Huis te koop in Zuid-Afrika

Vrede - Veel meer dan Kaapstad is Johannesburg het multiculturele centrum van Zuid-Afrika. Zonder natuurlijke barrières als de Tafelberg is het een stad die zeventien jaar na apartheid bijna normaal begint te ogen. Maar je hoeft niet ver te rijden om het Zuid-Afrika van ‘vroeger’ tegen te komen.
Ik probeer mijn huis in het dorp Vrede in de Vrijstaat-provincie te verkopen, tweehonderd kilometer ten oosten van Johannesburg. Vrede is geen toonbeeld van raciale harmonie. Onlangs werd er een speelfilm opgenomen, Platteland. De hoofdstraat was afgezet. De crew filmde een overval op een bank. Wat zwarte mannen stonden te kijken. 'Weg jullie’, beval een ou tannie met gepermanent haar. 'Dit is jullie ding niet. Vort, maak dat je wegkomt.’ De mannen dropen af.
Als je een huis verkoopt krijg je mensen over de vloer die lomp door de kamers banjeren en met kritische blik kijken naar alle dierbare spulletjes. Ze kwamen uit Pretoria, Welkom, Vereeniging en Memel, veelal Afrikaners op zoek naar een koopje of iets voor hun oude dag. Het huis is groot, kijkt uit op een vlei met koeien en paarden en heeft een dubbele tuin met appel-, pruimen-, vijgen- en perzikbomen. Het is erg veilig, maar het probleem is dat het in het 'onderdorp’ ligt. Dat onderdorp met zijn straten vol gaten was voor de arme blanken, en inmiddels ook wat zwarten. De linkerburen zijn Anelia, haar drinkende echtgenoot Louis en hun inwonende, zwaarlijvige dochter. Naast hen woont een zwart gezin: een oma, Stella, die een hele schare kleinkinderen opvoedt en wier zonen wegens veediefstal veroordeeld zijn.
En dus komt Johann uit Pretoria in kaki-outfit naar het huis kijken, en het eerste wat hij zegt is: 'Veel zwarten in de buurt hè.’ Waarop je wilt antwoorden: 'Niet zo verwonderlijk als negentig procent van de bevolking niet-blank is hè.’ Maar je houdt je mond.
En dan komen Lynn en Charlie. Charlie houdt van aftershave en Lynn heeft last van permanent afhangende mondhoeken. Ze heeft haar dikke voeten in gehakte muiltjes gepropt. Haar teennagels zijn met glitter gelakt. Haar misprijzende mond gaat nog twee graden misprijzender als ze vraagt: 'Zijn dat zwarten die naast jullie wonen?’ Nee Lynn, blanken.
Of neem Alf, een ex-politieman die me uitlegt dat 'Malawi boys’ veel beter zijn als landarbeiders dan Zimbabwanen, want 'dat zijn allemaal criminelen’. En ten slotte Robert, die we nog nooit hebben ontmoet, maar die meent grappig te zijn door mijn vriendin te bellen met de openingswoorden: 'Dit is je gynaecoloog.’ Robert komt niet opdagen. Een week later belt hij weer. Luide stem. Er waren wat catastrofes, vertelt hij. O ja? Ja, ze hebben ingebroken en zijn auto’s gestolen. 'That’s those indigenous people for you’, zegt hij.
Hij wilde het huis niet. Goddank.