FEDERICO GARCÍA LORCA, VERZAMELDE GEDICHTEN

Huilende dromen en kankernimfen

FEDERICO GARCÍA LORCA, VERZAMELDE GEDICHTEN

Uit Schreeuw tot Rome (Vanaf de toren van het Chrysler Building)

Intussen, intussen, ay! intussen
maken zwarten spuwbakjes leeg,
huiveren jongens onder de vale terreur van de directeurs,
verdrinken vrouwen in minerale oliën,
moet de menigte van hamer, viool of wolk
het uitschreeuwen, al verplettert men haar hersens tegen de muur,
het uitschreeuwen tegenover de koepels,
het uitschreeuwen waanzinnig van vuur,
het uitschreeuwen waanzinnig van sneeuw,
het uitschreeuwen met haar hoofd vol uitwerpselen,
het uitschreeuwen zoals alle nachten samen,
het uitschreeuwen met een totaal verscheurde stem
tot de steden bibberen als meisjes
en ze de kerkers van olie en muziek neerhalen.
Want wij willen ons dagelijks brood,
elzenbloem en eeuwigdurende verkorrelde tederheid,
want we willen dat de wil van de Aarde geschiede
die haar vruchten geeft aan iedereen.
Hoe stel je vast of een gedicht goed is? Ongetwijfeld valt over de kwaliteit van poëzie te twisten, juist omdat smaken verschillen, maar vermoedelijk gaat de voorkeur van de meeste lezers uit naar gedichten die zowel geest als lichaam, zowel intellect als zintuigen aanspreken. Het gedicht dient een intrigerende oogopslag en verleidelijke motoriek te bezitten, de beeldtaal moet appelleren aan je oudste herinneringen en tegelijkertijd zo verrassend zijn dat je fantasie erdoor geprikkeld wordt, en het is helemaal mooi als de dichter ook nog iets te melden heeft waarover je een tijdje kunt nadenken.
De kwesties die in poëzie aan de orde worden gesteld, betreffen, om met Lucebert te spreken, ‘de ruimte van het volledig leven’, en aangezien zich in de condition humaine geen noemenswaardige veranderingen hebben voorgedaan, is wat dichters vandaag bezighoudt hetzelfde als waarmee hun voorgangers drie millennia geleden worstelden. Wat doe ik hier? Hoe sleep ik haar mijn hol in? Hoe moet ik sterven? Als het om de geest van de poëzie gaat, kost het geen moeite contact te maken met dichters uit lang vervlogen tijden, of ze nu in China, Mesopotamië, West-Afrika of Ierland woonden. Waarschijnlijk geldt voor het lichaam van de poëzie hetzelfde, aangezien het een algemeen menselijke eigenschap is te kunnen genieten van klank en ritme, van auditieve en visuele regelmaat en de onverwachte doorbreking daarvan.
Wat het ene oeuvre van het andere, de ene periode van de andere onderscheidt, is vooral de beeldtaal. Er zijn enorme verschillen in natuurlijke en maatschappelijke omgeving die bepalen welke kleuren en geluiden, welke dieren en gebouwen, welke voorwerpen en gebruiken in poëzie terechtkomen. Modes en conventies regeren het literaire veld. Daar komt bij dat ieder individu in overeenstemming met zijn eigen temperament op zijn materiële omgeving reageert. Niettemin, poëzie doet overal en altijd hetzelfde: aanspreken, inpalmen, meeslepen en het leven hanteerbaar maken.
De beeldtaal van Federico García Lorca (1898-1936) is van een overweldigende rijkdom. Geworteld in de Andalusische traditie van morbide katholicisme en hartverscheurende 'cante jondo’, opgeleid als musicus en jurist, in de jaren twintig bevriend met Luis Buñuel en Salvador Dalí, homoseksueel in een omgeving die dat niet accepteerde, terwijl Spanje verscheurd werd door politieke conflicten, lijkt Lorca alles wat hij waarnam met de gulzigheid van een omnivoor in zich te hebben opgezogen, om het met een verbazingwekkende inventiviteit te transformeren tot poëzie, toneel, tekeningen en muziek. In twee decennia schiep hij een formidabel oeuvre van een duizelingwekkende diversiteit, tot hij op 38-jarige leeftijd door aanhangers van Franco uit de weg werd geruimd.
De Vlaamse dichter en vertaler Bart Vonck heeft het aangedurfd Lorca’s complete poëtische productie in het Nederlands om te zetten en overvloedig te becommentariëren. Het is niet eenvoudig greep te krijgen op dit reusachtige boek, waarin subtiel impressionisme, schmierende zigeunerlyriek, keurige sonnetten en uit de bocht vliegend surrealisme naast elkaar staan. Lorca beheerste, is mijn indruk, als weinig anderen de kunst van de mimicry, het vermogen zich verschillende idiomen eigen te maken en nu eens in de huid van een flamencogitarist te kruipen, dan weer de Madrileense dandy uit te hangen en vervolgens een Spaanse Walt Whitman te worden. Wie is de echte Lorca? Net zo min als bij zijn Portugese tijdgenoot Pessoa zullen we dat ooit weten.
Precieus en minimalistisch, als een haiku, begint de cyclus 'Stille wateren’:

Cipres.
(Stilstaand water.)

Populier.
(Kristalhelder water.)

Wilg.
(Diep water.)

Hart.
(Pupillenwater.)

De laatste strofe laat zien dat Lorca geen talent heeft voor objectiviteit. Het sentiment ligt er vrijwel steeds dik bovenop, zeker in de bundels die geïnspireerd zijn op de orale traditie. Wie om Spaanse clichés verlegen zit, kan hier zijn hart ophalen: 'De gitaar/ laat dromen huilen./ Het snikken van de verdoolde/ zielen/ ontsnapt aan haar ronde/ mond.’
Als we Lorca moeten blijven lezen, is het vooral om de schitterende bundel Dichter in New York, geschreven in 1929-1930, toen hij een aantal maanden in die stad vertoefde. Voor het eerst kwam hij, overrompeld door de moderne metropool, los van zijn culturele achtergrond, kreeg hij werkelijk oog voor sociale misstanden en schreef hij openlijk over zijn homoseksuele verlangens. Hij ontdekte de jazz en was getuige van de beurskrach. De vorm van de gedichten is los en breed, de beelden duikelen over elkaar heen, scherp realisme en mythische nachtmerries gaan hand in hand. 'De dageraad van New York heeft/ vier zuilen van slijk/ en een orkaan van zwarte duiven/ die rondspatten op rottend water.’ Dat is een helder beeld. Maar dit is een boze droom:

Vriend:
Sta op en hoor het janken
van de Assyrische hond.
De drie kankernymfen hebben gedanst,
mijn jongen.
Ze brachten bergen mee van rode zegellak
en harde lakens waarop de kanker lag te slapen.
We kunnen Voncks vertaling vergelijken met een versie van Dolf Verspoor uit 1990:

Vriend
ontwaak en hoor hem huilen
de Assyrische hond.
De drie nimfen van de kanker zijn uitgedanst,
mijn zoon.
Ze brachten bergen aan van rode lak
en lakens hard waarin de kanker sliep.

Inhoudelijk zijn de verschillen gering, maar wel bepalend voor wat je voor je ziet. Voncks 'hebben gedanst’ is een neutrale weergave voor 'han estado bailando’, Verspoor maakt duidelijk dat het spel uit is. Waar de laatste 'hijo mío’ correct als 'mijn zoon’ vertaalt, kiest Vonck voor het meerduidiger 'mijn jongen’. Bij het aanbrengen van lak kan ik me iets voorstellen, bij het meebrengen niet. En wat een verschil in klank en ritme! Vonck strompelt, Verspoor danst.
Het is een probleem dat zich in dit boek vaker voordoet. De vertaling wekt, voorzover ik dat met mijn gebrekkige Spaans kan beoordelen, een adequate indruk, maar swingt niet. Vonck is een kundig filoloog, maar geen dichter. Zijn ontzag voor Lorca is te groot. Dat blijkt ook uit het stroef geschreven nawoord en het absurd uitvoerige notenapparaat, waarin zelfs de sufste details worden toegelicht. Twee oden uit Dichter in New York zijn opgedragen aan, zoals erboven staat, 'mijn uitgever Armando Guibert’. Noot van Vonck: 'Armando Guibert: uitgever van de “Ode aan New York”’. In de toelichting bij de ode aan Salvador Dalí krijgen we te horen dat Lorca enkele keren te gast was bij diens familie, 'onder meer in mei 1927 (de Goede Week) en in de daaropvolgende zomer’. Het is niet duidelijk waarom we dat zouden moeten weten. Het nawoord van Hagar Peeters is van een treurig stemmende onbenulligheid: 'De gitaarleraar die mij in Salamanca vooruit liet betalen voor zijn lessen kwam al bij de eerste les niet opdagen.’ Nog erger: 'Een Spanje zonder Lorca is ondenkbaar.’ Dit flamboyante oeuvre had een eleganter eerbetoon verdiend.

Het Festival Literaire Meesters 2010 (van 7 t/m 21 november in Utrecht) is gewijd aan Federico García Lorca. Voor meer informatie: www.garcialorca.nl

FEDERICO GARCÍA LORCA
VERZAMELDE GEDICHTEN
vertaald door Bart Vonck
Athenaeum-Polak & Van Gennep (Perpetua-reeks), 874 blz., €39,95