‘huilen wil ik want daar heb ik zin in’

BLADEREN door de pagina’s met foto’s die van Federico García Lorca (1898-1936) zijn gemaakt, dat is pas onthutsend. Op zijn achttiende ziet hij eruit als een jonge god. Als hij bijna dertig is, gefotografeerd samen met de schilder en gedroomde minnaar Dalí (twee jonge jongens in badpak) is-ie dat nog. Op het portret met zijn vriend (en minnaar?), de beeldend kunstenaar Emilio Aladrén (1929) is Lorca opeens een meneer in maatkostuum geworden. En als hij gedichten voorleest in Buenos Aires (1933), oogt hij als een oude man, net als op de foto van Alfonso uit 1936, enkele maanden voor zijn gewelddadige dood.

Toen die laatste foto werd gemaakt was de Spaanse Burgeroorlog net uitgebroken. Lorca, 38 jaar toen, werkte aan een cyclus van op Arabisch-Perzische treurliederen gebaseerde gedichten. Een van de laatste teksten die hij schreef, was een gacela, een vorm van oosterse erotische poëzie:
Gacela van de vlucht
Ik verloor zo vaak mezelf op zee met het oor vol pas afgeplukte bloemen met de tong vol liefde en agonie. Zo vaak verloor ik mezelf op zee zoals ik mezelf verlies in het hart van sommige jongens.
Nooit was er een nacht dat ik iemand liefhad en de grijns der gezichtslozen niet zag toch is er geen mens die een boreling liefkoost en de starre schedels van paarden ziet.
Daarom vinden de rozen op het voorhoofd enkel een hard landschap van been en willen de handen van de man niets anders dan de wortels nabootsen onder de aarde.
Zoals ik me verlies in het hart van sommige jongens verloor ik mezelf zo vaak op zee. Zonder weet van het water ga ik op zoek naar een lichtende dode die me verteert.
FEDERICO GARCIA LORCA werd op 5 juni 1898 geboren in het Andalusische dorp Fuente Vaqueros en zes dagen later gedoopt als Federico del Sagrado Corazón de Jesús - Federico van het Heilig Hart van Jezus. Hij had de drift tot het hogere als het ware vanaf het doopwater in zijn kleren hangen. Zijn jeugd was beschermd, rustig en vol vrolijke verwondering over de weerbarstige natuur van zijn geboortestreek waar hij eigenlijk nooit meer echt van is losgekomen.
Tijdens zijn studententijd in Granada (literatuur, filosofie en rechten) ontmoet hij de componist Manuel de Falla, die een grote belangstelling aan de dag legt voor de Andalusische volksmuziek, vooral voor de cante jondo, een woordverbastering van het Hebreeuwse cante jomtob, ‘zang voor de feestdag’. In Andalusië is de saeta de bekendste onder de cante jondo’s, een bezwerende zang vol klankstoten, erotiek en natuurbeschrijvingen. Samen met De Falla organiseert Lorca in 1922 een feest rond deze liederen. De echo van de cante jondo keert terug in Lorca’s vroege dichtbundels, met name in de bundel die hem in één klap beroemd en geliefd zal maken, de Romancero Gitano (1927).
Ten tijde van het schrijven aan deze bundel staat Lorca onder invloed van de avantgardistische kunstenaars uit Barcelona en Madrid. Hij ontmoet daar de filmer Luis Buñuel - die Lorca veracht omdat hij een 'pederast’ is - en de schilder Salvador Dalí, op wie Lorca waanzinnig maar ongelukkig verliefd wordt.
DE EROTIEK IN Lorca’s gedichten, zeker de homo-erotische gevoelens, die in zijn eerste werken nog verhuld aanwezig zijn, ligt dicht bij een diep doodsverlangen, 'het donkere heimwee naar een gisteren vol nachtegalen’. Politiek staat hij in de politiestaat van het Spanje in de jaren dertig ter linkerzijde. Niet expliciet - Lorca heeft zich nooit bij een politieke beweging aangesloten - maar onder de rechtse partijen is Lorca vrij snel gehaat. Onder meer op grond van zijn Romancero Gitano, waarin hij beschrijft hoe de Guardia Civil een zigeunerdorp met de grond gelijk maakt.
Zwart zijn de paarden.(Zwart zijn de hoefijzers.(Op hun mantels glimmen(vlekken van inkt en was.(Ze wenen niet omdat ze(doodskoppen hebben van lood.(Met hun laklederen ziel(komen ze langs de steenweg.(Gebocheld en nachtelijk(verordenen ze op hun doortocht(stilten van donkere gom(en angsten van fijn zand.(Ze gaan waar ze willen gaan(en verbergen in hun hoofd(een vage astronomie(van onwerkelijke pistolen.((Dit weinig vleiende beeld van de zwarte spookrijders uit 1927 wordt bijna tien jaar later een gretig motief voor de Spaanse fascisten om met Lorca af te rekenen. De dichter heeft zijn eigen doodvonnis al vroeg opgeschreven.
IN NEDERLAND is Lorca vooral bekend als toneelschrijver van stukken als Het huis van Bernarda Alba. Zijn mooiste stuk wordt hier echter zelden gespeeld. Het is Yerma (1935), het stuk over een vrouw die geen kind krijgt en die aan het verlangen naar een kind kapot gaat. De echtgenoot van Yerma, Juan, werkt hard, hij wil rijk worden, en daarbij kan hij geen kind gebruiken. Af en toe bemint Juan zijn vrouw, mechanisch, 'met kille dijen’, zoals Yerma het beschrijft. Wanneer ze aan het begin van het beslissende derde bedrijf wanhopig schreeuwt: 'Laat me niet los. Verlang met me mee’, dan duwt Juan haar van zich weg. Later bekent hij haar dat de diepe verlangens van zijn vrouw hem 'niet raken’. Die mededeling wordt zijn dood. Wanneer Juan meteen na deze mentale klap te hebben uitgedeeld met Yerma wil vrijen - Juan: 'Je bent zo mooi in het maanlicht.’ Yerma: 'Je wil me net als je een houtduif wil om op te eten.’ - wurgt ze haar man. Ze heeft haar kind nu definitief vermoord.
Het stuk heeft de heldere structuur van een tragisch gedicht. Naast de botsing tussen Yerma en Juan staan twee bijrollen: een vrouw die wél een kind krijgt en een man die wél oprecht naar Yerma verlangt. Een koor van misprijzend sprekende vrouwen uit deze benauwde gemeenschap (ze worden 'wasvrouwen’ genoemd) completeert in het drama dit scherpe monument voor een vrouw die haar gevoelens gereduceerd ziet tot vluchtige contacten met bevroren mannendijen.
Vaak heeft de homoseksueel Lorca zich vereenzelvigd met de hartstochten, het leed, de rancune en de opstandigheid van de vrouw. Het personage van Yerma ligt dichtbij wat Lorca in zijn beroemd geworden lezing eens de 'duende’ noemde, een demonische kobold die ín hem woonde, die deel van zijn ziel geworden was. 'Vreugde, pijn, leven, dood, ze zijn via de duende in mij verstrengeld. De duende bemint de wonde en brengt ons tot oorden waar de vormen samensmelten in één verlangen dat verre boven hun zichtbare verschijning staat. Een verlangen dat zowel erotische extase als doodsdrift kan zijn.’
Lorca hield van het toneel, als verstrengeling van doodsdrift en extase. In een geïmproviseerde lezing na de première van Yerma zei hij: 'Het toneel is een school waarin men leert te lachen en te huilen. Een volk dat zijn toneel niet ondersteunt of bevordert, is stervende, zo al niet gestorven. Toneel is poëzie die het boek verlaat en gestalte krijgt in mensen. Ze spreekt, schreit, schreeuwt en is wanhopig. Wat het toneel nodig heeft, dat zijn personages die voor het voetlicht verschijnen als dragers van poëzie, maar die tegelijkertijd hun gebeente en hun bloed openbaren.’
IAN GIBSONS BIOGRAFIE Federico García Lorca: A Life uit 1989 is nu eindelijk in het Nederlands verschenen. Gibson heeft van het speuren naar het gebeente en het bloed van Lorca een levenswerk gemaakt. De lijst van dankbetuigingen aan individuen die Lorca hebben gekend en die Gibson hebben geïnformeerd, telde in 1989 al drieëndertig doden. Ze is voor de Nederlandse versie niet bijgewerkt, maar de lijst van de doden zal inmiddels ongetwijfeld langer zijn.
Over de omstandigheden waaronder Lorca in 1936, in het eerste jaar van de Spaanse Burgeroorlog, is vermoord, worden in Spanje nog achterhoedegevechten geleverd. Biograaf Gibson was in het begin van de jaren zeventig een van de eersten die over die omstandigheden een uitgebreid onderzoek publiceerde, The Death of Lorca. Hij heeft zich al een kwart eeuw in zijn favoriete onderwerp vastgebeten. En hij moet in zijn vuistdikke boek twee dingen toegeven. Ten eerste: de omstandigheden waaronder de fascistische executie van Federico García Lorca in 1936 plaatsvond, zijn nog altijd niet opgehelderd. Het is bizar dat er in Spanje nog altijd mensen rondlopen die meer weten dan deze diep spittende biograaf. Wie waren er verantwoordelijk? Welke motieven hadden de moordenaars? Is Lorca gemarteld? Heeft hij pistoolschoten in zijn kont gekregen (omdat hij een flikker was), zoals een van de militairen die bij de terechtstelling aanwezig was, herhaaldelijk heeft beweerd? Gibson weet het niet. Er lopen ooggetuigen rond. Zij zwijgen.
Ten tweede: de homoseksualiteit van Lorca. Gibson geeft in zijn inleiding van de biografie toe dat hij daarover niet veel meer te weten is gekomen dan wat in de officieel goedgekeurde literatuur over Lorca al bekend was. Krabbeltjes van vrienden, onder wie Dalí. Gedichten van Lorca zelf. Die zijn overigens onthullend genoeg. In zijn eenzaamste tijd - de jaren van een grote reis naar New York en Cuba (1929-1930) - schreef hij verzen die het meest verhullen over zijn mannenliefde. Waaronder deze - uit de bundel Dichter in New York (wanneer wordt die prachtige bundel eens herdrukt?):
Huilen wil ik want daar heb ik zin in zoals kinderen huilen op de achterste bank want ik ben geen dichter, geen man, geen blad maar een zere pols die de dingen van de overkant verkent.
Ik wil huilen terwijl ik mijn naam uitspreek, Federico García Lorca aan de oever van dit meer ik spreek mijn waarheid als een man van bloed en dood in mij de hoon en de suggestie van het woord.
Hier bij het water in uiterste naaktheid zoek ik mijn vrijheid mijn menselijke liefde niet de vlucht die ik zal nemen het licht of de ongebluste kalk maar mij nu loerend op de bol van de verbijsterde bries.
ER IS NOOIT een film over Federico García Lorca gemaakt. Er bestaat wel een film waarin Lorca op de achtergrond figureert, A un dios desconocido ('Aan een onbekende god’) van de Spaanse cineast Jiame Chavarri (1979). In het eerste kwartier van deze film zien we de arrestatie van Lorca door de ogen van een jonge bewonderaar, José. De film gaat eigenlijk over deze José, veertig jaar later, in Granada. José wandelt door de stad. Hij leeft alleen in een deftig huis met een modelspoorbaan als hobby. José zoekt in Granada de sporen terug van Lorca. Hij ontmoet een oude minnaar van de schrijver, die José in Lorca’s tuin verleidt. In de late avonduren blijft José alleen. Hij kleedt zich uit en aan voor de nacht. Tijdens dat ritueel zet hij het portret van Lorca op zijn nachtkastje. En hij draait een band. We horen via een bandrecorder Lorca’s gedicht 'Ode aan Walt Whitman, uit de bundel Dichter in New York. Walt Whitman is een flikkerdichter, een held onder Amerikaanse homoseksuele mannen. Lorca’s ode aan deze dichter is een pijnlijke confrontatie, vol ontkenning van homoseksuele gevoelens.
Jij zocht geen opengekrabde ogen. Niet het zwarte moeras waarin kinderen wegzakken geen bevroren spuug niet de gewonde rondingen van de buik van een pad de buik die flikkers te huur aanbieden in auto’s en op stoepen terwijl de maan hen geselt op de hoeken van de angst. Jij zocht een lijf dat als een rivier kon zijn een vader van je doodstrijd aronskelk van je dood klaagzang in het duister van je hel. Het is juist dat een man zijn genot niet zoekt in het bos van het bloed van de volgende dag De hemel heeft stranden waar men het leven mijden moet. Er zijn lijven die zich bij de dageraad niet moeten herhalen Doodsstrijd doodsstrijd slaap onrustige droom.
Dat was in de kern het leven van Federico García Lorca.
Een onrustige droom.