon, is inmiddels opgepakt (hij was door zijn eigen vader aangegeven nadat deze hem had herkend op videobeelden) en heeft naar het schijnt bekend. Erdogan heeft laten weten dat zijn arrestatie ‘nog maar het begin is’. De autoriteiten onderzoeken nu of er een organisatorisch verband is tussen de moord op Dink en die op een katholieke priester, Andrea Santaro, in februari vorig jaar. De dader daarvan was een zestienjarige scholier, eveneens afkomstig uit Trabzon. Mocht zich in die stad de laatste jaren een nieuw nationalistisch terreurnetwerk hebben ontwikkeld, dan zijn de dagen daarvan hopelijk geteld.

In zekere zin is de moord op Dink een teken aan de wand voor Turkse nationalisten. Enerzijds klinkt het standpunt van Dink en andere critici van de officiële geschiedschrijving van de Turkse natie steeds luider. Anderzijds kunnen chauvinisten er niet langer op rekenen dat de staat automatisch aan hun kant staat; ze voelen zich in het nauw gebracht en zien zich gedwongen zelf tot repressief geweld over te gaan. In hun optiek was een moordaanslag op een Armeense intellectueel op klaarlichte dag tot voor kort namelijk onnodig geweest. Tijdens de militaire dictatuur werden zulke moorden bij de vleet gepleegd, maar door schimmige knokploegen of geheime militaire commando’s en bijna altijd achter gesloten deuren. Er waren geen rabiate jongelui nodig om iemand als Dink publiekelijk het zwijgen op te leggen.

De moord draagt zelfs de kiem van een overwinning in zich. Dinks woorden worden des te luider gehoord nu hij is vermoord. De Turkse perscommentaren bewijzen dat de publieke opinie evenzeer aan het veranderen is als de politieke cultuur in Ankara – ‘Hrant Dink is Turkije,’ kopte het grootste liberale dagblad Milliyet – en de kritiek op de tekortkomingen in de nationale geschiedschrijving verplaatst zich langzamerhand naar de instanties en organisaties die deze geschiedschrijving verbreiden en in stand houden. ‘Degenen die het nationalistische sentiment in Turkije hebben gevoed, hebben een monster geschapen. Veel jongeren vinden de staat niet nationalistisch genoeg en staan klaar om het recht in eigen hand te nemen,’ schrijft het grote dagblad Radikal: ‘Politici, journalisten en filmmakers hebben ook bijgedragen aan het scheppen van dit moorddadige nationalistische klimaat.’

Het slechte nieuws is en blijft dat een zachtaardige maar moedige journalist zijn liefde voor de waarheid met de dood heeft moeten bekopen. Dink was een beschaafd man die na zijn onterechte veroordeling wegens ‘belediging van de Turkse natie’ in 2005 overwoog het land te verlaten, niet uit vrees voor de bedreigingen van zijn toekomstige moordenaars, maar uit schaamte omdat hij de indruk had gewekt de Turken te willen beledigen. Het is om meer dan één reden gepast dat Hrant Dink dinsdag wordt begraven op het Armeense kerkhof Balikli in Istanboel, in hartje Turkije.