Huilende mannen

Ik hou niet van huilende mannen op mijn televisie, ook niet als ze Clarence Seedorf heten. Het drama van de voetbal-EK liet weer eens zien hoe het hedendaagse voetbal verworden is tot pure emotie-tv. Schaamteloos grienende kerels die elkaar aflebberen en knuffelen (in eigentijds Nederlands heet dat ‘huggen’). Brrr! Zoiets zouden ‘n Theo Lazeroms, 'n Johan Cruijff - ook nog nooit lachend gesignaleerd trouwens - of 'n Willem van Hanegem nimmer hebben gedaan.

De Kromme had na zo'n gemiste penalty eens stevig gevloekt, een lekkere fluim op de stip gerocheld en vervolgens in de kleedkamer een zware Van Nelle opgestoken. Maar dat waren dan ook echte kerels. Het Nederlandse voetbal stelde in die dagen nog iets voor en Oranje-supporters vertoonden zich niet in van die maffe uitdossingen, waar je als landgenoot met van gene samengeperste billen naar kijkt. Geef mij maar de echte hooligans in plaats van deze carnavalvierders. ‘Lovely people’, zeiden de Liverpudlians op het NOS- journaal, terwijl die Creutzfeldt-Jakoblijers met hun oranjegeverfde koppen om hen heen hosten. Zoals bekend blijven Britten onder alle omstandigheden beleefd; zelfs Adolf Hitler werd consequent als mister Hitler aangeduid.
Van onze nationale trots is nu niets meer over. We zijn geen voetballand meer, geen schaatsland, geen fietsland, geen tomatenland, geen gidsland, we zijn voortaan gewoon een niksland. Nou ja, dat is niet helemaal waar: we zijn in ieder geval nog een domineesland. In geen enkel ander land wordt zo onmatig en gretig gepalaverd over de teloorgang van de moraal.
Afgelopen weekend kreeg ik bijna een overdosis in Trouw, de domineeskrant van Nederland. Niet alleen een bijlage over 'de dood op verzoek’ en op de voorpagina de doe- het-zelfbrochure van de Nederlandse Vereniging voor Vrijwillige Euthanasie, maar voor de echte liefhebbers ook nog eens 'n Wallage, 'n Heerma en 'n Kinneging - de huiskamerfilosoof van de VVD - over de moraal in Nederland.
De Nederlandse Vereniging voor Vrijwillige Euthanasie doet me altijd denken aan de NVSH. Hoewel ik even sterfelijk als seksverslaafd ben, zou ik van geen van beide clubs ooit lid worden. En meer nog dan masturbatiedocenten, wantrouw ik mensen die een handleiding schrijven over hoe je jezelf van kant kunt maken.
Voor politici geldt hetzelfde. Ofschoon ik elke dag opnieuw probeer een rechtschapen mens te zijn, wantrouw ik parlementariers en intellectuelen die de mond vol hebben van moraal en burgermansfatsoen. Zoals de immer argwanende Tom Poes tegen zijn goedgelovige vriend Ollie B. Bommel pleegt te zeggen: 'Daar zit wat achter.’
Sommige politici wantrouw ik meer dan anderen. Jacques Wallage bijvoorbeeld. Vorige week opeens die liefdevolle koestering van de minima, die niet langer 'in de min’ mogen zijn als de economie 'in de plus’ is - welk een retorische vondst! - en nu plotseling op de bres voor een waarachtige beginselpolitiek. Jacques Wallage: fractievoorzitter van een partij waarvan leider Wim Kok een poosje geleden ostentatief afscheid nam van de sociaal-democratische ideologie; als staatsssecretaris onder Lubbers III verantwoordelijk voor de invoering van de basisvorming, inmiddels geboekstaafd als de meest complete mislukking van de naoorlogse onderwijspolitiek; en tenslotte pijler van het meest kleur- en visieloze kabinet sinds mensenheugenis. Jacques Wallage over de moraal van Nederland: daar zit wat achter.
Zoals in alle ideologische debatten dient ook hier het verleden als excuus voor het heden. Net als Frits Bolkestein mag ook VVD-filosoof Andreas Kinneging graag de jaren zestig de schuld geven voor de morele ontsporing van de jaren negentig. Weinig gehinderd door historisch besef - 'Ik vind alles wat ik erover lees nogal oppervlakkig’ - stelt deze partijdenker de romantische revolutie van de sixties verantwoordelijk voor de hedendaagse Zeitgeist, dat wil zeggen de teloorgang van huwelijk en gezin, een te ver doorgeschoten individualisme, het verlies aan gemeenschapszin.
Ik ben het met Kinneging eens dat Nederland in de jaren negentig een aanblik biedt van politieke desorientatie, een onmaatschappelijk individualisme en hier en daar zelfs plat cynisme. Maar dat heeft minder met de jaren zestig te maken dan met de daarop volgende decennia, toen links zich door de onstuitbare opmars van Nieuw Rechts en door de ontwikkelingen in Oost-Europa alle maakbaarheidsidealen liet ontnemen. In Nederland kwam daar nog de deconfiture van het kabinet-Den Uyl (1973-1977) en de volstrekt niet voorziene machtsontplooiing van het CDA in de jaren tachtig bij. Na een verpletterend stilzwijgen is nu ook de sociaal-democratie tot een kritiekloos marktdenken bekeerd.
Tegelijk brachten de werkloosheid en economische crises van de jaren zeventig en tachtig een nieuw anti-jaren-zestigprogramma in stelling: no nonsense, conformisme, anti- egalitarisme, een fixatie op economisch rendement en individueel presteren, een verwaarlozing van postmaterialistische issues als welzijn, emancipatie, milieu en democratisering. Rechts en de geschiedenis hebben een einde gemaakt aan de romantische revolutie van de jaren zestig. En daar ligt de ware oorzaak voor de verloedering van Nederland.
Hadden we maar iets van de romantiek uit de jaren zestig terug. Soms lijkt het alsof ook de erfgenamen van dat tijdperk voorgoed het zwijgen is opgelegd. Huilende mannen op de televisie, dat is alles wat er nog van over is. Om te huilen, inderdaad.