9 december, een rij bij de voedselbank in Amsterdam-Oost. Veel mensen staan ruim twee uur in de kou. © Bart Maat / ANP

‘Marjolein, kom maar binnen.’ Cieka Galenkamp zit in haar kantoor. Er is een cliënt die met spoed een bril nodig heeft, meldt vrijwilliger Marjolein. ‘De Sociale Dienst vergoedt het niet?’ vraagt Galenkamp. ‘Hebben we dat zwart op wit? Stuur haar maar naar Jekel Optiek op de Leusderweg, dan bel ik dat ze komt. Ze mag niet elk montuur kiezen, dat wordt te gek, maar dan krijgt ze wel goede glazen.’ Marjolein gaat de cliënt het goede nieuws brengen, terwijl Galenkamp een zucht slaakt. ‘Dat snap ik dus niet van de Sociale Dienst. Het is een meisje van nog geen twintig jaar met een Wajong-uitkering en dan weigeren ze haar een bril. Die draagt ze echt niet voor de lol, die heeft ze echt nodig. Wij lossen dit nu weer op in ons eigen netwerk, van die opticien mogen we eens in de drie maanden iemand langs sturen voor een bril, maar ik kan me hier wel over opwinden.’ Ze is even stil en schrijft iets op een briefje. ‘Ik ga de Sociale Dienst zeker ook nog contacten om te zeggen dat ik dit jammer vind. Ze moeten zo’n meisje gewoon helpen.’

Galenkamp is hoofd intake en casuïstiek en een van de drijvende krachten achter Voedselbank Amersfoort. Na jarenlang als jurist te hebben gewerkt, raakte ze in 2005 betrokken bij Voedselbank Amersfoort. Ze ging in dat jaar naar Zuid-Afrika om te helpen bij de bouw van een weeshuis in een township. Toen ze op zondag naar de kerk ging, en allemaal mooie auto’s voor de deur zag staan, vroeg ze aan de witte bevolking waarom ze niks deden voor de townshipbewoners. Toen Galenkamp als tegenvraag kreeg waarom zij zelf niks deed in Nederland, kregen ze als antwoord: ‘O, maar in Nederland is geen armoede.’

Haar studerende zoon was net in de Amsterdamse Kolenkitbuurt gaan wonen, anti-kraak, met veel schotels op de balkons in de buurt. ‘Dat was voor mij armoede in Nederland.’ In de lokale krant zag ze dat er een voedselbank in haar woonplaats Amersfoort werd opgericht en ze meldde zich aan. Toen zag ze pas wat armoede in Nederland was, met gezinnen die geen eten hadden en de rekeningen niet konden betalen.

‘Loop even mee’, zegt Galenkamp. Ze gaat voor naar het kantoortje waar een collega net een intake heeft gedaan. Op het formulier staan de gegevens van een vrouw die na een scheiding rond moet zien te komen van een uitkering van 1047 euro en zich heeft aangemeld bij Voedselbank Amersfoort. ‘Kijk’, zegt Galenkamp, ‘ze is net verhuisd en betaalt 682 euro huur per maand. Zoek voor de grap even op hoe hoog haar energierekening is. Hier staat het: 432 euro.’ Ze heft haar armen en zegt: ‘Dat kan toch niet?’

Het is een van de vele voorbeelden van mensen die bij hen aankloppen voor levensmiddelen, en als er genoeg giften en donaties zijn eventueel ook een bril of een fiets. ‘In het begin hielpen we zo’n dertig mensen, nu zijn dat 650 gezinnen.’ Ze wijst om zich heen. ‘Dit enorme pand hebben we echt nodig.’

Voedselbanken zijn van oudsher burgerinitiatieven. ’s Werelds eerste voedselbank werd in 1967 opgericht door de van oorsprong Nederlandse Amerikaan John van Hengel (1923-2005) in de stad Phoenix. De eerste Europese voedselbank staat sinds 1984 in Frankrijk. België volgde in 1986 en richtte in datzelfde jaar ook het Europese federatienetwerk van voedselbanken (feba) op. Vorig jaar waren er in totaal 341 voedselbanken aangesloten bij feba.

Voedselbank Amersfoort. Aan de hand van de kleur knijper die iemand op de jas heeft, kunnen de mensen van de Voedselbank zien voor hoeveel personen er eten nodig is © Werry Crone / ANP

Nederland kreeg in 2002 zijn eerste voedselbank, in Rotterdam, opgericht door het echtpaar Sjaak en Clara Sies. Precies twintig jaar later zijn er 172 voedselbanken en tien regionale distributiecentra. Via dit netwerk van de Vereniging van Nederlandse Voedselbanken (vbnl) krijgen er wekelijks 120.000 mensen voedselpakketten bij 521 uitgiftepunten. Vorig jaar waren er 83.000 klanten. De voedselbanken hebben de gezamenlijke missie om voedsel gratis te verstrekken aan ‘mensen die het tijdelijk zelf niet redden’. De twee hoofddoelstellingen zijn ‘het bieden van directe voedselhulp aan de armste mensen en het voorkomen van voedselverspilling’.

‘Hier komen de spullen binn en.’ Communicatiemedewerker Aagje Jellema wijst naar een enorme automatische schuifdeur. Buiten staat een bus waar twee mannen spullen uitladen. Jellema loopt naar een band enkele meters verder in de loods. ‘Hier worden alle producten gecheckt om te zien of ze nog goed zijn. Daar zijn we heel streng in en het gaat ook goed. Er was laatst controle en alles bleek in orde; we kregen een 9,6.’

In deze grote loods van vijf meter hoog hebben de mensen van logistiek het voor het zeggen. Een bestuurslid van de Amersfoortse rugbyclub die namens de vereniging komt doneren, is zichtbaar onder de indruk van het pand. ‘Ik schrik echt van hoe groot het is. Het lijkt wel een bedrijf. Nooit geweten.’

Die reactie horen ze vaker. Toen vrijwilliger Ingrid van Manen hier twee jaar geleden begon, had ze ook geen idee van hoe groot de voedselbank was. ‘Ik zat in een totaal andere bubbel. Je hoorde dat er mensen waren die de eindjes niet aan elkaar konden knopen. Maar dat het er zo veel waren, ik had geen idee.’ Het heeft haar kijk op de wereld veranderd. ‘Als ik nu iemand hoor zeggen dat die buitenlanders niet willen werken, denk ik: je hebt geen idee van het verhaal erachter. Terwijl ik dat tot twee jaar geleden zelf ook dacht.’

Van Manen helpt bij het ontvangen van klanten die hun pakket komen halen. Ze geeft informatie en stelt ze op hun gemak. Vandaag is ze ook verantwoordelijk voor de uitgifte van winkelwagens. Die zijn erg geliefd, omdat de mensen dan de boodschappen niet de hele tijd hoeven te dragen. ‘We hebben echter niet genoeg wagens. Dus ik moet erop toezien dat de mensen die er echt een nodig hebben er ook een krijgen.’

De irritaties kunnen soms hoog oplopen. ‘De mensen die hier komen hebben veel stress, dat geeft hier soms ook spanningen’, zegt Dick van der Stoep, een van de 150 vrijwilligers van de voedselbank in Amersfoort. ‘Daarom willen we dat alles zo perfect mogelijk verloopt.’ Sinds kort is er een nummertjessysteem, waardoor er geen geruzie meer ontstaat over de volgorde en niemand kan voordringen. Toch komen er nog steeds mensen twee uur voordat het eten wordt uitgedeeld, vertelt Van Maanen. ‘Zodat ze zeker weten dat ze vroeg hun producten krijgen en omdat het voor veel mensen hun enige uitje in de week is. Er is heel veel eenzaamheid onder mensen in armoede.’

Wat ze ook veel ziet: schaamte. ‘Elke week komt hier een moeder de producten voor haar zoon halen, omdat hij niet durft. Veel mensen blijven helemaal weg omdat ze zich schamen, die zitten thuis met honger. Er is ontzettend veel onzichtbaar leed.’

Als ze dan wel voor het eerst komen, beginnen geregeld mensen te huilen van blijdschap, zegt Van der Stoep. ‘Die hebben dan een hele tijd amper eten gehad voor hun gezin en gaan dan ineens naar huis met tassen vol boodschappen.’ Hij was lang manager en wilde na zijn vervroegde pensioen iets praktisch doen, iets waarbij hij niet meer veel hoefde na te denken. Hij zag dat de voedselbank vrijwilligers zocht en meldde zich om eens per week te helpen. Dat werd al snel twee keer. Hij helpt bij het uitdelen en aanvullen van de levensmiddelen.

Veel producten bij de opslag houdbare spullen staan in stevige grijze bakken van een meter hoog. Tegen de muizen, zegt Jellema. ‘Wij zijn niet de enigen die koekjes lekker vinden.’ In de hoek zijn twee grote vrieskamers die op min negentien graden Celsius staan. Alles met een wit stickertje is rund, varken is roze, vis geel, kip rood en vega groen. ‘De laatste maanden wordt het wel minder met de producten, omdat we mede door de energiecrisis meer mensen moeten bedienen met evenveel of zelfs minder spullen’, zegt Dick van der Stoep. ‘De mensen krijgen voor minstens drie maaltijden per persoon per week mee, maar we hebben nu nog maar voor één keer per week vlees. Toch kunnen ze hier over het algemeen nog steeds een flinke hoeveelheid boodschappen halen, waaronder verse groenten. Hebben we niet genoeg, dan kunnen we dankzij sponsors zelf producten bijkopen.’

In de uitdeelhal schuifelen tientallen mensen voor hun wekelijkse boodschappen langs de uitdelers die hulp krijgen van de aanvullers. Klanten mogen zelf kiezen wat ze mee willen nemen. Aan de hand van de kleur knijper die iemand op de jas heeft, is te zien voor hoeveel personen er eten nodig is. Een witte is voor één persoon, een blauwe knijper is voor twee personen, blauw en wit voor drie, geel voor vier. En wie ook nog een rode knijper heeft, krijgt halal eten.

Vrijwilligers pakken kerstpakketten in voor de voedselbanken in Nederland. Dit jaar wordt er een recordaantal van 45.000 kerstpakketten ingepakt voor huishoudens die afhankelijk zijn van de voedselbank. 5 december, Ahoy Rotterdam © Arie Kievit / ANP

‘ Over vier jaar bestaat de voedselbank niet meer.’ In 2006 stapte de PvdA met deze belofte de landelijke Tweede-Kamerverkiezingen in. In het begin riepen de voedselbanken heftige reacties op in de samenleving. Ook politiek Den Haag moest er aanvankelijk niets van weten. ‘Schandalig dat dit nodig is in Nederland, een van de rijkste landen van de wereld’, was de teneur. Maar het zelfbeeld van Nederland, van een land dat alles op een rijtje heeft, waar iedereen het goed heeft en waar anders de verzorgingsstaat het regelt voor de minderbedeelden, bleek niet te kloppen. In precies twintig jaar tijd is de voedselbank veranderd van een ongewenst maatschappelijk verschijnsel naar een gesprekspartner van de overheid. Het is een integraal onderdeel geworden van het beleid op het gebied van armoedebestrijding en het tegengaan van voedselverspilling.

‘Voor veel mensen is het hun enige uitje in de week. Er is heel veel eenzaamheid onder mensen in armoede’

‘We spraken onze treurnis erover uit. In die tijd was de voedselbank een nieuw fenomeen en we vonden het heel belangrijk en nodig dat mensen in elk geval in staat waren om zelf hun eten te kopen’, zegt Jetta Klijnsma. ‘Maar dat lukte dus niet.’ Klijnsma werd in 2008 namens de PvdA staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het kabinet-Balkenende IV en was daarvoor wethouder in Den Haag. ‘Toen ben ik heel veel mensen tegengekomen die door ingewikkeldheden in het leven, zoals een scheiding of het verlies van een baan, het ineens moeilijk kregen. Ik heb toen ook veel mensen gezien die verder in de problemen kwamen, omdat ze nergens hulp durfden te vragen. Ik herinner me een moeder met twee dochters van elf en dertien jaar oud. Die hadden nog nooit nieuwe kleren gehad, altijd tweedehands. Zij kregen een bon om voor het eerst nieuwe jassen te halen bij een winkel. Dat deed ze heel veel.’

Er is niks mis met hulp krijgen, zegt Klijnsma nu: ‘Ik loop moeilijk, waardoor ik al mijn hele leven hulp krijg en soms letterlijk een helpende hand. De overheid moet de samenleving handreikingen doen, mensen erbij blijven betrekken, goed onderwijs bieden en proberen bijvoorbeeld bibliotheken gratis te houden. Maar als er mensen en burgerinitiatieven zijn die zich willen bekommeren om anderen in hun wijk, is dat ook prachtig. Het moet en-en zijn.’

Voor hun werkzaamheden zijn voedselbanken afhankelijk van vrijwilligers die de handen uit de mouwen willen steken en particuliere donaties van burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties. De donaties zijn de voornaamste bron van opbrengsten, zo blijkt uit de jaarrekeningen van vbnl. In een tijdsbestek van dertien jaar zijn die flink gestegen. In 2009 had de landelijke vereniging zo’n zeshonderdduizend euro in kas; in 2021 was dat bedrag ruim veertien miljoen euro. Dit was te danken aan een unieke piek in donaties afkomstig van bedrijven en ngo’s. Die hebben in het jaar daarvoor (in 2020 tijdens de covid-pandemie) in totaal 7,5 miljoen euro aan de landelijke vereniging geschonken.

Het geld wordt besteed aan de dagelijkse bedrijfsvoering en het openen van nieuwe vestigingen. En ook het gezamenlijke jaarbudget van alle voedselbanken groeide: van ruim 650.000 euro in 2009 naar 1,4 miljoen euro in 2021.

Voedselbanken kregen pas in 2015 voor het eerst overheidssubsidie via het ministerie van Sociale Zaken en Welzijn. Deze bron van inkomsten is grillig. Zo ontving vbnl over het eerste jaar 105.000 euro. Dit steeg in 2016 naar 351.000 euro. Maar in de daaropvolgende jaren kelderde het totale subsidiebedrag naar nul euro in 2019.

De voedselbank in Rotterdam West Delfshaven, 7 december. Busjes met voedsel rijden naar verschillende locaties waar mensen eten kunnen afhalen. © Hans van Rhoon / ANP

Het coronajaar 2020 bracht armoede als maatschappelijk probleem in Nederland verscherpt in beeld. Minister Koolmees stelde eenmalig een bedrag van vier miljoen euro beschikbaar ‘in het kader van de coronacrisismaatregelen’. Bovendien was het kabinet-Rutte III bereid om ‘twee procent van de beschikbare middelen voor de meest behoeftigen’ uit het Europees Sociaal Fonds (esf+) in te zetten voor ‘de doelgroep die ondersteund wordt door de voedselbanken’. Het zou dan gaan om een bedrag van twaalf miljoen euro. Dit was bijzonder, omdat in het twintigjarig bestaan van voedselbanken de regering – namens de voedselbanken in Nederland – niet eerder een beroep deed op Europese financiële steun.

Voor rechtse partijen waren voedselbanken in de eerste plaats een particuliere aangelegenheid van burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties. De overheid diende zich daarbij terughoudend op te stellen. Toenmalig vvd-Kamerlid Sjoerd Potters zei daar in 2013 over: ‘Op zich staat de vvd niet negatief tegenover het fenomeen van particuliere hulp bij voedselbanken, maar ik acht het wel belangrijk dat het een particulier initiatief is en een particulier initiatief zal blijven. Het is en blijft een landelijk initiatief, en het zou raar zijn als dat Europese subsidie kreeg. Wij staan daar niet positief tegenover.’

Subsidies en eventuele andere overheidsgelden staan overigens als opbrengsten in de jaarlijkse winst-en-verliesrekening van vbnl. Opmerkelijk genoeg staat in de jaarrekening van 2020 de vier miljoen euro overheidssteun als ‘overige schuld’ op de balans.

In de jaarrekening 2021 staat als toelichting dat het geld op voorwaardelijke basis is ontvangen, maar dat vbnl ‘nog niet aan de voorwaarden voldoet’.

Ondertussen begrijpen de voedselbanken niet waarom de Nederlandse regering jaar in, jaar uit geen gebruik maakt van het Europees hulpprogramma waar voedselbanken EU-breed een beroep op doen. De Europese Commissie zet dit hulpprogramma ook in tegen voedselverspilling. Restvoorraden van vlees, graan en zuivelproducten zijn bestemd voor de minstbedeelden. Daarnaast is het hulpprogramma, dat voortvloeit uit het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, voor de Commissie een manier om de marktprijzen voor de landbouwsector te verbeteren en daarmee de landbouwopbrengsten én de voedselzekerheid in Europa.

In 2010 hebben Europese voedselbanken in totaal 370.648 ton voedsel gedistribueerd. Ruim de helft werd gefinancierd door het Europese hulpprogramma. In datzelfde jaar hebben voedselbanken in Nederland zich aangesloten bij het feba-netwerk in Brussel. In de koninklijke aanwezigheid van (toen) prinses Máxima heeft het landelijke bestuur de officiële stukken hiervoor ondertekend, staat in de jaarrekening over 2011.

Volgens de accountants behoort Nederland tot ‘de grootste nettobetalers’ van het Europese hulpprogramma. Desondanks wilde het toenmalige kabinet-Rutte I daar geen gebruik van maken, omdat voedselhulp deel uitmaakt van binnenlands sociaal beleid en ‘dus voorbehouden is aan nationale overheden’. Dat betekent dat het geld (bestemd voor Nederland) uiteindelijk wordt verdeeld tussen de EU-lidstaten. Het zou toen gaan om een totaalbedrag van vijftien miljoen euro waarmee vbnl het totale voedselaanbod kon verdubbelen in alle voedselbanken in Nederland.

© Sander Koning / ANP

‘Ik bied niet aan hoor, je moet gewoon pakken.’ Clara Sies (70) heeft net de tafel in de woonkamer van de Rotterdamse arbeiderswoning vol gezet met koffie en lekkernijen, haar man Sjaak (80) zit op de bank. Normaal gesproken gaat hij nog elke dag naar de Spoelkeuken om te helpen, een initiatief dat het echtpaar heeft opgezet en waar Rotterdammers voor een prikkie een warme maaltijd kunnen krijgen, maar hij is enkele dagen eerder gevallen en doet het dus een paar dagen wat rustiger aan. ‘Zullen we maar gewoon bij het begin beginnen?’ vraagt Sjaak. Het echtpaar heeft hun verhaal al vaak gedaan, als oprichters van de eerste voedselbank van Nederland in 2002.

Dat verhaal begint als ze ‘door stomme pech’ hun eigen onderneming in kleding – ze hadden een eigen winkel en atelier – moeten sluiten en met een berg schulden blijven zitten. Clara: ‘We hadden geen diploma’s en waren inmiddels te oud voor een baan, dus kregen we een uitkering en daar waren we dolblij mee. We wisten elke maand wat er binnenkwam. We hebben meteen allerlei dingen automatisch laten afschrijven zodat we niet weer in een gat zouden vallen. Maar we hadden ook wel zoiets van: ja, die uitkering, dat is gemeenschapsgeld dat wordt opgehoest door allemaal mensen die belasting betalen. Wat doen we daarvoor terug?’

Wat je ook van ze moet weten, vult ze aan, is dat ze gelovig zijn. Niet vanuit een kerk, maar wel met het idee dat je verantwoordelijkheid neemt en dat je omziet naar je naasten. En omdat ze zelf helpende handen kregen aangereikt toen ze het moeilijk hadden, vonden ze het tijd om dat voor anderen te doen. Sjaak: ‘Toen hebben we eerst een kleine stichting opgericht, Minusplus, met het idee dat er plussers en minners in de samenleving zijn en misschien moeten we proberen daar een beetje balans in te vinden door de eerste groep de tweede te laten helpen.’ Ze denken eerst aan kleding en huisraad voor mensen die dat nodig hebben, maar daar blijken al verschillende initiatieven voor te zijn. Een vriend kwam met het idee om iets met voedsel te doen en ze mochten een kas gebruiken die op de nominatie stond om gesloopt te worden. Sjaak: ‘Er waren ook een aantal tuinders in de omgeving die bereid waren om iedere week een paar vierkante meter van de oogsten af te staan, er was een bakker die wilde helpen. En zo zijn we begonnen.’

Doordat ze zelf met schulden hadden gezeten en met weinig moesten zien rond te komen, prikten ze door de smoesjes heen en kwamen ze makkelijk binnen bij de mensen die het nodig hadden. Binnen korte tijd reed Sjaak langs zo’n twintig gezinnen om een doosje met groente, fruit, brood en soms zelfs een taartje rond te brengen. ‘Nou, we dachten dus dat we goed bezig waren en toen kwamen we weer iemand anders tegen die zei: weet je dat ze in andere landen ook doen wat jullie doen, maar dan veel groter en ze noemen het voedselbanken. Toen zijn we in België gaan kijken.’ Daar kwamen ze terecht bij een heel grote opslag op een oud kazerneterrein. Sjaak: ‘We vielen om van verbazing. Pallets vol met, nou ja, alles wat je in een gemiddeld keukenkastje tegenkomt aan levensmiddelen. Op de terugweg bedachten we: dit gaan we in Nederland doen en daar in de auto is Voedselbank Nederland ontstaan.’

Vlak daarna stonden ze in de krant en niet veel later kwam er een televisieploeg langs. Dat was nog een probleem, want ze wilden graag mensen in de uitzending die levensmiddelen kregen van Sjaak en Clara. Clara: ‘Maar er was zoveel schaamte, niemand wilde voor de camera vertellen. Want vertellen over dat je in armoede zit, dat doe je niet.’ Uiteindelijk vonden ze toch iemand die bereid was haar verhaal te doen, maar die kreeg wel gedonder in de familie.

Jetta Klijnsma, tegenwoordig commissaris van de Koning in Drenthe, kent Sjaak en Clara nog uit de tijd dat ze staatssecretaris was. ‘Geweldige mensen die een belangrijk fenomeen hebben neergezet, er wordt door veel mensen een beroep op de voedselbank gedaan.’ Klijnsma trok als staatssecretaris voor het eerst overheidsgeld uit voor de voedselbank. Ze pleit voor een fundamentelere discussie over de ongelijke verdeling in Nederland. ‘Waarom is het zo duur om een huis te huren? Als je een huis koopt, betaal je dat af en heb je op een gegeven moment geen kosten meer. Met een huurhuis blijf je altijd doorbetalen. Daar zit iets behoorlijk scheef. Ik vind ook dat de uitkeringen omhoog moeten, maar het is geen structurele oplossing.’ Het zegt volgens Klijnsma ‘heel veel’ over Nederland dat zo veel vrijwilligers zich inzetten voor mensen in nood, zoals bij de vele voedselbanken: ‘In Drenthe noemen we het naoberschap en dat zag je ook tijdens de coronapandemie: heel veel mensen gingen langs bij mensen die eenzaam waren of hulp konden gebruiken. Dan moet je wel om hulp durven vragen of hulp accepteren, en dat wil ik iedereen op het hart drukken.’

Sinds de dag dat Clara en Sjaak op de televisie kwamen met de eerste voedselbank, die ze runden vanuit hun eigen woonkamer, groeit Voedselbank Nederland hard. Overal in het land worden voedselbanken opgericht die allemaal gerund worden door vrijwilligers. Clara en Sjaak zijn er al uit gestapt en hebben de leiding aan anderen overgelaten, al blijft Sjaak erevoorzitter. Hoewel ze het dubbel vinden dat er voedselbanken nodig zijn, zijn ze vooral trots op één ding. ‘Dat we armoede bespreekbaar hebben gemaakt in Nederland’, zegt Sjaak, ‘dat er steeds minder schaamte is bij mensen die het moeilijk hebben.’ 