Karin Wieland - Dietrich Riefenstahl: Twee vrouwenlevens in Hollywood en Berlijn

Huilen om Hitler

Marlene Dietrich en Leni Riefenstahl hadden eigenlijk niets gemeen. Of het moet zijn dat zowel de actrice als de regisseuse een tragisch leven kende dat sterk werd bepaald door nazi-Duitsland.

Karin Wieland, Dietrich & Riefenstahl, € 49,95
e-book, € 39,99

Medium wieland dietrich riefenstahl

Marlene Dietrich (1901-1992) en Leni Riefenstahl (1902-2003), dé vrouwelijke iconen van het culturele leven in het twintigste-eeuwse Duitsland, zouden zich in hun graf omdraaien als ze wisten dat hun levens in één boek beschreven zijn. Ze konden elkaar niet uitstaan: Leni vond Marlene ordinair, Marlene Leni een culturele snob. Ze meden elkaar als de pest. Slechts één keer zijn ze in directe zin elkaars rivalen geweest, bij de invulling van de hoofdrol in Joseph von Sternbergs befaamde film Der blaue Engel (1930 – ‘Ich bin von Kopf bis Fuss auf Liebe eingestellt…’). Het werd Dietrich, en Riefenstahl schijnt dat nooit te hebben kunnen verkroppen.

In Dietrich Riefenstahl: Twee vrouwenlevens in Hollywood en Berlijn (in de Duitse uitgave luidt de ondertitel: ‘Der Traum von der neuen Frau’) beschrijft Karin Wieland (1958) Marlene’s en Leni’s leven op parallelle wijze. Waarom ze dit doet, blijft in het ongewisse. In het boek is geen inleiding of voorwoord te vinden waarin ze haar opzet motiveert of rechtvaardigt; ze valt met de deur in huis. Natuurlijk, er zijn verschillende redenen te verzinnen voor deze dubbelbiografie, de levensgeschiedenissen lopen synchroon, beiden stammen uit hetzelfde Berlijnse milieu, ze worden gedreven door een tomeloze ambitie, waarbij ze zich in hun weg naar de top zonder gêne bedienen van hun lichamen, beiden zijn, zoals dat zo mooi heet, onvervuld en eenzaam gebleven. Maar is dat genoeg? Een van de redenen om een dubbelbiografie te schrijven, is dat het ene leven licht werpt op het andere. Dit is bij Marlene en Leni niet het geval. Ze leefden volstrekt gescheiden levens. De levensweg van Dietrich is bekend – die van Riefenstahl minder. Dietrich begint als sterretje in de Berlijnse revues, Riefenstahl als danseres – moderne, expressieve dans welteverstaan. Beiden moeten grote weerstand van hun ouders overwinnen, die het als hun belangrijkste taak beschouwen over het behoud van de maagdelijkheid van de meisjes te waken zodat ze rein het huwelijk in kunnen gaan (dat is hun niet gelukt, beiden trouwden weliswaar, maar allesbehalve maagdelijk). De doorbraak van Dietrich komt met Der blaue Engel; Riefenstahl maakt furore in de destijds immens populaire bergfilms, met titels als Der heilige Berg (1926), Die weisse Hölle von Piz Palü (1929) en Stürme über dem Mont Blanc (1930). Marlene noch Leni onderscheidt zich door een uitzonderlijk acteertalent. Voor de laatste is dit een reden zich toe te leggen op de rol achter en niet vóór de camera; de eerste zal desondanks blijven acteren – je bent geneigd te denken: met tegenzin. Maar de schoorsteen moet roken!

En dan is het 1933, hét noodlotsjaar van de Duitse geschiedenis. Dietrich zit in Hollywood en besluit daar voorlopig te blijven. Riefenstahl ziet juist nieuwe kansen. In 1932 heeft ze al een onderhoud gehad met Hitler, op háár initiatief. Hoe ver dit ging, is een eeuwige bron van speculatie; in elk geval werden ze heftig door elkaar gefascineerd. Vanaf dat moment is Leni Hitlers hofcineaste. Ze maakt twee documentaires over de Rijkspartijdag in Neurenberg: Der Sieg des Glaubens (1933) en Triumph des Willens (1935). In 1936 filmt ze de Olympische Spelen in Berlijn, wat resulteert in Olympia 1: Fest der Völker (1937) en Olympia 2: Fest der Schönheit (1938). Haar naam is gemaakt, en niet alleen in Duitsland. Ondertussen werpt Dietrich zich in de VS op als het gezicht van het ‘andere Duitsland’. Tijdens de Tweede Wereldoorlog reist ze de wereld af om de geallieerde troepen met haar zang te vermaken (Lili Marleen is veruit het populairste soldatenlied, zowel aan de geallieerde als aan de Duitse kant). Ze werft ook voor het kopen van Amerikaanse oorlogsobligaties, waarover ze half cynisch opmerkt: ‘Ik ga op tournee om geld in te zamelen voor de bommen die op Berlijn vallen. Daar woont mijn moeder, van wie ik sinds het begin van de oorlog niets meer heb gehoord.’ In de oorlog houdt Riefenstahl zich koest; ze trekt zich terug in de Oostenrijkse bergen en wijdt zich geheel aan het produceren van een kunstfilm, Tiefland, waarin zij, tegen beter weten in, zelf de hoofdrol speelt. Deze film beleeft pas in 1954 zijn première en wordt algemeen als een dieptepunt in haar regiecarrière beschouwd.

Na de oorlog viert Dietrich triomfen in het kielzog van de bevrijders. Riefenstahl wordt door de bezettingsmachten ter verantwoording geroepen. Ze weet zich op geraffineerde manier vrij te pleiten: een sterk punt is dat ze nooit lid is geweest van de nsdap. Hoezeer ze voor de rest de boel bij elkaar gelogen heeft, zal later blijken uit de dagboeken van Joseph Goebbels, die in 1992 in Rusland boven water komen. Ze ontloopt een beroepsverbod en sancties, maar niemand wil haar projecten nog financieren. Begin jaren zeventig vindt ze een nieuwe roeping, ze wordt fotografe. Ze maakt reportages in Afrika en heeft wereldwijd succes met haar fotoboeken over de Noeba’s en de Massai. Ze laat zich vieren en voert talloze processen als haar naam in verband wordt gebracht met het nazisme. In 2003 blijft haar hart stilstaan.

Dietrich moet meemaken dat voor oudere filmsterren de interessante rollen niet voor het oprapen liggen. Maar net zo min als Riefenstahl blijft ze bij de pakken neerzitten; ze gooit het roer om. Ze begint in de jaren vijftig als nachtclubzangeres, eerst in Las Vegas, tegen fabelachtige gages. Maar al gauw verruilt ze de nachtclubs voor de internationale concertpodia – tegen niet minder fabelachtige gages. Ondanks haar successen raakt ze allengs in verval. Ze drinkt en rookt meer dan goed voor haar is. Halverwege de jaren zeventig valt het doek definitief. Ze trekt zich terug in haar Parijse appartement, en behalve de paar nog overgebleven intimi heeft niemand haar ooit nog gezien.

Wieland heeft het aantal pagina’s van haar boek eerlijk over de twee vrouwen verdeeld. Maar haar sympathie gaat overduidelijk uit naar Dietrich – wat begrijpelijk is, maar in haar afkeer van Riefenstahl gaat ze wel erg ver. Talloze malen velt ze minachtende en moreel depreciërende oordelen over Riefenstahls persoon en prestaties. Als Riefenstahl in een brief schrijft dat ze na het bericht over de zelfmoord van Hitler de hele nacht gehuild heeft, vindt Wieland het nodig eraan toe te voegen: ‘Gehuild heeft ze alleen om zichzelf. (…) Voortaan is het afgelopen met het geven van bevelen.’

Wieland heeft inzage gehad in de hele nalatenschap van Dietrich. Daar heeft ze dankbaar en overvloedig gebruik van gemaakt. Het is de vraag of ze de nagedachtenis van Dietrich daarmee een dienst heeft bewezen. Het wilde liefdesleven van Dietrich wordt tot in de finesses onthuld (ze zou ook nog iets met president John F. Kennedy hebben gehad). Maar ook de jaren van haar eenzame verval in Parijs worden gedetailleerd beschreven: zo wijdt Wieland niet minder dan twee volle pagina’s aan Dietrichs ‘vloeiingen’. Dit soort bladzijden – en het zijn er niet weinig – zijn ronduit pijnlijk om te lezen.


Karin Wieland

Dietrich Riefenstahl: Twee vrouwenlevens in Hollywood en Berlijn

Uit het Duits vertaald door Goverdien Hauth-Grubben. Atlas Contact, 735 blz., € 49,95