Toneel

Huilen om onze ondergang

De Perzen

Naar het schijnt is De Perzen een van de oudste, zo niet dé oudste tekst van een bewaard gebleven tragedie, het tweede deel van een verder verloren gegane en prijswinnende trilogie uit 472 voor onze jaartelling. Het stuk is het relaas van een historische militaire overwinning, geheel behandeld vanuit de optiek en het vertel­perspectief van de verliezers. De schrijver Aeschylus, die de slag bij Salamis acht jaar daarvoor als oorlogsverslaggever had meegemaakt, was zelf een Athener die in 490 in Marathon ook al tegen de Perzen vocht en daar zijn broer had verloren. In zijn relatief korte tragedierelaas (1077 vers­regels) wordt veel geklaagd en er gebeurt feitelijk niks.

De Perzen heeft in de recente Nederlandse toneelgeschiedenis twee legendarische uitvoeringen gekend, een in het midden van de jaren zestig door de Nieuwe Komedie in de piste van Carré (regie: Erik Vos), en een door Hollandia in een autosloperij in de Zaanstreek (regie: Johan Simons en Paul Koek), in de vertalingen van respectievelijk Evert Straat en Herman Altena. Nu heeft Rob de Graaf voor Dood Paard een nieuwe vertaling gemaakt. Als we binnenkomen zien we een woud aan krukken, achterin staat een schutting, rechts wordt een zinken badkuip volgegoten met cola. Bij aanvang horen we de openingsaria Ombra mai fú uit Händels opera Serse, waarin de Perzische koning Xerxes, een van de protagonisten uit De Perzen, de schaduw bezingt van een plataan.

De gestruikelde en diep gevallen hoogmoed die het thema van de tekst is, wordt met lichte ironie gespeeld. De toon lijkt aanvankelijk wat schamper, de koningin-moeder, Atossa (Manja Topper), die van Aeschylus een opkomst in strijdwagen krijgt, rijdt hier op in een invalidenkar waarvoor veel krukken moeten wijken. De Bode, die van lijsten vol slachtoffers en oorlogsonheil poëzie maakt, krijgt van Gilles Biesheuvel een droge toon die oploopt in heftigheid, waarbij het woud der krukken op de kop wordt gezet en de boodschapper uiteindelijk in de kuip wordt gesmoord. Dat nare spelletje colaverzuipen zorgt voor een dosis woede onder de teksten, die weer wordt doorsneden met milde humor wanneer de gestorven koning Darius uit zijn mausoleum opstaat. Hier komt Kuno Bakker zeer geestig zijn opwachting maken: met een kruk als kroon op zijn kale kop verschijnt hij proestend vanachter een doorrookte onderwereld boven de schutting uit, met weinig goed nieuws voor de nabije toekomst en minimaal één goeie raad aan het koor der oudsten: ‘Zorg dat je iedere dag plezier beleeft, ondanks deze moeilijkheden, want in het leven opgespaarde rijkdom is voor de doden niets meer waard.’

De oorlogsoverlevende Xerxes spreekt de apotheose uit: ‘We kunnen alleen maar huilen – huilen om onze ondergang.’ Dat gehuil volvoeren de drie toneelspelers in een aria van klassieke kreten, papai, oioi, popoi, ototototoi – alsof de gepijnigde, gelouterde, door het bloed van het krijgsvolk gewassen protagonisten in al het doorstane leed tot stamelende kinderen zijn geworden. Via een geprojecteerd filmpje klinkt nogmaals de openingsaria van Händel, Ombra mai fú, nooit zo’n schaduw gekend. Nu is het niet meer een heldentenor die zingt, maar een hemels joch. Met deze rare sluier die ten afscheid over de voorstelling wordt geworpen, met deze curieuze echo van ontroering worden we heengezonden. Alsof ze er zelf ook niet helemaal zijn uitgekomen, uit de mengeling van ironie, dik opgelegde symboliek (die omgekeerde krukken), overlevingshumor en woede over dingen die kapot gaan.

De Perzen is nog te zien op 12 en 13 april in Toneelschuur Haarlem, 14 april in Schouwburg Arnhem, daarna tot eind van de maand nog in Almere, Den Haag, Brugge, Doetinchem, Brussel, Leiden en Gent. www.doodpaard.nl