28 juli 1954 - binnenkort (hopelijk)

Hugo Chávez

Zelfs na zijn overlijden zorgt de Venezolaanse president Hugo Chávez voor controverse. Hoe hoort het bij een socialistische leider: balsemen of begraven, of toch cremeren?

Aanvankelijk wilde hij honkballer worden. Het werd het leger. Met een militaire coup probeerde hij vervolgens de macht in Venezuela te grijpen. Het lukte uiteindelijk zonder wapen­gekletter, via democratische verkiezingen.

Zelfs na zijn overlijden aan de gevolgen van kanker, op 5 maart, dreigde het lot voor Hugo Chávez een onverwachte wending te nemen. Het was de bedoeling dat hij zou worden begraven in zijn geboortestaat Barinas. Maar ineens was daar zijn opvolger, waarnemend president Nicolas Maduro, die verkondigde dat het lichaam van Chávez werd gebalsemd. De voortrekker van het nieuwe, linkse Latijns-Amerika kon dan ‘voor eeuwig’ tentoongesteld worden in het Museum van de Revolutie in de hoofdstad Caracas. Net als Mao in Beijing. Net als Lenin (en Stalin, tot de destalinisatie) in Moskou. Zoals het een Groot Socialistisch Leider betaamt, kortom.

Niet dus. Anders dan tegenwoordig wordt gedacht, kent de rode dood een traditie die heel wat rijker is dan het mausoleum van Lenin. Ten eerste: de afscheidsdienst. Dat was traditie­getrouw een bonte demonstratie. Neem in eigen land de begrafenissen van Domela Nieuwenhuis en Pieter Jelles Troelstra, voorman van de sdap. Getuigen van die laatste gebeurtenis spraken van een zee van aanhangers, bloemen en rode vaandels. Het doel? ‘Opdat Troelstra’s naam blijve leven in alle eeuwigheid’, schreef het sociaal-democratische dagblad Het Volk na afloop.

Troelstra’s partijgenoot, de latere pvda-voorzitter Koos Vorrink, stelde zelfs nauwkeurige richtlijnen voor het linkse levenseinde op schrift. Gevraagd is ‘een ingetogen vorm van demonstreren’. Over de prominente aanwezigheid van moslimfundamentalisten als Ahmadinejad en andere dictators, zoals bij de plechtigheid van Chávez het geval was, zei Vorrink niets. Wel benadrukte hij dat het persoonlijk moest zijn. En: ‘De vlag, die hij volgde, dekke zijn baar. Zijn er bloemen, dan is het indrukwekkender ze door kameraden voor hem uit te doen dragen, dan ze op te tasten in volgwagens. Muziek zij treurmuziek. Misschien andere muziek, die de gestorvene liefhad.’

Natuurlijk waren er accentverschillen binnen de linkse kerk. De sociaal-democraten hadden een voorliefde voor strak geregisseerde, bombastische plechtigheden. Bij de begrafenis van de anarchist Peter Kropotkin in Moskou in 1921 ging het er heel wat onstuimiger aan toe. Zijn aanhangers mochten speciaal voor de gelegenheid voor één dag de gevangenis verlaten. Ze maakten er een felle demonstratie van tegen het bolsjewistische regime.

En na het ceremonieel? Zowel begraven als cremeren was een optie. Een voorbeeld van dat eerste is te vinden in de rode hoek van begraafplaats Père Lachaise in Parijs. Gefusilleerde Communards liggen gebroederlijk zij aan zij met nazi-slachtoffers, prominente communisten en linkse dissidenten zoals de econoom Ernest Mandel.

Sommigen meenden echter dat cremeren beter aansloot bij de socialistische traditie. De Sovjet-Unie kende een ‘Maatschappij ter Verspreiding van de Wetenschappelijke Crematie’. In Nederland bestond voor de oorlog een heuse ‘Arbeidersvereeniging voor lijkverbranding’. Tegen een kleine wekelijkse bijdrage verzorgde de vereniging, wanneer hun tijd gekomen was, de crematie van haar leden. Over die keuze moest je niet te licht denken. ‘Het crematievraagstuk’, aldus een brochure van de vereniging uit 1925, is ‘van niet minder universeel belang dan dat van het alcoholisme of van het militarisme’. Begraven was onhygiënisch en het slokte kostbare grond op. Grond waar bijvoorbeeld ook arbeiderswoningen op gebouwd hadden kunnen worden. Maar het voornaamste bezwaar was spiritueel: ‘Ten behoeve van de levende materie [dient] de doode materie slechts in haar onstoffelijke beteekenis te worden geëerd.’

Of het nu begraven of cremeren werd, luidruchtig of ingetogen, de linkse rituelen vervulden dezelfde functie. De strijdbare begrafenis maakte het rouwproces tot iets collectiefs; niemand bleef alleen achter. Het gaf bovendien betekenis aan de dood: iemands leven was niet voor niets geweest, de strijd ging door. Maar bovenal stelden de rode rituelen een leven voorbij de dood in het vooruitzicht. Niet in de hemel, dat was meer iets voor christenen. Maar je kon wel degelijk voortleven in de hoofden, de harten en de daden van je kameraden. Noem het een vorm van politieke reïncarnatie.

Wat dat met een tot in de eeuwigheid geconserveerd lijk in een mausoleum te maken heeft? Erg weinig. Gelukkig voor Chávez lijkt zijn balseming inmiddels stukgelopen op de Venezolaanse realiteit. Het is simpelweg te laat om zijn lichaam nog in goede staat te behouden. Waarschijnlijk wordt hij nu, zoals hij zelf wenste, alsnog begraven. Een ‘wetenschappelijke crematie’ of ‘arbeiders-lijkverbranding’ ligt minder voor de hand. Hoe het ook zij: Chávez mag na meerdere weken gesteggel eindelijk echt doodgaan.

Einde. Hoewel: dat hangt naar goed links gebruik af van de daden van zijn volgelingen. Niet van het wel of niet behouden van zijn stoffelijke lichaam als museumstuk. ‘Als een publiek figuur sterft zonder ideeën na te laten, komen zijn naam en zijn geest eveneens aan hun einde’, schreef Lula da Silva in The New York Times. Bij Chávez zal dat niet het geval zijn, voorspelde de populaire Braziliaanse oud-president. ‘Zijn ideeën zullen in de toekomst wellicht jonge mensen inspireren, net zoals het leven van Simón Bolívar, de bevrijder van Latijns-Amerika, Chávez zelf inspireerde.’

‘Als een publiek figuur

sterft zonder ideeën

na te laten, komen zijn naam en zijn geest eveneens aan hun einde’