Theater

Huilende lichamen

Theater: History of Tears door Troubleyn/Jan Fabre

Als we binnenkomen liggen zeven actrices in foetushouding op witte kussens. De overige performers poetsen achter lange tafels glazen vazen schoon. Hoog bovenin tegen de gekooide achterwand zit een vrouw. Zij wringt een natte doek uit. We horen water. History of Tears opent met dat elektronisch versterkte geluid. Midden op de kale speelvloer staat een harp. De harpiste begint te spelen. Onverstoorbaar lyrisch. Een zachte melodie. Dan gaan de in witte kleden gehulde peuters-in- foetushouding hartverscheurend schreeuwen. Een pandemonium van gekrijs. Tempert de een wat, dan neemt de ander het over. De poetsende mannen en vrouwen komen vanachter hun tafels en vazen, pakken de krijsende peu ters op, wiegen ze, kussen ze, strelen ze. Die vallen stil. Maar zonder aanwijsbare aanleiding wordt het gehuil hervat. Eentje begint. De anderen nemen het over. En weer. En nog eens. En weer die stilte. En opnieuw dat krijsen. De wiegers en kussers en strelers worden langzaam stompers en beukers en slaanders. Er wordt met kussens gemept. De krijsende peuters worden tot aan de rand van het speelvlak ge sleept en gestapeld. En over de speelvloer gesmeten.
Het is een scène die eindeloos duurt. Tot op de grens van de irritatie. Niet tot over de rand van de verveling. Jan Fabre verveelt niet. Hij test en tart de grenzen van het uithoudingsvermogen bij zijn toeschouwers. Fabre gaat daarin ver. Dat kennen we al een ruime kwart eeuw van hem. Het went nooit.
History of Tears ging een half jaar geleden in première in Avignon. Afgelopen weekend was de voorstelling te zien in het Muziektheater in Amsterdam. Helaas maar drie keer. Ik wilde meteen nóg een keer. Waarom? Goed vormgegeven gekkenhuizen werken verslavend. Is dat een verklaring? Ik zou het niet weten.
History of Tears is eigenlijk de geschiedenis van álle lichaamssappen. Naast tranen komen zweet, pis en sperma voorbij. Fabre vertelt ook de historie van de schaamte, het grote verhaal van de mens die zijn vrijheid bedekt, lichaamsvochten nog uitsluitend mechanisch produceert, of in ’t geniep, of helemaal niet meer.
Er zijn drie vertellers. De eerste is een dolende «ridder van de wanhoop». Hij zou Cervantes’ Don Quichot kunnen zijn, de laatste der mohikanen uit de late Middeleeuwen, te laat geboren, Renaissancemens, verlangend naar de sappige lust of de lustige sappen van de voorbije eeuwen. De tweede is een «tonnenprater», een halfnaakte bebaarde zwerver. Hij zou Diogenes kunnen zijn, de Griekse filosoof uit de vierde eeuw voor onze jaartelling, die in Athene op klaarlichte dag met een lampion op zoek was naar een mens, een ware mens. Vergeefs. De vrouw hoog boven het speelvlak wordt De Rots genoemd. Ze huilt aanhoudend. Het zijn kunst matige tranen. Gewrongen uit een doek. Ze dienen tot niets, ze lijken ook uit niets te komen.
Fabre toont het leven als een pelgrimsprocessie van verdriet, schaamte en boete. Ik dacht aan de voettochten van flagellanten, middeleeuwse fundamentalis ten die, zichzelf geselend, in de veertiende en vijftiende eeuw door Europa trokken. Ze toverden hun tranen van pijn uit zelfkastijding. Hier zijn de middelen koud, hard, steriel: glas. De processiegangers zijn uiteindelijk naakt. Ze worden getooid met glazen vazen. Een voet in een vaas, een vaas tussen de dijen, een vaas onder de armen, een vaas tussen wang en schouder. Het is een hopeloos, troosteloos, transparant en gruwelijk emotionerend beeld. We horen de uit een doek gewrongen neptranen, net zo steriel als in het begin, elektronisch versterkt.
Misschien had Jan Fabre daar, op dat moment moeten stoppen. Maar hij vond het nodig nog een epiloog toe te voegen. «Laat onze huilende lichamen/ een alternatief zijn voor agressie/ Laat onze huilende lichamen/ een tegenwicht zijn voor huichelarij.» Enzovoorts, en zo verder. Dat ging nog een paar pagina’s door. Tja. Hoe heette die wet voor orakelende kunstenaars ook al weer? Inderdaad. Kill Your Darlings.
Waar History of Tears nog te zien is? Raadpleeg www.troubleyn.be