Groen

Huis

Ik ken heel wat honden. Dat is natuurlijk helemaal geen verdienste, vrijwel iedereen zal een aantal honden kennen, maar niet vrijwel iedereen heeft een plek om over die beesten te schrijven. Deze week een complete column over het kleinste hondje dat ik ken. Ik zal haar naam niet noemen, die doet er niet toe, wel schrijf ik op dat haar officiële naam uit minstens drie delen bestaat, en één deel is Huis. Ze is van adel, zeg maar, en een volledig mislukt exemplaar. Haar vader en moeder waren draadhaar Kaninchens, maar dit hondje – laat ik haar Huis noemen – is gladharig. Een kleiner teckeltje dan Huis bestaat niet.
Toen ik haar leerde kennen, wilde ze niets van me weten. Als ze met geweld op mijn schoot werd gezet, bibberde en beefde ze zo lang en hard dat ik er ook niets meer aan vond. Heel langzaam begon ze aan me te wennen, stilaan gaf ze zich over. Misschien heeft Huis een enorm minderwaardigheidscomplex, veroorzaakt door de combinatie adel en mislukt zijn, en in die zin begrijp ik het trage overgeven wel; Huis zou wellicht liever in een hoekje wegkruipen.
Maar dat doet ze niet. Ze maakt juist van alles mee. Zo nu en dan ligt ze op de operatietafel bij de dierenarts omdat op het strand een tien keer zo grote hond een hap uit haar oor heeft gebeten of enorme mantelmeeuwen haar zien als een lekker, zij het wat groot, hapje. Een keer was ze kwijt, op een begraafplaats. Alleen omdat ze op een gegeven moment begon te janken, werd ze gevonden in een prutsloot waar ze onmogelijk zelf uit kon komen. Onlangs wilde ze via een voetenbankje op de bank springen, waarop haar slaapkussentje lag. De aanloop was iets te heftig, het voetenbankje schoof weg en ze belandde half onder de bank, met alle pootjes in de lucht. Ik moest enorm hard lachen. Dat kan Huis niet hebben, die wenst niet uitgelachen te worden, dus ging ze heel stoer proberen een lege waterfles in de tuin te begraven. Een fles die, natuurlijk, net zo groot was als zijzelf.