Filmklassieker Casablanca

Huilen om Humphrey

Sommigen vinden Casablanca (1942) een reeks samengeflanste clichés. Maar de film is onverminderd krachtig, een klassieker met een geheim.

IK DENK DAT HET iets wezenlijks betekent: ik huilde. Echte tranen die over mijn wangen stroomden. Om duidelijk te zijn: ik ben geen huilebalk, behalve heel soms in films. Toen ik recent Michael Curtiz’ Casablanca weer eens zag, was de enorme emotionele impact van de film volstrekt onverwacht. Ik heb de film misschien meer dan honderd keer gezien. Maar snotteren? Nooit. Behalve nu. Dat verbaasde me. De tranen kwamen niet door de verblindende schoonheid van Ingrid Bergman als Ilsa Lund of door de pracht van de film zelf als inspirerende cinema, maar door hem, Bogart.
Wat zegt dit? Pauline Kael, de beste filmcriticus ooit, had het allemaal ogenschijnlijk door: Casablanca is helemaal geen grote film, maar heeft wel een speciale aantrekkingskracht, hoewel je je nooit echt genoodzaakt voelt de melodramatische verhaalwendingen serieus te nemen. Humphrey Bogart, in de rol van nachtclubeigenaar Rick Blaine, speelt de rol van de cynicus die verlossing vindt door zijn liefde voor Ilsa die tijdens de Tweede Wereldoorlog samen met haar echtgenoot en verzetsstrijder Victor Laszlo (Paul Henreid) in bezet Casablanca belandt na te zijn gevlucht voor de nazi’s. Er zijn uitreisvisa nodig. En die heeft Rick, verongelijkte minnaar met het gebroken hart. Welke keuze maakt hij?
Veel in de film, maar niet alles, draait om de chemie tussen Bogart en Bergman. Bergman, die de sympathie van de kijker krijgt doordat Bogart haar, zoals Kael opmerkt, als een hoer behandelt, Bogart, het perfecte archetype van de eenzame avonturier tijdens de oorlog. Maar nog zegt dit weinig substantieels, wat Casablanca tot een film met een geheim maakt. Misschien ligt dat juist hierin: je kunt hem keer op keer bekijken en iedere keer verandert de betekenis ervan naarmate je eigen levensfase- of situatie verandert. Vroeger zag ik Casablanca vaak vanwege de filmische kwaliteit van het werk, maar ook omdat er geen betere date movie is. Je kunt eindeloos doorgaan over de filmische en historische significantie van het werk en dan nog is de aandacht van je partner gegarandeerd, want Rick en Ilsa en ‘Play it Sam, play “As Time Goes By”’ en 'If she can take it, I can take it’ en ga zo maar door. Maar nooit eerder huilde ik bij Casablanca, hoewel dat destijds misschien wel een goede versiertruc had kunnen zijn.
Umberto Eco vat de veranderende omstandigheden waaronder je Curtiz’ film zou kunnen bekijken goed samen in misschien wel het bekendste en zonder enige twijfel beste essay over de film, getiteld Casablanca, or The Cliches Are Having a Ball. In het stuk verwondert Eco zich over het feit dat oudere kijkers het werk keer op keer uit nostalgische overwegingen kunnen bekijken, terwijl jongeren er eveneens nooit genoeg van kunnen krijgen. Zo heeft Eco op Amerikaanse universiteiten meegemaakt dat de iconische teksten, zoals 'Round up the usual suspects’ of Ricks gebruik van het woord 'kid’, worden begroet met 'gejuich dat gewoonlijk slechts weggelegd is voor Amerikaanse voetbalwedstrijden’. Dat niet alleen, Eco signaleert soortgelijke effecten wanneer Casablanca in Italië wordt vertoond, wat voor hem oorspronkelijk de aanleiding was de universele aantrekkingskracht ervan nader te onderzoeken.
Eco’s conclusies dienen nog altijd als een blauwdruk, niet alleen voor het zichtbaar maken van de kennelijk tijdloze interne mechanismen van Curtiz’ film, maar ook voor een manier waarop naar de hedendaagse populaire cinema kan worden gekeken. Eco ziet Casablanca namelijk als een viering van de werking van cliché en mythe waardoor het werk niet een enkele film is, maar vele films, lukraak geproduceerd en geregisseerd, een film die 'zichzelf’ misschien had gemaakt, indien niet direct tegen de wil van de scenaristen en regisseur en acteurs, dan ten minste buiten hun controle om. Eco: 'Casablanca werkt ondanks theorieën over film of esthetica. Want in deze film openbaart zich de kracht van het Narratieve in zijn natuurlijke staat, zonder dat Kunst op een disciplinaire manier intervenieert. Daarom accepteren we het wanneer personages van het ene moment op het andere veranderen van stemming, moraliteit en psychologie of wanneer hoeren huilen bij het horen van La Marseillaise. Wanneer alle archetypen zich schaamteloos openbaren bereiken ze een Homerisch niveau. Twee clichés zijn hilarisch. Honderd clichés ráken ons. Want we hebben ergens door dat de clichés onderling discussiëren, dat ze hun reünie vieren. Net zoals erge pijn en sensueel plezier samen kunnen gaan en het toppunt van perversiteit aan mystieke energie kan grenzen, zo kan uiterste banaliteit ons in staat stellen een glimp op te vangen van het sublieme.’

'BOGART MAAKTE Casablanca, Casablanca maakte Bogart’, schrijven A.M. Sperber en Eric Lax in Bogart (1997). In het boek betogen de auteurs dat Bogart het actuele symbool van het Amerika van na de aanval op Pearl Harbor werd: hard, maar sympathiek, sceptisch, maar idealistisch, verloochend, maar klaar om opnieuw in iets te geloven en bovenal een dodelijke tegenstander. Door de oorlog legden studio’s niet meer het accent op frivole, jeugdige mannelijke personages, maar zochten ze naar een meer geraffineerde en wijze uitbeelding van masculiniteit. Uitgelatenheid maakte in ook de meest actierijke mannelijke rollen plaats voor melancholie. Hiervoor was Bogart geknipt. In Casablanca, maar ook in klassieke Bogart-personages van de jaren vijftig, zeker die in de films van de macho John Huston, zette Bogart het beeld van de harde man met een vaag verleden neer, een man met een 'essentieel duistere visie op de wereld’, aldus Sperber en Lax. Dat paste volmaakt bij de tijdgeest.
Veel van Bogarts personages van na de oorlog zijn ontheemde mannen. De blauwdruk hiervoor was Rick Blaine. Want geen man zo ontheemd als Rick. En geen man zo zelfverzekerd. Hoe is hij terechtgekomen in Casablanca? 'My health’, antwoordt Rick desgevraagd, 'I came to Casablanca because of the waters.’ Maar dit is de woestijn, Rick… 'I was misinformed.’ Hij glimlacht, of niet? In ieder geval ontbloot hij zijn tanden. Een vicieus beeld. Wat zit er achter de gevaarlijke humor en het cynisme? Achter de façade van de witte smoking en het glad gekamde haar en de eeuwige sigaret? Jawel, een verloren liefde, een verraderlijke vrouw en vervlogen hoop. Banaler kan bijna niet.
De clichés vieren een feestje en daarom introduceert Curtiz’ camera meer een idee van Rick dan Rick zelf, bijna een schaduwbeeld alsof hij niet echt bestaat behalve in de vorm van een reeks conventies, de stereotypen waar Eco over schrijft: de deur van Ricks Café Américain gaat open voor de camera en de kijker kan naar binnen, voorbij tafeltjes waar desperate vluchtelingen met smokkelaars konkelen om vluchtroutes te bepalen, naast de piano waar Sam It Has To Be You zingt, achter een pokertafel langs waar een chique dame koket aan een ober vraagt of Rick niet wat wil komen drinken, waarop het antwoord luidt: 'Rick never drinks with customers’, tot bij, nee, naast een tafeltje waar Rick zou zitten, want Rick blijft eerst nog onzichtbaar doordat slechts zijn hand in beeld komt terwijl hij een cheque ondertekent en een trek van een sigaret neemt. Dan, cut, mediumshot, snelle zoom: Rick achter een tafeltje, niet aan het gokken, maar aan het schaken, tegen zichzelf.
Deze introductie van Rick Blaine lijkt veel van de kritiek op Casablanca te ondermijnen. Critica Kael heeft het werk bijvoorbeeld altijd als middelmatige filmkunst bestempeld terwijl Eco termen als 'stripachtig’ en 'lage psychologische geloofwaardigheid’ in zijn analyse gebruikt. Maar niets hiervan is terug te vinden in Curtiz’ meesterlijke introductieshot dat Martin Scorsese later kopieerde in zijn gangsterfilm Goodfellas, in de sequentie waarin Ray Liotta samen met zijn vriendin naar een nachtclub gaat en Scorsese hem volgt met de camera. Door deze filmische stijlgreep wordt juist gefocust op diepte, op het visualiseren van de psychologie van het personage. Curtiz zet Rick meteen neer als een afstandelijke, mysterieuze figuur met een geheim dat hem heeft gemaakt tot de man die hij nu is: hard en cynisch en 'I stick my head out for nobody’, ja, ja, maar zelfs op dat moment is duidelijk dat Rick gekwetst is, aangeschoten wild, en het duurt niet lang of zij verschijnt als een geest uit het verleden en de drankfles gaat open en het is 'Of all the gin joints, in all the towns, in all the world, she walks into mine’, en waar is de harde man nu eigenlijk gebleven?

'SHE’ - hij kan haar naam niet eens uitspreken - is Bergman. Kael zoekt de bron van haar erotiek in het geluid van haar stem en dat klopt: ze praat tamelijk sonoor zoals het een femme fatale betaamt, maar ze is geen Barbara Stanwyck, ze is meer gevoelvol en heeft bovendien altijd een behoorlijk zwaar accent. En doorgaans is er de suggestie van pijn in haar stem. Misschien gecombineerd met een fijn besef dat juist deze complexe seksualiteit een man als Rick tot waanzin zal drijven. Gebroken ligt hij in de nacht te huilen (althans zo lijkt het) bij hetzelfde tafeltje waar hij eerder fier verscheen in zijn witte smoking, met slechts het geluid van een vallende, lege drankfles dat de stilte verbreekt: Rick Blaine, een man die net als iedereen in Casablanca geen kant op kan, maar ook iemand die symbolisch gevangen is in het verleden. Dat is een typisch Amerikaanse obsessie, een mix van horror en nostalgie, 'borne back ceaselessly into the past’, zoals F. Scott Fitzgerald schrijft. Jay Gatsby en Rick Blaine. Beide mannen gaan kapot aan de kracht van het verleden, in Ricks geval de herinnering aan de stem van een beeldschone vrouw en ja, 'We will always have Paris’, maar dat is geen verzuchting, dat is een vloek.
Doordat hij in actie komt en juist weet te handelen vindt Rick verlossing: 'Louis, I think this is the beginning of a beautiful friendship.’ Als Bogart een mythe belichaamt, is hij dan ook een cliché? Natuurlijk. Maar hij wordt gered door de film zelf, door het feit dat alle clichés er zijn. Twee clichés zijn lachwekkend, honderd clichés raken ons. Eco: 'Iets spreekt dan namens of in plaats van de regisseur. Een ontzagwekkend fenomeen.’ Het sublieme, dus. En daarom, vermoed ik, is het mogelijk om Casablanca keer op keer te zien en dan nog volstrekt onverwacht op een avond het niet eens droog te houden wanneer Bogart verschijnt, in 1942 al een amalgaam van beelden in een samengeraapte en eigenlijk tijdens het draaien verzonnen film, en anno 2010 nog altijd een gietvorm voor de tragiek van een specifiek soort mannelijkheid.

Een gerestaureerde kopie van Casablanca draait vanaf 24 juni in het Filmmuseum te Amsterdam en in filmtheaters elders in het land. Van 1 juli t/m 1 september heeft het Filmmuseum een zomerprogramma rond Ingrid Bergman