Het mysterie van de traan

Huilen is mooi

Huilen hangt vaak samen met machteloosheid en verwarring. Over de vermeende louterende werking zijn wetenschappers echter sceptisch. En waar komt al dat water eigenlijk vandaan?

IEDEREEN KON ZIEN dat de hoogzwangere Natalie Portman moeite had het droog te houden toen ze onlangs haar Oscar in ontvangst nam. De Black Swan-actrice wist haar emoties te beperken tot een bescheiden weggepinkt traantje. Maar goed ook: het huilen tijdens het dankwoord blijkt namelijk veruit het meest gehate moment te zijn van het jaarlijkse spektakel.
Publieke krokodillentranen van getalenteerde filmsterren wekken argwaan, maar dat is lang niet het geval met elke openlijke huilbui. Toen Hillary Clinton in 2008 volschoot op een cruciaal verkiezingsmoment steeg haar populariteit, en het inmiddels tot kitsch verworden beeld van Máxima’s tangotraan bewijst dat je met oprecht vergoten tranen zelfs een heel volk inpakt. Niemand verweet het de mannen van het verslagen Nederlands elftal toen ze vorig jaar na de finale huilend het veld verlieten.
Tolerantie voor dit soort sentimentaliteit is tijdsbepaald. Na 9/11 leek het bijvoorbeeld een tijdlang uitzonderlijk gerechtvaardigd voor grote, stoere mannen om snotterend op tv te verschijnen, en al lang daarvoor brak de makkelijk te roeren Oprah met haar emo-imperium een lans voor huilen in het openbaar. Reality-tv is inmiddels incompleet zonder echte tranen. Het mooiste recente voorbeeld daarvan is misschien wel de huilscène van boer Frank die in zijn stal zijn tranen de vrije loop liet terwijl hij zijn armen stevig om zijn lievelingsgeit klemde. De kijker omarmde hem.
In de twintigste eeuw weigerden we nog te huilen, zo schreef Germaine Greer weemoedig in een essay uit 2008 waarin ze onder meer met een zekere walging verwijst naar de ‘bizarre emotionele orgie’ die volgde op de dood van prinses Diana. 'We are now a nation of blubberers who do grief on a massive scale’, concludeerde Greer. Als een van de weinigen sprak ze bovendien haar wantrouwen uit over de echtheid van Hillary’s befaamde moment van zwakte.
Wat het is dat ons doet besluiten of we het verdriet van publieke figuren authentiek vinden of juist schijnheilig is niet duidelijk. Huilen is een raadsel. In zijn roman Michael Strogoff, waarin de tranen van de titelheld zijn zicht redden van een brandend zwaard, omschreef Jules Verne het al als een 'zuiver menselijk fenomeen, tegelijkertijd moreel en fysiek’. Er zijn zo ver we weten inderdaad geen andere dieren die emotionele tranen produceren en het is juist de door Verne geformuleerde tegenstelling die ze zo fascinerend maakt. Voor een goed begrip van de traan zullen we daarom diep in de cultuur moeten graven, want harde wetenschap biedt allerminst een eenduidig antwoord op de vraag waarom de mens huilt zoals hij huilt. Het maakt het al niet minder ingewikkeld dat we niet alleen huilen als we droevig zijn, maar ook wanneer we Oscars winnen, mooi voetbal kijken of baby’s krijgen, oververmoeid zijn, hormonaal, of wanneer we, overmand door verschillende emoties, het echt even niet meer weten. Momenten, kortom, van rouw, verlies en frustratie, maar ook van overwinning, succes en liefde.

Het geheim van gehuil houdt ons al bezig sinds het begin der dagen. Er zijn talloze artistieke, religieuze en literaire voorbeelden, zoals dat van Verne, waarin de traan bezongen wordt om zijn mysterieuze kwaliteiten. In de wetenschap is het fenomeen om diezelfde reden echter lang een stiefkindje geweest. Charles Darwin wist zich er bijvoorbeeld minder goed raad mee dan zijn literaire tijdgenoot Verne. Tranen waren volgens de grote bioloog een uitzondering op de regel dat elk gedrag dat wij vertonen een evolutionaire functie heeft. Hij kwam niet veel verder dan te concluderen dat het een zuiver fysiek verschijnsel is. Dat laatste is inmiddels verworpen.
Na Darwin hebben zich slechts een paar hersen- en gedragsonderzoekers intensief beziggehouden met tranen. De enige prominente daarvan was biochemicus William Frey die in 1985 zijn onderzoek Crying: The Mystery of Tears publiceerde. De Amerikaanse literatuurwetenschapper Tom Lutz probeerde een paar jaar geleden als eerste met zijn boek Crying een populair-wetenschappelijk overzichtswerk te schrijven waarin hij huilen zowel cultureel als biologisch belichtte. De nieuwste expert is hoogleraar klinische psychologie Ad Vingerhoets die al jaren huilonderzoek doet aan de Universiteit van Tilburg. In zijn boek Tranen spreekt hij van een 'biopsychosociaal’ fenomeen.
Het uitgangspunt, zo schrijft Vingerhoets in zijn boek, is dat emoties vooral te maken hebben met communicatie. Tranen beschouwt hij als een sociaal bindmiddel. Ze verschaffen anderen informatie over onze gemoedstoestand, zodat zij ons troost, aandacht of hulp kunnen bieden. Essentieel acht Vingerhoets de bekende hechtingstheorie van Bowlby waarin het belang van een goede band tussen moeder en kind centraal staat. 'Huilen is wel eens heel plastisch omschreven als een “akoestische navelstreng” die zorgt voor het contact tussen moeder en kind. Als een kind ter wereld komt, is zijn eerste huilen een teken dat alles in orde is. Daarna gaat het vooral om de wens van fysieke nabijheid van de moeder, honger of dorst, pijn, een vieze luier, koude.’
Dat verklaart echter nog niet waarom het nodig is dat we bij dat huilen ook tranen laten. Voor een antwoord op die vraag moeten we ons volgens Vingerhoets wenden tot de evolutionaire ontwikkeling van onze hersenen van een structuur die voornamelijk van belang was voor het aansturen van lichaamsfuncties tot een zeer geavanceerd systeem met complexere functies als taal en denken en het regelen van emoties. Er voltrok zich bij de mens een duidelijke verandering in het soort informatie dat belangrijk was voor sociale interactie, van geur en feromonen (chemische stoffen die boodschappen overbrengen) zoals bij lagere diersoorten, naar visuele informatie, waardoor wij beter in staat zijn om met ons gezicht allerlei emoties tot uitdrukking te brengen. Ons rechtop lopen, het verdwijnen van gezichtsbeharing en de ontwikkeling van gelaatsspieren hebben daaraan bijgedragen. Tranen verschaffen volgens deze verklaring een soort 'extra informatie’ om nog specifieker emotie te kunnen uiten.
Ze zijn er overigens in allerlei verschillende soorten en maten. 'Het komt in mijn boek niet zo expliciet naar voren’, zegt Vingerhoets in een gesprek, 'maar mijn nieuwste visie is dat je aan het soort tranen dat je kunt huilen de socio-emotionele ontwikkeling van een persoon kunt aflezen. Je begint als baby met fysieke pijntranen, dan komen de emotionele pijntranen en pas wanneer je wat ouder wordt zul je beschikken over empathische pijntranen, en nog later over wat je maatschappelijke pijntranen zou kunnen noemen. Huilen om wat er mis is in de wereld bijvoorbeeld, of, zoals sommige heiligen dat deden, huilen om de zonden van anderen. Dat laatste zie je pas vanaf latere leeftijd en het is ook met die ontwikkeling dat we meer geneigd raken om te huilen om de spiegelingen van droevige situaties: overwinning bijvoorbeeld of hereniging. Sentimentele of morele tranen plengen wij volwassenen dan ook graag om deugden die ons roeren, zoals rechtvaardigheid en altruïsme.’
Over waar al dat water precies vandaan komt, zo lezen we in Tranen, wordt al sinds Aristoteles gespeculeerd. Sinds die tijd is afwisselend gedacht dat tranen ontstonden in de hersenen en in het hart. Leonardo da Vinci geloofde bijvoorbeeld in een directe verbinding tussen het hart en de ogen. Van emotionele tranen weten we tegenwoordig dat ze geproduceerd worden in de zogeheten traanklier, een laag gelegen stuk hersenen dat weer in verbinding staat met het emotionele brein, een gecompliceerd stelsel van hormoonklieren, zenuwcentra en vaatsystemen dat samen met de hart- en longactiviteit en andere fysieke processen in een voor ons nog steeds ondoorgrondelijke kip-ei-relatie staat tot de ervaring van emotie. Waar die precies ontstaat, is niet duidelijk. Wel staat vast dat het voor iedereen anders werkt en dat we er tot op zekere hoogte invloed op kunnen uitoefenen. De een beter dan de ander. Over vrouwen wordt wel beweerd dat ze vaak gezegend zijn met het ergerlijke talent om hun tranen strategisch in te zetten.
Echt controle heb je er niet over, antwoordt actrice Carine Crutzen op de vraag of zij de kunst van het huilen beheerst: 'Het blijft eigenlijk iets wat je overkomt. Terwijl je je natuurlijk bewust bent van het feit dat je speelt, moet je proberen iets open te zetten en dat lukt niet altijd. Bovendien kun je niet denken aan emotie. Het Stanislavski-cliché waarbij je je heel hard je overleden hond zou moeten herinneren klopt dus eigenlijk niet. Het is iets fysieks, iets zintuiglijks en daarmee ook niet mijn privé-verdriet.’
Volgens de beroemde neuroloog en bewustzijnsdeskundige Antonio Damasio, die in zijn boek Descartes’ Error: Emotion, Reason and the Human Brain het cartesiaanse onderscheid tussen lichaam en geest aanvecht, kunnen we inderdaad toegang krijgen tot 'opgeslagen’ emotionele reacties zonder dat daar enige vorm van cognitie voor nodig is. We beschikken over wat je een zintuiglijk geheugen zou kunnen noemen waarin lichamelijke herinneringen liggen aan emotionele momenten. De sensatie van een verhoogde hartslag bijvoorbeeld of de kamertemperatuur op het oorspronkelijke moment, tintelingen van de huid, het gevoel van de tranen op de wangen en de gezichtstrekken die daarbij horen. Om huilen succesvol te kunnen simuleren is dus werkelijk meer nodig dan de gedachte aan het verloren huisdier; de tragedie moet letterlijk hervoeld worden.
Er zijn triggers die je daarbij als acteur kunnen helpen, vertelt Crutzen. Ze refereert aan de scène in Black Swan die Natalie Portman waarschijnlijk haar Oscar opleverde. Daarin zien we het rigide danseresje dat ze speelt buiten zinnen raken wanneer ze hoort dat ze de hoofdrol mag dansen. Ze sluit zich op in een toilet en belt bevend haar moeder om het goede nieuws te delen. De telefoon gaat over, de spanning stijgt, en wanneer moeder opneemt en ze met een klein stemmetje zegt: 'Mummy, I’ve got the part’ breekt ze volledig. 'De fysieke handeling van het uitspreken van zo'n woord als “mammie” kan, als je jezelf toestaat het op een bepaalde manier te zeggen, heftige emoties genereren’, verklaart Crutzen.
Dat we er als publiek genoegen in scheppen om te kijken naar drama en om ons te laten raken door overtuigend gespeeld huilen, heeft volgens Crutzen vooral te maken met de louterende werking van collectief beleefde emoties: 'We lachen en huilen graag samen omdat we onszelf in elkaar herkennen en ons daardoor minder alleen voelen. Het is prettig om stil te staan bij wat dat rare mens zijn nu precies is. Dat is wat goede kunst doet, het maakt dat je je daaraan tijdelijk kunt overgeven.’

IN ZIJN BOEK Crying beschrijft literatuurwetenschapper Tom Lutz hoe huilen en loutering, of catharsis, al met elkaar in verband worden gebracht sinds Aristoteles’ Poetica, die onder meer handelde over de zuiverende functie van tragisch theater. Maar ook uit christelijke confessierituelen spreken volgens Lutz ideeën over het verschonende potentieel van contemplatieve tranen. Bovendien is catharsis in de psychotherapie een van de meest dominante ideeën van de twintigste eeuw. Het is vastgeroest in praatgroepcredo’s als 'gooi het eruit!’ en 'huilen lucht op’, maar de zogenoemde 'cathartische methode’ van psychiater Josef Breuer, waarbij de patiënt werd aangemoedigd om negatieve emoties te herleven om zich er uiteindelijk van te kunnen ontdoen, was van onschatbaar belang voor de vroegere ideeën van Breuers vriend en collega Freud. Later werd deze echter van mening dat emotionele ontlading alleen niet genoeg was voor genezing: trauma moest niet alleen herleefd worden maar ook kunnen worden verwoord.
Met verbale helderheid wordt huilen meestal niet geassocieerd. Integendeel. In een essay over het huilen van heiligen schreef de duistere Roemeense existentialist E.M. Cioran treffend over tranen dat de bron van het genot dat we eraan beleven precies de extatische onwetendheid is waaruit ze voortkomen. In huilen zag hij een sublieme overwinning van cognitie, een expressie van het onzegbare.
De mysterieuze eigenschap van de traan om uitdrukking te geven aan iets waar we geen woorden voor hebben, sluit aan bij Vingerhoets’ claim dat huilen vaak samenhangt met machteloosheid en verwarring. Over wetenschappelijke gronden voor de vermeende louterende werking is hij echter sceptisch. Zo ook over de wijdverbreide opvatting van William Frey dat tranen dienen om afvalstoffen en stresshormonen af te voeren zodat we ons beter voelen. 'Er zijn eigenlijk geen onderzoeksresultaten die overtuigend aantonen dat huilen oplucht’, zegt hij. 'Huilen kent bovendien wel degelijk keerzijden. Veel mensen voelen zich na een huilbui eerder slechter dan beter en krijgen bijvoorbeeld hoofdpijn.’
Dat tranen een gunstige uitwerking kunnen hebben op wat anderen van ons denken, gelooft Vingerhoets wel. Een belangrijk effect van tranen, dat ook weer past in het verhaal over sociale binding, is dat ze agressie bij anderen zouden remmen en zo voor toenadering en bescherming kunnen zorgen. Het veelbesproken Israëlische onderzoek, dat werd gepubliceerd vlak na Vingerhoets’ boek en waaruit bleek dat de feromonen in vrouwentranen de mannelijke testosteronspiegel doen dalen en daarmee de lust temperen, bevestigt dat eigenlijk alleen maar. Lust en agressie hangen bij mannen immers beide samen met testosteron.
Hormonen spelen ook een essentiële rol in het huilonderzoek van Vingerhoets. 'We zijn momenteel volop bezig te onderzoeken op welk moment in de ontwikkeling van het emotionele brein voor het eerst de zogenoemde sentimentele tranen voorkomen. Het is nog een wilde gedachte, maar het zou wel eens kunnen samenhangen met de eerste keer dat je verliefd wordt. In mijn veronderstellingen bestaat er namelijk een belangrijke relatie tussen empathie, sociale verbondenheid en het vrouwelijk geslachtshormoon oxytocine, een stof die bijvoorbeeld ook cruciaal is voor de band tussen moeder en kind. Als je verliefd bent geweest krijg je een stoot van die oxytocine, en dat zou kunnen helpen om de hersenen weer een stapje verder te brengen in de emotionele ontwikkeling.’
Onzichtbare stofjes met moeilijke namen bepalen dus mede de emotionele diepgang van ons brein. Ze spreken echter niet zo tot de verbeelding als het ongrijpbare verband tussen fysieke sentimentele reacties en menselijke normen en waarden zoals gesymboliseerd door de tastbare traan. Vingerhoets is zich daarvan bewust, zoals ook blijkt uit het aan Tennyson ontleende motto van zijn boek: Tears, idle tears, I know not what they mean. We kunnen meer en meer te weten komen over de functies van de traan, het zal ons er niet van weerhouden om hartstochtelijk te huilen wanneer we geen woorden voorhanden hebben. Daarvoor vinden we ons janken bovendien veel te mooi.
Dat de esthetiek van de traan ook al ruim voor de komst van emo-tv met de paplepel werd ingegoten, bewijst tot slot Arnold Lobels klassieke kinderboek Bij uil thuis, waarin een eenzame uil een ketel neemt en op rituele wijze zo veel droevigheden oprakelt dat hij tranen met tuiten begint te huilen. Wanneer de ketel tot de rand gevuld is met zijn verdriet stopt Uil abrupt met huilen, doet de deksel op de ketel en nestelt zich tevreden in een fauteuil voor de haard. 'Hij schonk zijn kopje vol. Hij was heel tevreden. “Het smaakt wel een beetje zoutig”, zei hij. “Maar tranenthee is toch altijd weer heerlijk.”’


Huilwetenschap
Voor zijn International Study on Adult Crying (ISAC) vroeg Ad Vingerhoets meer dan 5500 volwassenen uit 37 landen naar hun huilgedrag. Daarbij ging het om situatiebeschrijvingen en ook om welke emoties men ervoer. Verlieservaringen, conflicten en positieve gebeurtenissen werden als voornaamste aanleiding genoemd om te huilen, maar opvallend genoeg werden ook vaak combinaties van gevoelens (tot wel vier toe) gerapporteerd.
Verder is gebleken dat vrouwen zo'n twee tot vier keer per maand huilen en mannen ongeveer eens in de twee maanden. Beiden hebben een voorkeur voor de avond en in ongeveer 75 procent van de gevallen volgen de tranen binnen vijftien minuten na de aanleiding. De werkvloer is de minst geliefde plek om in huilen uit te barsten en zowel mannen als vrouwen geven aan liever te huilen in het gezelschap van een vrouw dan van een man. Ook ontdekte Vingerhoets een verband tussen temperatuur en huilen. Volwassenen huilen meer als het koud is. Er werd dan ook een opmerkelijk sterk negatief verband gevonden tussen de gemiddelde jaartemperatuur in een land en het huilen. Hoe kouder het land, des te meer er gehuild wordt.